Gerechtshof Amsterdam, 12-03-2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:714, 23-001366-25
Gerechtshof Amsterdam, 12-03-2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:714, 23-001366-25
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 12 maart 2026
- Datum publicatie
- 16 maart 2026
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:714
- Zaaknummer
- 23-001366-25
Inhoudsindicatie
Geldboete voor overtreding van artikel 4, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000. De verdachte heeft niet voldaan aan de op haar rustende zorgplicht. Eenvoudig te constateren gebrek dat visum niet meer geldig was. Gedragingen kunnen worden toegerekend aan de verdachte.
Uitspraak
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001366-25
datum uitspraak: 12 maart 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem) van 20 mei 2025 in de strafzaak onder parketnummer 15-280144-23 tegen
[bedrijf 1] N.V.,
gevestigd te [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 november 2025 en 12 maart 2026.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadslieden naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
zij op of omstreeks 7 februari 2023 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, als vervoerder (vanaf de luchthaven Atlanta W.B. Hartsfield met vluchtnummer [nummer] ) door wiens tussenkomst de vreemdeling, genaamd [persoon] , geboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats] (India), aan een buitengrens of binnen het grondgebied van Nederland werd gebracht, niet de nodige maatregelen heeft genomen en/of niet het toezicht heeft gehouden dat redelijkerwijs van haar kon worden gevorderd om te voorkomen dat door die vreemdeling niet werd voldaan aan artikel 6, eerste lid, onder b, van de Schengengrenscode of artikel 3, eerste lid, onder a van de Vreemdelingenwet 2000, door niet of onvoldoende te controleren of die vreemdeling in het bezit was van een geldig document voor grensoverschrijding, dan wel in het bezit was van een document voor grensoverschrijding waarin het benodigde visum ontbrak.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 395a van het Wetboek van Strafvordering.