Gerechtshof Amsterdam, 20-01-2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:187, 25/56 en 25/57
Gerechtshof Amsterdam, 20-01-2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:187, 25/56 en 25/57
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 20 januari 2026
- Datum publicatie
- 28 januari 2026
- Zaaknummer
- 25/56 en 25/57
- Relevante informatie
- Art. 1 EP EVRM, Art. 5.3 Wet IB 2001
Inhoudsindicatie
Box 3. Verzoek om ambtshalve vermindering. Intentie van de wet. Verzoek om terugwijzing naar de rechtbank.
Uitspraak
kenmerken 25/56 en 25/57
20 januari 2026
uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,
tegen de uitspraak van 12 november 2024 in de zaak met kenmerken HAA 23/3418 en HAA 23/6883 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
1 Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2015 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.864 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 839.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2016 een aanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.399 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 461.
De inspecteur heeft de tegen beide voornoemde aanslagen gerichte bezwaarschriften van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard en beide bezwaren aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering en die verzoeken afgewezen.
Belanghebbende heeft tegen de afwijzingen van de verzoeken tot ambtshalve vermindering beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft als volgt beslist (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiseres’ en de inspecteur als ‘verweerder’):
De rechtbank:
- -
-
verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 7 april 2023 ten aanzien van de afwijzing ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2015 gegrond (HAA/23/3418);
- -
-
vernietigt de uitspraak op bezwaar van 7 april 2023, maar laat de rechtsgevolgen in stand;
- -
-
verklaart het beroep tegen de afwijzing ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2016 ongegrond (HAA 23/6883);
- -
-
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 16,20.
- -
-
draagt verweerder op het betaald griffierecht van € 50 aan eiseres te vergoeden.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2025. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2 Feiten
De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:
“1. Eiseres heeft in de jaren 2015 en 2016 een fiscaal partner, [naam] (hierna: partner).
2. Eiseres en haar partner hebben twee kinderen.
3. Eiseres heeft voor het jaar 2015 een aangifte IB/PVV ingediend. Eiseres heeft in 2015 een uitkering ontvangen van € 19.492. Eiseres en haar partner hebben een eigen woning aan de [straat] te [plaats] (hierna: de woning). De WOZ-waarde van de woning in 2015 is € 147.000 en de schuld ten aanzien van de woning is € 62.000. Verder heeft eiseres een grondslag sparen en beleggen van € 29.557 aangegeven, waarvan een bedrag van € 20.975 aan eiseres is toegerekend. Dat leidt tot een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 839 en een belastingheffing in box 3 van € 251.
4. De bezittingen per 1 januari 2015 van eiseres en haar partner bestaan uit bank- en spaartegoeden (€ 398) en contant geld (€ 80.466). Het daadwerkelijk behaalde rendement bedraagt nihil. De gezamenlijke schulden voor aftrek van de schuldendrempel bedragen € 14.647.
5. Eiseres heeft voor het jaar 2016 een aangifte IB/PVV ingediend. Eiseres heeft in 2016 een uitkering ontvangen van € 19.823. De WOZ-waarde van de woning in 2016 is € 146.000 en de schuld ten aanzien van de woning is € 62.000. Verder heeft eiseres een grondslag sparen en beleggen van € 11.533 aangegeven, welke grondslag volledig aan eiseres is toegerekend. Dat leidt tot een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 461en een belastingheffing in box 3 van € 138.
6. De bezittingen per 1 januari 2016 van eiseres en haar partner bestaan uit bank- en spaartegoeden (€ 1.472) en contant geld (€ 64.460). Het daadwerkelijk behaalde rendement bedraagt nihil. De gezamenlijke schulden voor aftrek van de schuldendrempel bedragen € 11.525.
7. De partner van eiseres heeft in deze jaren geen inkomen.”
Het Hof gaat uit van de hiervoor vermelde feiten.
3 Geschil in hoger beroep
In hoger beroep is in geschil of de verzoeken om ambtshalve vermindering terecht zijn afgewezen.