Gerechtshof Amsterdam, 30-10-2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:3686, 24/3224
Gerechtshof Amsterdam, 30-10-2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:3686, 24/3224
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 30 oktober 2025
- Datum publicatie
- 29 januari 2026
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2024:5119, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- 24/3224
- Relevante informatie
- Art. 16 AWR
Inhoudsindicatie
Navorderingsaanslagen IB/PVV 2014 en 2015, aanslag IB/PVV 2016; beschikt de inspecteur over een nieuw feit voor het opleggen van een navorderingsaanslag?; correctie indexering schuld terecht?; beroep op Fagoed-arresten.
Uitspraak
kenmerken 24/3224 tot en met 24/3227
30 oktober 2025
uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. W.P. Keulers)
tegen de uitspraak van 4 april 2024 in de zaken met kenmerken HAA 22/5250 tot en met HAA 22/5253 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
1 Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft met dagtekening 21 november 2020 aan belanghebbende over het jaar 2014 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 54.734. Daarbij is aan belanghebbende een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht van € 397.
De inspecteur heeft met dagtekening 12 december 2020 aan belanghebbende over het jaar 2014 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 61.153. Daarbij is aan belanghebbende een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht van € 738.
De inspecteur heeft met dagtekening 21 november 2020 aan belanghebbende over het jaar 2015 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 45.105. Daarbij is aan belanghebbende een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht van € 323.
De inspecteur heeft met dagtekening 20 november 2020 aan belanghebbende voor het jaar 2016 een aanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 68.219. Daarbij is aan belanghebbende een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht van € 888.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De bezwaren zijn alle bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard, met uitzondering van die tegen de beschikking belastingrente en de aanslag IB/PVV voor het jaar 2016. Bij uitspraak op bezwaar is de aanslag IB/PVV 2016 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 57.892. De belastingrentebeschikking is dienovereenkomstig verminderd.
Het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep is door de rechtbank ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. De inspecteur heeft een conclusie van dupliek ingediend.
Bij de conclusie van dupliek heeft de inspecteur een verzoek om beperkte kennisneming gedaan. Het Hof heeft bij tussenuitspraak van 23 januari 2025 beslist op het geheimhoudingsverzoek van de inspecteur en het verzoek van de inspecteur tot beperkte kennisneming toegewezen. Het Hof heeft uitspraak gedaan op grond van de geschoonde stukken.
Zowel belanghebbende als de inspecteur heeft een nader stuk (pleitnota) ingediend.
Beide partijen hebben daarna afgezien van behandeling van de zaken op een zitting bij het Hof. Het Hof heeft het onderzoek gesloten.
2 Feiten
De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’):
“1. Eiser is op 1 mei 2008 toegetreden tot de vennootschap onder firma genaamd “ [naam VOF] ” (hierna: de vof). Gedurende de belastingjaren 2014 en 2015 was eiser voor 50 procent gerechtigd tot de winst van de vof. Eiser genoot gedurende het belastingjaar 2016 een winstaandeel van 40 procent.
2. Op 1 oktober 2012 hebben eiser en de overige vennoten in de vof (hierna tezamen: de vennoten), in hun hoedanigheid van vennoot, een recht van erfpacht op percelen grond, kadastraal bekend als [plaatsnaam] , sectie A nummers [nummer] , [nummer] (thans [nummer] en [nummer] ) en [nummer] , groot 36.57.20 hectare, gekocht (hierna: het recht van erfpacht) van de heer [A] (hierna: [A] ).
3. [A] was tot 11 mei 2004 eigenaar van de grond waarop het recht van erfpacht is gevestigd (hierna: de grond). Op 11 mei 2004 heeft [A] de grond, onder voorbehoud van het recht van erfpacht, verkocht aan [B] N.V. (thans: [B] N.V. (hierna: [B N.V.] )).
4. De tussen [A] en [B N.V.] gesloten erfpachtovereenkomst is volledig en onder dezelfde voorwaarden overgenomen door de vennoten. De daarin opgenomen erfpachtvoorwaarden omvatten onder meer het recht van de erfpachter om na afloop van de erfpachttermijn (11 mei 2054) en op het zesentwintigste jaar na ingangsdatum van het recht van erfpacht (11 mei 2030) de grond te kopen.
5. In de jaarrekeningen van de vof en eisers aangiften ib/pvv vanaf het belastingjaar 2013 is het recht van erfpacht niet als zodanig geactiveerd op de balans. Op de balans is daarentegen de grond waarop het recht van erfpacht rust geactiveerd en daartegenover een schuld gepassiveerd (hierna: de schuld). De aankoopsom voor het recht van erfpacht, € 1.205.452, is verhoogd met een bedrag van € 857.011 tot een totaalbedrag van € 2.062.463, en daartegenover is een schuld van € 857.011 gepassiveerd. Eiser heeft hiervoor aansluiting gezocht bij het arrest van de Hoge Raad van 10 april 1996 (ECLI:NL:HR:1996:AA1866; hierna: het Fagoed-arrest). De vennoten hebben de grond, voorafgaand aan en gedurende de onderhavige jaren, niet in eigendom gehad. Er heeft geen verkoop van bloot eigendom van grond door de vennoten plaatsgevonden in verband waarmee ze een geldbedrag van derden (zouden) hebben ontvangen.
6. De schuld is jaarlijks geïndexeerd. De jaarlijkse indexering is in eisers aangiften ib/pvv over de jaren 2014 tot en met 2016 telkens ten laste van het hem toekomende resultaat van de vof gebracht. Verweerder heeft deze in aftrek gebrachte bedragen voor alle onderhavige belastingjaren gecorrigeerd naar nihil.”
Het Hof zal ook van deze feiten uitgaan en voegt hier de volgende feiten aan toe.
Het kooprecht opgenomen in de erfpachtsvoorwaarden (zie onderdeel 4 van de rechtbankuitspraak) kent een koopprijs gelijk aan het product van de geïndexeerde erfpachtscanon en de factor 100/2,727, of, indien dit lager is, de waarde in het economisch verkeer van de grond.
De aanslagen IB/PVV voor de jaren 2014 en 2015 zijn geautomatiseerd, conform de gedane aangiften vastgesteld. De aanslag IB/PVV 2014 is opgelegd met dagtekening 30 november 2017. De aanslag IB/PVV 2015 is opgelegd met dagtekening 22 december 2017.
Per 1 mei 2015 is een vierde vennoot toegetreden tot de vof. In verband met de toetreding van deze vennoot zijn activa van de vof geherwaardeerd. De aangifte IB/PVV 2016 is naar aanleiding van deze herwaardering door het computersysteem van de Belastingdienst ‘uitgeworpen’ voor controle.
Tot het dossier behoort een e-mailwisseling tussen de adviseur van belanghebbende en de inspecteur naar aanleiding van die aangifte IB/PVV 2016. In een e-mail van de inspecteur van 6 oktober 2020 verzoekt hij de adviseur van belanghebbende:
“Eind vorig jaar heb ik wel de gegevens van u mogen ontvangen maar wilt [u] het model [C] nog aanvullen met de vragen over erfpacht, verhuur etc.?”
Op 8 oktober 2020 antwoordt de adviseur via e-mail met een bijlage:
“Zie bijlage voor het model. Er is sprake van erfpachtfinanciering met een terugkooprecht op basis van de canon.”
De adviseur verstrekt op 20 en 21 oktober 2020 nadere informatie aan de inspecteur. Op 22 oktober 2020 bericht de inspecteur:
“Nu uw cliënten nooit het volledige eigendom hebben gehad van de percelen grond en nooit geld hebben ontvangen van [B N.V.] , ontbreken in de onderliggende casus de kenmerken van een geldlening. Het recht van erfpacht kan dan ook niet worden verwerkt als geïndexeerde geldlening.”
3 Geschil in hoger beroep
In hoger beroep is in geschil of de navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2014 en 2015 terecht en of de aanslag IB/PVV voor het jaar 2016 naar juiste bedragen zijn opgelegd. Meer specifiek houdt partijen daarbij verdeeld (1) de vraag of de inspecteur de in aftrek gebrachte indexering van de schuld terecht heeft gecorrigeerd (alle jaren) en (2) of de inspecteur over een nieuw feit voor navordering beschikte (de jaren 2014 en 2015).
Bij beantwoording van deze vragen bestaat tussen partijen geen geschil over de cijfermatige uitwerking daarvan.