Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10-04-2018, ECLI:NL:GHARL:2018:3234, 17/00787

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10-04-2018, ECLI:NL:GHARL:2018:3234, 17/00787

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10 april 2018
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2018:3234
Zaaknummer
17/00787

Inhoudsindicatie

IB/PVV. Verwijzingsprocedure HR 14 juli 2017, nr. 16/03578, ECLI:NL:HR:2017:1326. Toewijzing heffingsrecht Meer dan 183 dagen in Nederland verbleven? Bewijs. Integrale proceskostenvergoeding?

Uitspraak

locatie Arnhem

nummer 17/00787

uitspraakdatum: 10 april 2018

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Buitenland Heerlen (hierna: de Inspecteur)

en het incidentele hoger beroep van

[X] te [Z] (België) (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 12 februari 2015, nummer AWB 13/6228, ECLI:NL:RBZWB:2015:711, in het geding tussen belanghebbende en de Inspecteur

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2009 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 175.000. Bij beschikking is heffingsrente berekend.

1.2.

De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de bezwaren gegrond verklaard, de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 109.163 en de heffingsrente dienovereenkomstig verminderd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de uitspraken van de Inspecteur, de aanslag en de beschikking heffingsrente vernietigd. Voorts heeft de Rechtbank de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten ten bedrage van € 1.460,50 en gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het griffierecht van € 44 vergoedt.

1.4.

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd (Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 31 mei 2016, nr. 15/00490, ECLI:NL:GHSHE:2016:2191).

1.6.

De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch beroep in cassatie ingesteld. Belanghebbende heeft incidenteel beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij arrest van 14 juli 2017, nr. 16/03578, ECLI:NL:HR:2017:1326) (hierna: het verwijzingsarrest) het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën en het incidenteel beroep in cassatie van belanghebbende gegrond verklaard, de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch vernietigd en het geding verwezen naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van het verwijzingsarrest.

1.7.

Het Hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld een schriftelijke conclusie na verwijzing in te dienen. Zowel de Inspecteur als belanghebbende hebben daarvan gebruik gemaakt en een conclusie na verwijzing ingediend.

1.8.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2018 te Arnhem. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende woont in België. Op zijn woonadres is ook de naar Belgisch recht opgerichte [A] BVBA (hierna: [A] ) gevestigd, waarvan belanghebbende bestuurder en enig aandeelhouder is. [A] is actief in bouwkundig projectmanagement. Zij heeft in 2009 op 181 dagen in Nederland werkzaamheden verricht ten behoeve van haar Nederlandse opdrachtgever [B] B.V. te [C] (hierna: [B] ). De werkzaamheden zijn feitelijk uitgevoerd door belanghebbende die daarvoor op de werkdagen heen en weer reisde vanuit zijn woonplaats in België naar [C] .

2.2.

[A] heeft volgens het contract met [B] met deze opdracht een bruto omzet gerealiseerd van € 1.215 per dag. Belanghebbende heeft van [A] in het jaar 2009 een salaris ontvangen van € 57.600.

2.3.

In januari 2011 is belanghebbende uitgenodigd tot het doen van aangifte inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen voor het jaar 2009. Op 30 maart 2011 is belanghebbendes aangifte door de Inspecteur ontvangen. Het aangegeven belastbare inkomen bedroeg nihil.

2.4.

Bij brief van 21 november 2011 heeft de Inspecteur aan de toenmalige adviseur van belanghebbende vragen gesteld over de aangifte en verzocht om nadere informatie. Aangezien een reactie van de zijde van belanghebbende uitbleef, heeft de Inspecteur de toenmalige adviseur van belanghebbende bij brief van 7 juni 2012 geïnformeerd over zijn voornemen om af te wijken van de ingediende aangifte. In laatstgenoemde brief heeft de Inspecteur onder meer geschreven:

“Omdat een antwoord op mijn brief uitblijft (…) ben ik genoodzaakt een aanslag 2009 op te leggen naar een geschat bedrag.

Belanghebbende heeft aangegeven dat hij in het kalenderjaar 2009 181 dagen in Nederland gewerkt heeft en uit de gefactureerde bedragen maak ik op dat per dag € 1.215 in rekening is gebracht. Van dit bedrag merk ik 80% aan als de arbeidsbeloning voor de verrichte prestaties.

Ik heb het belastbaar inkomen 2009 vastgesteld op afgerond € 175.000.”

2.5.

Met dagtekening 5 september 2012 is de aanslag overeenkomstig de aankondiging opgelegd met toepassing van artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de fictiefloonregeling), naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 175.000. Bij beschikking is heffingsrente berekend.

2.6.

Bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 10 oktober 2013 is de aanslag verminderd naar een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 109.163 en is de bijbehorende beschikking heffingsrente dienovereenkomstig verminderd. De volgende berekening ligt hieraan ten grondslag:

Gegenereerde omzet met 225 dagen werk

€ 296.880

Af: bedrijfskosten exclusief loon

€ 81.482

€ 215.398

Afroommethode: * 63%

€ 135.700

Maal de dagenbreuk van 181/225

€ 109.163

2.7.

De Inspecteur heeft omstreeks 24 maart 2016 de onderhavige aanslag ambtshalve verminderd – in verband met een met belanghebbende gemaakte afspraak over de hoogte van een eventueel in aanmerking te nemen belastbaar loon – tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 57.761 en de bijbehorende beschikking heffingsrente dienovereenkomstig verminderd.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de bevoegdheid om belasting te heffen, al dan niet met toepassing van de fictiefloonregeling, over het salaris dat belanghebbende heeft genoten in verband met de in Nederland verrichte werkzaamheden, toekomt aan Nederland op grond van het bepaalde in artikel 15, paragraaf 2, van het Belastingverdrag Nederland – België (hierna: het Verdrag). Na verwijzing is met betrekking tot het principale hoger beroep uitsluitend nog in geschil of belanghebbende op meer dan 183 dagen in Nederland heeft verbleven. In incidenteel hoger beroep is na verwijzing nog in geschil of belanghebbende recht heeft op een integrale vergoeding van de kosten van de bezwaarfase.

3.2.

De Inspecteur beantwoordt de eerste vraag bevestigend en de tweede vraag ontkennend. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, behoudens voor zover deze betrekking heeft op de proceskosten en het griffierecht, tot vernietiging van de uitspraken van de Inspecteur en tot handhaving van de aanslag en bijbehorende beschikking heffingsrente, zoals door de Inspecteur vastgesteld na ambtshalve vermindering, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 57.761.

3.3.

Belanghebbende is de tegenovergestelde opvatting toegedaan. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor wat betreft de beslissing over de vergoeding van proceskosten van de bezwaarfase, en tot vergoeding van de integrale proceskosten van de bezwaarfase.

4 Beoordeling van het geschil

5 Proceskosten

6 Beslissing