Home

Gerechtshof Amsterdam, 21-09-2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:2324, 22/322 en 22/323

Gerechtshof Amsterdam, 21-09-2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:2324, 22/322 en 22/323

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21 september 2023
Datum publicatie
11 oktober 2023
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2023:2324
Formele relaties
Zaaknummer
22/322 en 22/323
Relevante informatie
Art. 11, lid 1, onderdeel j Wet OB 1968, Art. 1 Wet OB 1968

Inhoudsindicatie

NA's OB 2011 t/m 2013 met verzuimboeten. Belanghebbende is een notariskantoor. Rente op derdengeldenrekening (maximaal 5 dagen) genoten als vergoeding voor prestatie. Vrijstelling artikel 11, eerste lid, onder j, Wet OB. Pro rata van toepassing. Bewijslast hogere aftrek terecht bij belanghebbende.

Pleitbaar standpunt met betrekking tot boeten. Vertaalfout in Nederlandse taalversie Mercedes Benz Italia-arrest. Beroep op neutraliteitsbeginsel slaagt niet.

Uitspraak

kenmerken 22/00322 en 22/00323

21 september 2023

uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] ., gevestigd te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr. Ph. Boerman)

tegen de uitspraak van 7 april 2022 in de zaken met kenmerken HAA 20/3723 en HAA 20/3725 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.1.

De inspecteur heeft over het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 een naheffingsaanslag omzetbelasting van € 3.702 aan belanghebbende opgelegd. Daarbij is een verzuimboete van € 370 opgelegd en € 635 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.1.2.

Bij uitspraak op bezwaar van 15 mei 2020 heeft de inspecteur het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

1.2.1.

De inspecteur heeft over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2013 een naheffingsaanslag omzetbelasting van € 19.122 aan belanghebbende opgelegd. Daarbij is een verzuimboete van € 1.912 opgelegd en € 2.892 aan belastingrente in rekening gebracht.

1.2.2.

Bij uitspraak op bezwaar van 15 mei 2020 heeft de inspecteur het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

De rechtbank heeft als volgt op de tegen de uitspraken op bezwaar ingestelde beroepen beslist (belanghebbende en de inspecteur worden in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eiseres’ respectievelijk ‘verweerder’):

“De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover het de boetebeschikkingen betreft;

- vermindert de boete voor het jaar 2011 tot € 296 en de boete voor de jaren 2012 en 2013 tot € 1.529;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde gedeelten van de uitspraken op bezwaar, en

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.518.”

1.4.

Het tegen de uitspraak van de rechtbank door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 17 mei 2022 en nader gemotiveerd bij brief van 13 juni 2022. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2023. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 2. Feiten

2.1.

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (belanghebbende en de inspecteur worden in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eiseres’ respectievelijk ‘verweerder’):

“1. Eiseres drijft een notariskantoor en verleent uiteenlopende notariële diensten. Zij heeft een grote commerciële vastgoedpraktijk.

2. Voor haar activiteiten beschikt eiseres over een derdengeldenrekening, waartoe zij is verplicht op grond van artikel 25 van de Wet op het notarisambt. Op deze rekening staan gelden die cliënten en derden aan het beheer van eiseres, of althans de bij haar werkzame notarissen, hebben toevertrouwd in verband met de werkzaamheden van de notarissen en die niet aan eiseres moeten gaan toebehoren. Door de aard van de praktijk van eiseres stonden met grote regelmaat zeer grote bedragen op de derdengeldenrekening (kwaliteitsrekening).

3. Op de derdengeldenrekening is rente vergoed die door eiseres is genoten. In 2011 gaat het om een bedrag van € 114.130, in 2012 om € 113.184 en in 2013 om € 119.215. Deze rente hoefde eiseres niet aan de rechthebbenden van het tegoed op de derdengeldenrekening te vergoeden, omdat zij verband houdt met gelden die slechts voor zeer korte duur op de derdengeldenrekening hebben gestaan. Zonder rekening te houden met de rente heeft eiseres in genoemde jaren vergoedingen voor diensten ontvangen ten belope van € 1.487.592, € 1.342.830 respectievelijk € 1.319.854.

4. Eiseres heeft alle voorbelasting op haar algemene kosten in aftrek gebracht. Verweerder heeft na een in 2016 en 2017 uitgevoerd boekenonderzoek een deel van die afgetrokken voorbelasting nageheven. Daarbij heeft hij zich op het standpunt gesteld dat eiseres in zoverre een evenredige (‘pro rata’) aftrek moet toepassen, waarbij de rente als omzet uit vrijgestelde handelingen in aanmerking moet worden genomen. Verder heeft verweerder verzuimboetes van 10% opgelegd.”

2.2.

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn betwist zal ook het Hof daarvan uitgaan.

3 Geschil in hoger beroep

In hoger beroep is, evenals in eerste aanleg, in geschil of de naheffingsaanslagen, de verzuimboeten en de rentebeschikkingen terecht zijn vastgesteld.

4 Overwegingen van de rechtbank

5 Beoordeling van het geschil

6 Kosten

7 Beslissing