Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27-06-2017, ECLI:NL:GHARL:2017:5469, 15/01380 t/m 15/01381

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27-06-2017, ECLI:NL:GHARL:2017:5469, 15/01380 t/m 15/01381

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27 juni 2017
Datum publicatie
28 juli 2017
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2017:5469
Formele relaties
Zaaknummer
15/01380 t/m 15/01381

Inhoudsindicatie

IB/PVV. Ontvankelijkheid hoger beroep. Uitspraak op verzet. Overschrijding hogerberoepstermijn.

Uitspraak

locatie Arnhem

nummers 15/01380 en 15/01381

uitspraakdatum: 27 juni 2017

Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer

op het verzet van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de op 26 januari 2016 met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gedane uitspraak van de derde enkelvoudige belastingkamer van dit Hof op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 28 juli 2015, nummers AWB 14/7924 en 14/7925, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De Inspecteur heeft op 29 oktober 2014, 12 maart 2015 en 17 april 2015 uitspraak op bezwaar gedaan.

1.2.

Belanghebbende is tegen voormelde uitspraken van de Inspecteur in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank).

1.3.

De Rechtbank heeft bij uitspraak van 28 juli 2015 – kort gezegd – de verzoeken om toekenning van dwangsommen afgewezen en de aanslag IB/PVV 2012 – na vermindering door de Inspecteur – verder verminderd.

1.4.

De Inspecteur heeft op 9 september 2015 van belanghebbende een brief ontvangen, die door hem is aangemerkt als hogerberoepschrift en op grond van artikel 6:15 van de Awb is doorgezonden aan het Hof.

1.5.

Het Hof heeft het hoger beroep bij uitspraak van 26 januari 2016 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.

1.6.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof verzet aangetekend.

1.7.

Het verzet is behandeld ter zitting van het Hof van 17 maart 2017. Belanghebbende is met voorafgaande kennisgeving aan het Hof niet verschenen. In die kennisgeving heeft belanghebbende niet verzocht om uitstel van de zitting en heeft hij evenmin op andere wijze aangegeven gehoord te willen worden. Het Hof acht het in het belang van beide partijen dat het Hof met voortvarendheid tot een uitspraak komt, teneinde een oordeel bekend te maken dat van belang is voor een reeks van bezwaar-, beroeps- en hogerberoepsprocedures. Bij de zitting zijn tegelijkertijd de zaken met de nummers 16/00748 tot en met 16/00752 behandeld.

1.8.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende heeft een aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2012 ingediend.

2.2.

De Inspecteur heeft belanghebbendes verzoek om toekenning van een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op de aangifte IB/PVV 2012 afgewezen. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

2.3.

Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar.

2.4.

Bij uitspraak op bezwaar van 29 oktober 2014 heeft de Inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en beide verzoeken om dwangsommen afgewezen.

2.5.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2012 een aanslag IB/PVV opgelegd. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

2.6.

Bij beschikking heeft de Inspecteur de aanslag IB/PVV 2012 ambtshalve verminderd. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

2.7.

De Inspecteur heeft het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2012 op 12 maart 2015 afgewezen.

2.8.

Bij uitspraak op bezwaar van 17 april 2015 heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2012 afgewezen.

2.9.

De Rechtbank heeft in haar uitspraak van 28 juli 2015, nrs. AWB 14/7924 en 14/7925, onder meer beslist dat de aanslag IB/PVV 2012 dient te worden verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.643 waarbij rekening is gehouden met een vermeende terugbetaling aan het UWV van € 14.719 als negatief loon.

2.10.

Bij brief van 29 juli 2015 heeft belanghebbende – voor zover van belang – het volgende aan de Inspecteur geschreven:

“Op 9 maart 2015 heb ik de inspecteur verzocht om mijn aanslagen IB/PVV van 2008 t/m 2012 te herstellen/verminderen. Bij beschikking van 17 april 2015 heeft de inspecteur afwijzend gereageerd op mijn verzoek. Bij uitspraken van (14/7924 en 14/25) van 28 juli 2015 heeft de Rechtbank Gelderland Uw beschikking van 17 april van vernietigd. Ik verzoek u om binnen 2 weken een nieuwe beschikking te laten komen op mijn verzoek van 9 maart 2015. (…)”

2.11.

Bij beschikking van 25 augustus 2015 heeft de Inspecteur de aanslag IB/PVV 2012 verminderd conform de uitspraak van de Rechtbank van 28 juli 2015.

2.12.

Bij brief met als dagtekening 9 september 2012 heeft belanghebbende het volgende aan de Inspecteur geschreven:

“Betreft: Aanslag 2012

Uw kenmerk: [00000] .H.26.01 dagtekening 25 augustus 2015

(…)

Naar aanleiding van de bovenvermelde aanslag deel ik u mee dat de opgelegde aanslag met dagtekening van 25 augustus 2015 niet juist is. In 2012 heb ik in totaal € 20.699,80 netto ontvangen van het UWV. De in december 2012 ontvangen ZW-uitkering van 15.435,10 (€ 2.745,04 +12.690,06) zijn mijn ziektewetuitkering over 2008 t/m 2009 (zie bijlagen). Deze bedragen behoren daarom tot het belastingjaren 2008 en 2009. Over deze jaren heb ik in plaats van een ZW een WW-uitkering ontvangen. De ontvangen WW-uitkering is door het UWV bruto teruggevorderd. Ik verzoek u daarom de aanslag 2012 ambtshalve te verminderen met de in december 2012 ontvangen ZW-uitkering over de periode 1 februari 2008 t/m 25 augustus 2009.”

2.13.

Bij e-mail van 30 september 2015 heeft de Inspecteur – voor zover van belang – het volgende aan belanghebbende geschreven:

“Zojuist hebben wij telefonisch gesproken over de brief die ik van u ontving op 9 september 2015 (…).

(…)

Uw brief betreft het belastingjaar 2012 en u verzoekt mij de aanslag ambtshalve te verminderen. Dit verzoek neem ik niet in behandeling omdat de Rechtbank op 28 juli 2015 uitspraak heeft gedaan in deze zaak. (…) Indien u wenst dat ik uw brief doorzend als hoger beroepschrift naar het Gerechtshof Arnhem – Leeuwarden tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland dan verneem ik dit graag per ommegaande.”

2.14.

Bij e-mail van 1 oktober 2015 heeft belanghebbende een reactie gestuurd waarin – voor zover van belang – het volgende is vermeld:

“In mijn verzoek van 9 september 2015, verzocht ik uw collega van de belastingkantoor Amsterdam om de aanslag (…) van 2012 met dagtekening 25 augustus 2015, te herzien. Aanleiding van mijn verzoek was het volgende: Bij uitspraak (AWB 14/7924 en 14/7925) van 28 juli 2015 is gekomen dat ik in 2012 de volgende inkomsten heb gehad:

(…)

De door de rechtbank gestelde inkomsten (…) zijn (…) onjuist. (…)

Ik verzoek u/uw collega van de belastingkantoor Amsterdam daarom mijn verzoek van 9 september 2015 op grond van artikel 4:6 van AWB in behandeling te nemen en de bovenvermelde aanslag te laten herzien.”

2.15.

Bij e-mail van 1 oktober 2015 heeft de Inspecteur – voor zover van belang – het volgende aan belanghebbende geschreven:

“Uit uw email begrijp ik dat u van mening bent dat de Rechtbank Gelderland een onjuiste uitspraak heeft gedaan. Ik zend uw brief daarom door naar het gerechtshof Arnhem – Leeuwarden als hoger beroep. De feiten die u aandraagt zijn mij reeds bekend en maken onderdeel uit van mijn standpunt zoals ingenomen tijdens de procedure bij de Rechtbank Gelderland. Ik blijf daarom bij mijn stelling zoals weergegeven in mijn email van 30 september 2015.”

2.16.

Bij e-mail van 1 oktober 2015 heeft belanghebbende als volgt gereageerd:

“Ik deel u mee dat ik GEEN hoger beroep heb getekend tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland. Ik heb zojuist een verzoek ingediend volgens artikel 4:6 van AWB.”

2.17.

De brief van 9 september 2015 is door de Inspecteur aangemerkt als hogerberoepschrift en op 20 oktober 2015 doorgestuurd naar het Hof.

3 Beoordeling van het verzet

Vooraf

3.1.

Belanghebbende betoogt dat hij met zijn brief van 9 september 2015 geen hoger beroep heeft willen instellen, maar een aanvraag in de zin van artikel 4:6 van de Awb heeft gedaan. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende van mening is dat de Rechtbank in haar uitspraak van 28 juli 2015 de aanslag onvoldoende heeft verminderd. Het middel om daartegen op te komen is het instellen van hoger beroep. Het Hof is dan ook van oordeel dat sprake is van hoger beroep tegen de uitspraak van de Rechtbank van 28 juli 2015. Bij dit oordeel neemt het Hof in aanmerking dat belanghebbende het door het Hof geheven griffierecht heeft betaald en zich tegen de betaling daarvan niet verzet, hij nadere stukken in de procedure heeft ingediend en hij zich in verzet op het standpunt stelt dat hij tijdig hoger beroep heeft ingesteld.

Ontvankelijkheid hoger beroep

3.2.

De termijn voor het indienen van een hogerberoepschrift bedraagt ingevolge artikel 6:24 in samenhang met artikel 6:7 van de Awb zes weken. De hogerberoepstermijn eindigde in dit geval derhalve op 8 september 2015. Ingevolge artikel 6:24 in samenhang met artikel 6:9 van de Awb is een hogerberoepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een hogerberoepschrift eveneens tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn van zes weken ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van die termijn is ontvangen.

3.3.

Belanghebbende heeft in zijn verzetschrift aangevoerd dat niet de brief van 9 september 2015, maar de brief van 29 juli 2015 (zie 2.10) als hogerberoepschrift had moeten worden aangemerkt en had moeten worden doorgezonden naar het Hof. Het Hof volgt belanghebbende daarin niet. In bedoelde brief van 29 juli 2015 verwijst belanghebbende naar de uitspraak van de Rechtbank van 28 juli 2015 en verzoekt hij de Inspecteur om een nieuwe beschikking te nemen, hetgeen de Inspecteur met de beschikking van 25 augustus 2015 heeft gedaan. Uit deze brief volgt niet dat belanghebbende het niet eens is met de uitspraak van de Rechtbank en met deze brief heeft bedoeld hoger beroep in te stellen.

3.4.

Uit de brief van 9 september 2015 (zie 2.12 – de brief draagt abusievelijk als dagtekening 9 september 2012 – volgt dat belanghebbende van mening is dat de beschikking van 25 augustus 2015 niet juist is. Het Hof is van oordeel dat deze brief aangemerkt dient te worden als hogerberoepschrift (zie 3.1). De Inspecteur heeft deze brief derhalve terecht doorgestuurd naar het Hof.

3.5.

Belanghebbende stelt dat hij de brief van 9 september 2015 (hierna: de brief) eerder heeft opgesteld en verzonden dan 9 september 2015 en dat hij aldus tijdig hoger beroep heeft ingesteld. De Inspecteur heeft hier tegen in gebracht, dat belanghebbende de brief op 9 september 2015 heeft afgegeven bij de balie van het belastingkantoor te Amersfoort. De Inspecteur wijst ter onderbouwing van zijn stelling op het volgende. Belanghebbende heeft een kopie van de brief met een ingebrekestelling naar de Inspecteur gezonden. Op deze kopie is één stempel zichtbaar met de volgende tekst: ‘Belastingdienst Utrecht-Gooi, Kantoor Amersfoort, datum van binnenkomst 09 sep. 2015’. Hieruit leidt de Inspecteur af, dat belanghebbende de brief bij de balie van het belastingkantoor te Amersfoort heeft afgegeven, waarbij hij om een kopie van de brief met datumstempel heeft gevraagd. De Inspecteur heeft een kopie van dezelfde brief overgelegd die, behalve voornoemde stempel, ook een stempel bevat met de volgende tekst: ‘B/CFD RPK Utrecht, Kantoor/team BSN-Volgnr., 09.sep 2015, 000113’, alsmede twee codes die kennelijk zijn bedoeld om post te registreren. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende – op wie te dezen de bewijslast rust – tegenover de gemotiveerde weerspreking door de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de brief voor de dagtekening ervan is ingediend. De enkele stelling van belanghebbende is hiervoor onvoldoende.

3.6.

Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat de hogerberoepstermijn is overschreden. Op grond van artikel 6:24 in samenhang met artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na de termijn ingediend hogerberoepschrift de niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. De door belanghebbende aangedragen omstandigheden, die kort gezegd erop neer komen dat sprake was van miscommunicatie tussen hem, de Inspecteur en de Rechtbank waardoor de hogerberoepstermijn is overschreden, vormen – wat daar ook van zij – naar ’s Hofs oordeel onvoldoende grond om te oordelen dat belanghebbende niet in verzuim is geweest. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is derhalve geen sprake. Hetgeen belanghebbende nog heeft aangevoerd in zijn brief van 19 augustus 2016 brengt het Hof niet tot een ander oordeel.

Slotsom

Het verzet is ongegrond.

4 Proceskosten

5 Beslissing