Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21-03-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:2454, 22/00571 en 22/00572

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21-03-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:2454, 22/00571 en 22/00572

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21 maart 2023
Datum publicatie
31 maart 2023
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2023:2454
Zaaknummer
22/00571 en 22/00572
Relevante informatie
Art. 8:88 Awb, Art. 8:119 lid 1 Awb

Inhoudsindicatie

Herzieningsverzoek. Geen novum. Toewijzing op grond van overeenkomstige toepassing herzieningsregeling.

Uitspraak

locatie Arnhem

nummers BK-ARN 22/00571 en 22/00572

uitspraakdatum: 21 maart 2023

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het verzoek van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

om herziening als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van de uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer van dit Hof van 27 augustus 2019, zaaknummers 18/00299 en 18/00300, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Eindhoven (hierna: de Inspecteur) en

de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid) (hierna: de Staat).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2007 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.394 en een premie-inkomen van € 14.771. Tevens is € 172 heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2009 een aanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.912 en een premie-inkomen van € 12.172. Tevens is € 47 heffingsrente in rekening gebracht.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze aanslagen en beschikkingen vruchteloos bezwaar en beroep ingesteld. Tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 8 maart 2018, nummers LEE 13/1378 en 13/1379, ECLI:NL:RBNNE:2018:787 (hierna: de uitspraak van 8 maart 2018), heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft bij uitspraak van 27 augustus 2019, nummers 18/00299 en 18/00300, ECLI:NL:GHARL:2019:6893 (hierna: de uitspraak van 27 augustus 2019) de uitspraak van 8 maart 2018 bevestigd en aan belanghebbende een vergoeding voor geleden immateriële schade, proceskosten en griffierecht toegekend. Belanghebbende heeft hiertegen beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij arrest van 10 juli 2020, nummer 19/04565, ECLI:NL:HR:2020:1237 (hierna: het arrest van 10 juli 2020), het beroep in cassatie ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft het Hof verzocht om herziening van de uitspraak van 27 augustus 2019.

1.5.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2023. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. M.J. van Dam, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de Inspecteur, bijgestaan door [naam2] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is geboren in 1976, heeft de Nederlandse nationaliteit en woonde in de jaren 2007 en 2009 in Nederland.

2.2.

Belanghebbende was in die jaren in dienstbetrekking bij [naam3] S.A.R.L. (hierna: [naam3] ) te Luxemburg en verrichtte zijn werkzaamheden voor [naam3] aan boord van binnenvaartschepen. In 2007 was dat motortankschip (hierna: mts) [naam4] , welk schip toen eigendom was van [naam5] V.O.F. (hierna: [naam5] Vof), gevestigd in Nederland. In 2009 was dat mts [naam6] , welk schip toen eigendom was van [naam7] B.V., een 100% dochtervennootschap van [naam8] B.V. De eigenaar van mts [naam6] was destijds eveneens gevestigd in Nederland.

2.3.

Voor mts [naam4] is op 1 september 1999 aan [naam5] Vof als eigenaar een verklaring afgegeven als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet vervoer binnenvaart, dat het schip behoort tot de Rijnvaart in de zin van artikel 2, derde lid, van de Herziene Rijnvaartakte (hierna: Rijnvaartverklaring). Op deze verklaring is geen exploitant vermeld.

2.4.

Op 25 augustus 2006 is door de Luxemburgse autoriteiten voor mts [naam4] een "Certificat d'exploitant" afgegeven, waarop [naam3] als exploitant is vermeld.

2.5.

Voor mts [naam4] is op 10 augustus 2007 aan [naam5] Vof als eigenaar van dit schip een Rijnvaartverklaring afgegeven. Op deze verklaring is [naam3] als exploitant vermeld.

2.6.

Voor mts [naam6] is op 29 oktober 2007 een Rijnvaartverklaring afgegeven aan [naam7] B.V. als eigenaar van dit schip, met [naam3] als exploitant. Op 24 juli 2009 is deze Rijnvaartverklaring door de Inspectie van Verkeer en Waterstaat ongeldig verklaard en ingetrokken. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bij uitspraak van 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1186, het hoger beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard, zodat de intrekking in rechte onaantastbaar is geworden.

2.7.

Bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2007 heeft de Inspecteur rekening gehouden met een vrijstelling voor de heffing van PVV voor de periode 10 augustus 2007 tot en met 31 december 2007. In de periode daarvoor is belanghebbende als premieplichtig voor de volksverzekeringen in de heffing van PVV betrokken.

2.8.

Bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2009 heeft de Inspecteur rekening gehouden met een vrijstelling voor de PVV voor de periode 1 januari 2009 tot en met 23 juli 2009. In de periode daarna is belanghebbende als premieplichtig voor de volksverzekeringen in de heffing van PVV betrokken.

2.9.

De tegen die aanslagen gemaakte bezwaren zijn ongegrond verklaard.

2.10.

De Rechtbank heeft het hiertegen ingestelde beroep bij uitspraak van 8 maart 2018 ongegrond verklaard. Volgens de Rechtbank is de Inspecteur terecht uitgegaan van een premieplicht voor de volksverzekeringen voor de perioden 1 januari 2007 tot en met 9 augustus 2007 en 24 juli 2009 tot en met 31 december 2009, zodat van belanghebbende over die perioden terecht en tot juiste bedragen PVV is geheven.

2.11.

Bij de uitspraak van 27 augustus 2019 heeft dit Hof de uitspraak van de Rechtbank bevestigd, met veroordeling van de Staat tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (€ 1.500), proceskosten (€ 1.024) en griffierecht (€ 126).

2.12.

De Hoge Raad heeft bij arrest van 10 juli 2020 het hiertegen ingestelde cassatieberoep ongegrond verklaard, waarmee de uitspraak van 27 augustus 2019 onherroepelijk is geworden.

2.13.

Bij besluit van 13 september 2021 heeft de Sociale Verzekeringsbank (SVB) instemmend beslist op het verzoek van belanghebbende om met de bevoegde autoriteit van Luxemburg een regularisatieovereenkomst te sluiten als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden (herzien) (hierna: het SVB-Besluit). Het SVB-Besluit luidt, voor zover van belang, als volgt:

“De SVB stemt in met uw verzoek omdat u redelijkerwijs niet eerder dan 7 juni 2010 op de hoogte was dat u in Nederland verzekerd bent. De SVB sluit voor deze datum aan bij de brief van de Belastingdienst van 7 juni 2010 waarin u is meegedeeld dat u verzekerd bent in Nederland.

Inmiddels hebben wij de reactie uit het buitenland ontvangen dat ook het buitenlandse orgaan

toestemming geeft voor regularisatie.

Dit betekent dat over de periode van 1 januari 2007 tot en met 9 augustus 2007 en 24 juli 2009 tot en met 31 december 2009 op u de sociale verzekeringswetgeving van Luxemburg van toepassing is verklaard. Dit betekent onder meer dat u over deze periode geen socialeverzekeringspremies in Nederland verschuldigd bent. Maar dit betekent ook dat u over deze periode niet verzekerd bent voor de Anw en AKW en over deze periode geen AOW-rechten heeft opgebouwd.

(…)

Wij hebben de Belastingdienst hiervan op de hoogte gebracht.”

2.14.

Op 15 september 2021 heeft belanghebbende de Inspecteur verzocht de aanslagen IB/PVV 2007 en 2009 dienovereenkomstig ambtshalve te verminderen. Op 2 juni 2022 heeft de Inspecteur die verzoeken op de voet van artikel 65 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) afgewezen, omdat zij buiten de vijfjaarstermijn als bedoeld in paragraaf 23, negende lid, aanhef en letter a, van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht zijn gedaan.

2.15.

Bij brief van 30 maart 2022, door het Hof ontvangen op 31 maart 2022, heeft belanghebbende, gezien het SVB-besluit en onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1725 (hierna: het arrest van 5 oktober 2018), verzocht om herziening van de uitspraak van 27 augustus 2019.

3 Beoordeling van het verzoek

Herzieningsregeling

3.1.

Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die i) hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, ii) bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn en iii) waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden (hierna: de herzieningsregeling).

3.2.

De herzieningsregeling en het bijzondere karakter van het rechtsmiddel herziening brengen met zich, dat bij de beslissing op een verzoek om herziening slechts rekening wordt gehouden met nader gebleken feiten en omstandigheden die hebben plaatsgevonden voor de uitspraak en die de verzoeker in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd, redelijkerwijs niet naar voren heeft kunnen brengen (ABRvS 14 maart 2012, AB 2013/25; Hof Arnhem-Leeuwarden 16 juli 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:5829). Er moet met andere woorden sprake zijn van een zogenoemd novum.

3.3.

Het bijzondere rechtsmiddel van herziening kan alleen worden toegepast indien aangelegenheden van feitelijke aard naar voren zijn gekomen. Het dient er niet toe een hernieuwde discussie te voeren, noch om een discussie over de betreffende uitspraak te openen, maar om een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt te redresseren. Slechts aangelegenheden van feitelijke aard kunnen tot herziening leiden (CRvB 1 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2210).

Gestelde novum

3.4.

Belanghebbende heeft als novum naar voren gebracht dat uit het SVB-besluit volgt dat over de onderhavige perioden (alsnog) de Luxemburgse socialezekerheidswetgeving op hem van toepassing is verklaard, zodat hij - anders dan door het Hof is geoordeeld in de uitspraak van 27 augustus 2019 - over die perioden geen PVV is verschuldigd. In dit kader heeft belanghebbende verwezen naar het arrest van 5 oktober 2018.

Beoordeling verzoek

3.5.

Voor zover een rechtstreeks beroep wordt gedaan op de herzieningsregeling, moet het worden afgewezen. Het als novum naar voren gebrachte SVB-besluit dateert immers van na de uitspraak van 27 augustus 2019. Het regularisatieverzoek is ook pas na die datum gedaan.

3.6.

Naar aanleiding van de verwijzing naar het arrest van 5 oktober 2018 ziet het Hof in het onderhavige geval evenwel aanleiding voor overeenkomstige toepassing van artikel 8:119 van de Awb en overweegt daartoe als volgt. In dat arrest ging het om een rijnvarende met een Cypriotische werkgever aan wie de SVB onder de werking van Verordening (EG) 883/2004 (hierna: Vo 883/2004) zogenoemde A1-verklaringen als bedoeld in artikel 19 van Verordening (EG) 987/2009 had afgegeven, waarin de Nederlandse socialezekerheidswetgeving op hem van toepassing was verklaard. Het ging in de kern om de vraag welke betekenis die A1-verklaringen hebben voor de heffing van premie voor de Nederlandse sociale verzekeringen. De Hoge Raad overwoog:

“5.4. In artikel 1, aanhef en letter a, van het Besluit internationale taken Sociale Verzekeringsbank (Stcrt. 1995, 197) is bepaald dat de SVB onder meer tot taak heeft het verstrekken van verklaringen inzake de toepasselijke wetgeving op grond van de Verordeningen inzake sociale zekerheid van de Europese Gemeenschap. De inspecteur dient zich te richten naar de verklaring van de SVB dat de Nederlandse wetgeving van toepassing is, zolang die verklaring niet is ingetrokken of ongeldig verklaard (vgl. HR 9 oktober 2009, nr. 08/02433, ECLI:NL:HR:2009:BH0546, r.o. 3.4.5, hierna: het arrest van 9 oktober 2009).

(…)

5.5.5.

Indien de belastingrechter de (verdere) behandeling niet aanhoudt en uitspraak doet in overeenstemming met de A1-verklaring, en nadien zou komen vast te staan dat de verklaring en daarmee ook die uitspraak onjuist waren, brengt de strekking van artikel 19 van Verordening 987/2009 mee dat de belastingrechter zijn uitspraak op verzoek van een partij met overeenkomstige toepassing van artikel 8:119 Awb kan herzien (vgl. het arrest van 9 oktober 2009, r.o. 3.4.5).”

3.7.

In het arrest van 9 oktober 2009, waarnaar de Hoge Raad in het arrest van 5 oktober 2018 verwijst, ging het om de vaststelling van de toepasselijke socialezekerheidswetgeving onder Vordering (EEG) 1408/71 (hierna: Vo. 1408/71). In dat geval had de SVB geen verklaring omtrent de toepasselijke socialeverzekeringswetgeving afgegeven. De Hoge Raad overwoog met betrekking tot de gebondenheid van de Inspecteur aan dergelijke verklaringen van de SVB en de mogelijkheid van herziening:

“3.4.5. Hieraan kan niet afdoen dat het daartoe bevoegde Nederlandse orgaan, de Sociale Verzekeringsbank (hierna: de SVB), ten tijde van de uitspraak van het Hof nog geen verklaring als bedoeld in artikel 12bis van de Verordening (EEG) nr. 574/72 van 21 maart 1972 had afgegeven over de toepasselijkheid van de Nederlandse wetgeving op basis van artikel 14quater van de Verordening. Een dergelijke verklaring is geen constitutief vereiste. Indien een zodanige verklaring wel wordt afgegeven, en onherroepelijk komt vast te staan, is de Belastingdienst daaraan in het kader van de premieheffing in beginsel gebonden. Indien de SVB in het onderhavige geval alsnog bij onherroepelijke beslissing beslist dat de Nederlandse wetgeving niet van toepassing is, brengt de strekking van het genoemde artikel 12bis mee dat belanghebbende het Hof met overeenkomstige toepassing van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht kan verzoeken zijn uitspraak te herzien.”

3.8.

In het onderhavige geval gaat het niet gaat om de betekenis van een door de SVB afgegeven verklaring omtrent de toepasselijke socialezekerheidswetgeving ingevolge Vo. 883/2004 (zoals in het arrest van 5 oktober 2018) of Vo. 1408/71 (zoals in het arrest 9 oktober 2009), maar om een beslissing van de SVB naar aanleiding van een regularisatieverzoek als bedoeld in artikel 13, tweede lid, van het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden (herzien).

3.9.

Ingevolge artikel 1, aanhef en letter b, van het Besluit internationale taken Sociale Verzekeringsbank (Stcrt. 1995, 197) behoort het in overleg met de bevoegde buitenlandse instanties afsluiten van overeenkomsten als de onderhavige regularisatieovereenkomst tot de taken van de SVB. In het (onherroepelijke) SVB-besluit worden de rechtsgevolgen van die overeenkomst voor belanghebbende vastgesteld, namelijk dat over de onderhavige perioden niet langer de Nederlandse maar de Luxemburgse socialezekerheidswetgeving op hem van toepassing is.

3.10.

Naar het oordeel van het Hof is het SVB-besluit op één lijn te stellen met een verklaring als aan de orde in de arresten van 5 oktober 2018 en 9 oktober 2009, waarnaar de Inspecteur en de belastingrechter zich dienen te richten. In lijn met die arresten brengt de strekking van artikel 13 van het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden (herzien) mee dat belanghebbende met overeenkomstige toepassing van artikel 8:119 van de Awb kan verzoeken zijn uitspraak te herzien, ook wanneer - zoals in dit geval - het SVB-besluit dateert van na de uitspraak van 27 augustus 2019 waarvan herziening wordt verzocht.

3.11.

Het voorgaande betekent dat belanghebbende ook over de perioden 1 januari 2007 tot en met 9 augustus 2007 en 24 juli 2009 tot en met 31 december 2009 niet premieplichtig is voor de volksverzekeringen, zodat bij de bestreden aanslagen over die perioden ten onrechte PVV is geheven. De aanslagen IB/PVV 2007 en 2009 moeten alsnog worden verminderd.

3.12.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel behoeft gelet op het voorgaande geen behandeling.

Slotsom Op grond van het vorenstaande moet het verzoek om herziening worden toegewezen en dient de uitspraak van 27 augustus 2019 te worden herzien op de wijze als hierna in onderdeel 5 vermeld.

4 Griffierecht en proceskosten