Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 24-01-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:669, 21/00837 t/m 21/00842

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 24-01-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:669, 21/00837 t/m 21/00842

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24 januari 2023
Datum publicatie
3 februari 2023
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2023:669
Formele relaties
Zaaknummer
21/00837 t/m 21/00842
Relevante informatie
Art. 17 lid 2 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ, Art. 117 lid 1 Wschw, Art. 122d lid 1 Wschw, Art. 131 Wschw, Art. 8:78 Awb

Inhoudsindicatie

Wet Woz. Waardevaststelling woning. Zuiveringsheffing en watersysteemheffing. Opbrengstlimiet.

Uitspraak

locatie Leeuwarden

nummers BK-ARN 21/00837, 21/00838, 21/00839, 21/00840, 21/00841 en 21/00842

uitspraakdatum: 24 januari 2023

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 27 mei 2021, nummers 19/462, 21/972, 21/973, 21/1270, 21/1271 en 21/1272, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van het Noordelijk Belastingkantoor (hierna: de heffingsambtenaar)

alsmede de Minister van Justitie en Veiligheid.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 28 februari 2018 op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres1] 45 te [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak), voor het kalenderjaar 2018 vastgesteld op € 237.000. Tegelijk met deze beschikking zijn de aanslagen afvalstoffenheffing, rioolheffing, zuiveringsheffing, watersysteemheffing gebouwd en watersysteemheffing ingezetenen voor het jaar 2018 opgelegd.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de opgelegde aanslagen en WOZ-beschikking gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 27 mei 2021 ongegrond verklaard, de heffingsambtenaar veroordeeld tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan belanghebbende tot een bedrag van € 214, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf vier weken na de datum waarop de uitspraak is gedaan tot aan de dag van voldoening, de Minister van Justitie en Veiligheid veroordeeld tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.286, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf vier weken na de datum waarop de uitspraak is gedaan tot aan de dag van voldoening, de heffingsambtenaar en de Minister van Justitie en Veiligheid opgedragen ieder voor de helft het betaalde griffierecht aan belanghebbende te vergoeden en de heffingsambtenaar en de Minister van Justitie en Veiligheid ieder voor de helft veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2022 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord [naam1] , als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam2] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door [naam3] . Ter zitting zijn de beroepen gelijktijdig en gezamenlijk behandeld met de beroepen van [naam4] met zaaknummers BK-ARN 21/00835 en 21/00836.

1.6

De heffingsambtenaar heeft een pleitnota voorgedragen en overgelegd.

1.7

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

De onroerende zaak is een vrijstaand woonhuis met een inpandige garage, een berging en een woonoppervlakte van 158 m2. De onroerende zaak heeft een kaveloppervlakte van 622 m2.

2.2

De hiervoor – onder 1.1 – bedoelde aanslag zuiveringsheffing is gebaseerd op de Verordening zuiveringsheffing Noorderzijlvest 2018, gepubliceerd in het Waterschapsblad van 13 november 2017, nr. 10424 (hierna: Verordening zuiveringsheffing).

2.3

De hiervoor – onder 1.1 – bedoelde aanslagen watersysteemheffing gebouwd en watersysteemheffing ingezetenen zijn gebaseerd op de Verordening op de watersysteemheffing waterschap Noorderzijlvest 2018, gepubliceerd in het Waterschapsblad van 13 november 2017, nr. 10414 (hierna: Verordening watersysteemheffing).

2.4

Het jaarplan 2018 van het waterschap Noorderzijlvest (hierna: het jaarplan), met daarin de begroting van het waterschap, is op 29 november 2017 door de vergadering van het algemeen bestuur van het waterschap Noorderzijlvest vastgesteld.

2.5

Over de geraamde opbrengsten van de watersysteemheffing en de zuiveringsheffing is in het jaarplan onder meer het volgende opgenomen (pagina 41 van het jaarplan):

“Tabel: Dekkingsoverzicht

Taak

Belasting

heffing

Kwijtschelding +oninbaar

Onttrekking

Reserve

Totaal

dekking

Te dekken

saldolasten

Dekkings-verschil

Watersysteem

Heffing/Categorie

Verontreinigingsheffing

324.896

324.896

Ingezetenen

9.880.866

-856.500

9.024.366

Gebouwd

20.572.592

0

20.572.592

Ongebouwd

6.760.862

0

6.760.862

Natuur

71.450

71.450

Totaal watersysteem

37.610.666

-856.500

0

36.754.166

36.763.891

-9.7321

Zuiveren

26.091.648

-1.593.500

624.000

25.122.148

25.120.621

1.527

Totaal NZV

63.702.314

624.000

61.876.314

61.884.518

-8.204

De saldokosten van de taak watersysteem stijgen in 2018 met 7,4% ten opzichte van 2017 en de bruto belastingopbrengst met 7,0%, dus 0,4% minder. Dit komt door de lagere toerekening van kwijtschelding en oninbaarheid. Voor deze taak wordt in 2018 niets onttrokken uit de reserves.”

2.6

De te dekken lasten voor de zuiveringsheffing en watersysteemheffing zijn nader gespecificeerd in de bijlagen bij het jaarplan. In deze bijlagen staan het jaarplan naar kosten- en opbrengstensoorten (bijlage A), de kostenverdeelstaat (bijlage B), de verdeling saldokosten per programma (bijlage C), de gecomprimeerde staat van financiële vaste activa (bijlage D), de vaste schulden (bijlage E), het overzicht investeringen per programma (bijlage F1), het overzicht voorgenomen investeringen jaarplan 2018 (bijlage F2), het overzicht lopende kredieten jaarplan 2018 (bijlage F3) en het overzicht kerngetallen jaarplan 2018 (bijlage G). Daarnaast staat er in de bijlagen een toelichting op de investeringen 2018.

2.7

De wijze van toerekening van kosten aan de zuiveringsheffing of de watersysteemheffing is vastgelegd in het Besluit interne kostentoerekening van het waterschap Noorderzijlvest van 7 mei 2014. In de bijlage bij dit besluit zijn de toerekeningspercentages opgenomen op basis waarvan de diverse kosten aan beide heffingen worden toegerekend.

2.8

In de Tarievennota 2018 van het waterschap Noorderzijlvest (hierna: de Tarievennota) is opgenomen op welke wijze het waterschap Noorderzijlvest de tarieven voor de watersysteemheffing en zuiveringsheffing heeft vastgesteld. De Tarievennota is op 29 november 2017 door de vergadering van het algemeen bestuur van het waterschap Noorderzijlvest vastgesteld.

2.9

Op pagina 3 van de Tarievennota is als volgt gespecificeerd hoe het tarief van de zuiveringsheffing is vastgesteld:

“Tarief Zuiveren

Op basis van het voorgaande, bedragen die door de tarieven opgebracht dienen te worden: Aandeel in het Jaarplan 2018 op basis van de programma’s

25.120.600

Af: bijdrage vanuit de reserve

624.000

24.496.600

Bij: kwijtschelding/oninbaar

1.593.500

Te dekken door omslagen

26.090.100

Op basis van het aantal vervuilingseenheden van 417.600, bedraagt het tarief 2018 voor zuiveren: Het tarief per V.E. bedraagt in 2018 € 62,48

2.10

Op pagina 39 van het jaarplan staat op welke wijze de kostentoedeling van het waterschap heeft plaatsgevonden, te weten 25% aan de ingezetenen, 18,9% aan de zakelijke gerechtigden van ongebouwde roerende zaken niet zijnde natuurterreinen, 0,2% aan de zakelijke gerechtigden van natuurterreinen en 55,9% aan de zakelijke gerechtigden van gebouwde roerende zaken. Deze kostentoedeling is in de vergadering van het algemeen bestuur van het waterschap van 16 oktober 2013 vastgesteld.

2.11

Op pagina 2 en 3 van de Tarievennota is als volgt gespecificeerd hoe de tarieven van de watersysteemheffing volgens de kostentoedeling (zie 2.10) zijn vastgesteld:

“Tarief Watersysteem

Op basis van het voorgaande hieronder de bedragen die door de tarieven opgebracht dienen te worden. De specifieke kosten worden rechtstreeks aan de betrokken categorieën toegerekend en zijn niet in de kostentoedeling opgenomen. Daarom worden ze in onderstaande tabel apart gepresenteerd.

Aandeel in het Jaarplan 2018 op basis van de programma’s

36.763.900

Af: bijdrage vanuit de bestemmingsreserve

-

dekking door verontreinigingsheffing*

324.900

36.439.00

Bij: kwijtschelding/oninbaar

856.500

Te dekken door omslagen

37.295.500

*tarief is gelijk aan tarief zuiveren (5.200 eenheden)

Waarvan specifieke kosten voor:

Ingezetenen (verkiezingen + kwijtschelding/oninbaar)

937.800

Zakelijk gerechtigden gebouwd (perceptiekosten WOZ)

584.100

1.521.900

In artikel 2 van de Kostentoedelingsverordening is

opgenomen dat de resterende kosten als volgt worden

verdeeld over de vier categorieën belastingplichtigen:

Ingezetenen (25%)

8.943.000

Zakelijk gerechtigden gebouwd (55,9%)

19.998.200

Zakelijk gerechtigden ongebouwd (18,9%)

6.760.900

Natuur (0,2%)

71.500

35.773.600

37.295.500

De tarieven 2018 voor watersysteem zijn als volgt:

Ingezetenen

65,61

per woonruimte

Zakelijk gerechtigden gebouwd

Binnendijks

0,0608%

van WOZ waarde

Buitendijks

0,0152%

van WOZ waarde

Zakelijk gerechtigden ongebouwd

Binnendijks

62,62

per ha.

Buitendijks

15,65

per ha.

Wegen binnendijks

152,22

per ha.

Natuur

3,36

per ha.

Verontreinigingsheffing

62,48

per VE”

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of de waarde van de onroerende zaak per 1 januari 2017 te hoog is vastgesteld. Daarnaast is in geschil of de opbrengstlimieten die zijn opgenomen in artikel 117, eerste lid, en artikel 122d, eerste lid, van de Waterschapswet zijn overschreden, of om die reden de Verordening watersysteemheffing en de Verordening zuiveringsheffing van waterschap Noorderzijlvest (gedeeltelijk) onverbindend dienen te worden verklaard en of de heffingsambtenaar heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 131 van de Waterschapswet. Voorts is in geschil of de Rechtbank de vergoeding wegens immateriële schade tot een te laag bedrag heeft vastgesteld, of de Rechtbank ten onrechte de heffingsambtenaar onderscheidenlijk de Minister van Justitie en Veiligheid niet heeft veroordeeld tot het vergoeden van de wettelijke rente over de vergoeding van het griffierecht in eerste aanleg en over de proceskosten van belanghebbende en of de Rechtbank in strijd met artikel 8:78 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) de bestreden uitspraak niet openbaar gemaakt heeft, althans dat de Rechtbank in strijd met artikel 8:78 van de Awb de bestreden uitspraak eerst openbaar gemaakt heeft nadat deze aan partijen was verzonden.

3.2

Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de bestreden waardebeschikking en vernietiging van de bestreden aanslagen met uitzondering van de aanslagen afvalstoffenheffing en rioolheffing.

3.3

De heffingsambtenaar beantwoordt de hiervoor – onder 3.1 – vermelde vragen ontkennend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.4

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

4 Beoordeling van het geschil

5 Proceskosten en griffierecht

6 Beslissing