Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 24-01-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:678, 21/00550 t/m 21/00554 en 22/00382 t/m 22/00386

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 24-01-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:678, 21/00550 t/m 21/00554 en 22/00382 t/m 22/00386

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24 januari 2023
Datum publicatie
3 februari 2023
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2023:678
Formele relaties
Zaaknummer
21/00550 t/m 21/00554 en 22/00382 t/m 22/00386
Relevante informatie
Art. 4:6 Awb, Art. 8:119 lid 1 Awb

Inhoudsindicatie

Herzieningsverzoek. IB/PVV. Afwijzing. Geen nova.

Uitspraak

locatie Leeuwarden

nummers BK-ARN 21/00550, 21/00551, 21/00552, 21/00553, 21/00554, 22/00382, 22/00383, 22/00384, 22/00385 en 22/00386

uitspraakdatum: 24 januari 2023

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het verzoek van

[belanghebbende] (hierna: belanghebbende)

om herziening als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van de uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer van dit Hof van 21 mei 2019, zaaknummers 17/00485, 17/00486, 17/00487, 17/00488, 17/00489, 17/00535, 17/00536, 17/00537, 17/00538 en 17/00539, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Leeuwarden (hierna: de Inspecteur).

1 Ontstaan en loop van het verzoek

1.1

De Inspecteur heeft over het jaar 2008 aan belanghebbende een navorderingsaanslag opgelegd in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 100.000, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 238.589 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 10.000. Tegelijk met dit besluit heeft de Inspecteur bij beschikking een bedrag van € 17.614 aan heffingsrente in rekening gebracht en een vergrijpboete opgelegd van € 29.824.

1.2

De Inspecteur heeft voor het jaar 2009 aan belanghebbende een navorderingsaanslag opgelegd in de IB/PVV berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 130.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 10.000. Tegelijk met dit besluit heeft de Inspecteur bij beschikking een bedrag van € 8.920 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.3

De Inspecteur heeft over het jaar 2010 aan belanghebbende een aanslag in de IB/PVV opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 325.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 13.000. Tegelijk met dit besluit heeft de Inspecteur bij beschikking een bedrag van € 12.894 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.4

De Inspecteur heeft voor het jaar 2010 aan belanghebbende tevens een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: ZVW) opgelegd berekend naar een bijdrage-inkomen van € 33.189. Tegelijk met dit besluit heeft de Inspecteur bij beschikking een bedrag van € 133 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.5

De Inspecteur heeft over het jaar 2011 aan belanghebbende een navorderingsaanslag in de IB/PVV opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 380.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 19.020. Tegelijk met dit besluit heeft de Inspecteur bij beschikking een bedrag van € 18.090 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.6

Belanghebbende heeft tegen onder meer deze belastingaanslagen en de beschikkingen bezwaar en beroep ingesteld. Tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 4 april 2017, nummers LEE 14/5520 tot en met 14/5522, 16/293 en 16/294 heeft zowel belanghebbende als de Inspecteur hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft op 21 mei 2019, nummers 17/00485, 17/00486, 17/00487, 17/00488, 17/00489, 17/00535, 17/00536, 17/00537, 17/00538 en 17/00539, ECLI:NL:GHARL:2019:4321, (hierna: de uitspraak van 21 mei 2019) uitspraak gedaan. Belanghebbende heeft hiertegen beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij arrest van 19 maart 2021, nummer 19/03168, ECLI:NL:HR:2021:411, het beroep in cassatie gegrond verklaard, de uitspraak van het Hof vernietigd, maar uitsluitend voor zover deze betreft de navorderingsaanslag over het jaar 2009 en de aanslag voor het jaar 2010 en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente, de navorderingsaanslag over het jaar 2009 verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.700 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.951, de bij die navorderingsaanslag gegeven beschikking inzake heffingsrente dienovereenkomstig verminderd, de aanslag voor het jaar 2010 verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 170.984 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.434, de bij die aanslag gegeven beschikking inzake heffingsrente dienovereenkomstig verminderd, en de Staatssecretaris van Financiën veroordeeld in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie.

1.7

Belanghebbende heeft het Hof verzocht om herziening van de uitspraak van 21 mei 2019.

1.8

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.9

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2022 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. F. Jagersma als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de Inspecteur, bijgestaan door [naam2] .

1.10

De gemachtigde van belanghebbende heeft een pleitnota voorgedragen en overgelegd met daarbij een cijfermatig overzicht. Het Hof heeft de pleitnota en de bijlage met instemming van de Inspecteur tot de stukken van het geding gerekend.

1.11

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende, geboren [in] 1944, heeft de Nederlandse nationaliteit.

2.2

Op basis van een onderzoek heeft de Inspecteur de hiervoor – onder 1.1 tot en met 1.5 – vermelde belastingaanslagen opgelegd. Nadat de Inspecteur uitspraak op bezwaar tegen die belastingaanslagen had gedaan, heeft belanghebbende daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft de beroepen bij uitspraak van 4 april 2017 gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de navorderingsaanslag in de IB/PVV over het jaar 2008 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 227.339 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.961, de bij de navorderingsaanslag in de IB/PVV over het jaar 2008 in rekening gebrachte heffingsrente dienovereenkomstig verminderd, de bij de navorderingsaanslag in de IB/PVV over het jaar 2008 opgelegde boetebeschikking vernietigd, de navorderingsaanslag in de IB/PVV over het jaar 2009 verminderd tot een aanslag berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.951, de bij de navorderingsaanslag in de IB/PVV over het jaar 2009 in rekening gebrachte heffingsrente dienovereenkomstig verminderd, de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2010 verminderd tot een aanslag berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.434, de bij de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2010 in rekening gebrachte heffingsrente dienovereenkomstig verminderd, de aanslag in de ZVW voor het jaar 2010 vernietigd, de bij de aanslag in de ZVW voor het jaar 2010 gegeven beschikking heffingsrente vernietigd, de navorderingsaanslag in de IB/PVV over het jaar 2011 vernietigd, de bij de navorderingsaanslag in de IB/PVV over het jaar 2011 gegeven beschikking heffingsrente vernietigd, het verzoek om immateriële schadevergoeding afgewezen, de Inspecteur opgedragen het betaalde griffierecht aan belanghebbende te vergoeden en de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende veroordeeld. Tegen de uitspraak van de Rechtbank hebben belanghebbende en de Inspecteur hoger beroep ingesteld. In de uitspraak van 21 mei 2019 heeft het Hof het hoger beroep van de Inspecteur gegrond en het hoger beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. Op het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep in cassatie heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie gegrond verklaard.

2.3

Belanghebbende heeft het Hof bij brief van 5 mei 2021, door het Hof ontvangen op 7 mei 2021, verzocht om herziening van de uitspraak van 21 mei 2019.

3 Beoordeling van het verzoek

3.1

Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

3.2

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van 21 mei 2019 cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij zijn hiervoor – onder 1.6 – vermelde arrest van 19 maart 2021, het beroep in cassatie gegrond verklaard en zaak zelf afgedaan. Het Hof stelt voorop dat de mogelijkheid van herziening niet zinvol is, indien daarvan slechts gebruik kan worden gemaakt voor de Hoge Raad, een rechterlijke instantie die geen volledige rechtsmacht heeft op het punt van de vaststelling van de voor de beslissing van belang zijnde feiten. Zou, indien beroep in cassatie is ingesteld, herziening slechts mogelijk zijn van de uitspraak in cassatie, dan zou, gezien het beperkte karakter van de aan de Hoge Raad opgedragen toetsing een herzieningsverzoek slechts zelden kunnen worden ingewilligd. Op zichzelf mogelijk gegronde herzieningsverzoeken zouden een verschillend lot kunnen treffen, al naar gelang in het verleden wel of niet beroep in cassatie is ingesteld. Dat resultaat is niet verenigbaar met de strekking van artikel 8:119 van de Awb. Aangezien de mogelijkheid van herziening is gegeven voor het - binnen de in artikel 8:119 van de Awb aangegeven grenzen - kunnen herstellen van beslissingen die berusten op een ondeugdelijke feitelijke grondslag, en wat betreft de vaststelling van de feiten de in cassatie ter beoordeling gestaan hebbende uitspraak, indien en voor zover deze in cassatie in stand is gebleven, voor de toepassing van artikel 8:119 van de Awb als onherroepelijk geworden uitspraak moet worden beschouwd, kan van laatstbedoelde uitspraak op de in de wet genoemde gronden herziening worden verzocht, onverminderd de (beperkte) mogelijkheid herziening te vragen van het in cassatie gewezen arrest. Aldus kan bij het Hof ook herziening worden gevraagd van een onherroepelijke uitspraak van het Hof, als en in zoverre het later in cassatie door de Hoge Raad in stand is gelaten is (vgl. HR 17 december 2004, nr. 40 607, ECLI:NL:HR:2004:AR7765).

3.3

Met het hiervoor – onder 1.6 – vermelde arrest van de Hoge Raad van 19 maart 2021, is de uitspraak van 21 mei 2019 voor zover zij in stand gelaten is, onherroepelijk geworden.

3.4

Van degene die om herziening verzoekt mag worden verlangd dat hij niet onredelijk lang wacht met de indiening van dat verzoek. Een onredelijk laat ingediend herzieningsverzoek dient niet-ontvankelijk te worden verklaard.

3.4

Een verzoek om herziening wordt als regel als onredelijk laat aangemerkt, indien het verzoek is ingediend meer dan een jaar nadat de indiener bekend is geworden met de daarin gestelde nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119 van de Awb dan wel, indien geen nova zijn gesteld, na de datum waarop de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht onherroepelijk is geworden.

3.5

Nu de uitspraak van 21 mei 2019 op 19 maart 2021 onherroepelijk is geworden en het verzoek om herziening is ingediend op 7 mei 2021, is het verzoek om herziening van de uitspraak derhalve ontvankelijk.

3.6

In de uitspraak van 21 mei 2019 waren primair de vraag of belanghebbende binnenlands belastingplichtig was en subsidiair de vraag of de bestreden belastingaanslagen te hoog waren, in geschil. Na het arrest van de Hoge Raad van 19 maart 2021 staat het volgende vast:

- de in onderdeel 2 van de uitspraak van 21 mei 2019 vastgestelde feiten,

- het oordeel dat belanghebbende binnenlands belastingplichtig is,

- het oordeel dat de Inspecteur over de jaren 2008 en 2009 wel maar over het jaar 2011 niet mocht navorderen,

- de door het Hof toegepaste bewijslastverdeling,

- de oordelen van het Hof over de door belanghebbende genoten (hoogte van de) inkomsten uit werk en woning, met uitzondering van de uitkeringen uit hoofde van de Algemene Ouderdomswet in 2009 en 2010,

- de oordelen dat belanghebbende niet slechts een kassiersfunctie had ten aanzien van de door hem ontvangen betalingen en dat hij ter zake geen aftrekposten aannemelijk heeft gemaakt,

- de oordelen omtrent het inkomen uit aanmerkelijk belang en het inkomen uit sparen en beleggen

- het oordeel van het Hof dat belanghebbende geen recht heeft op een integrale proceskostenvergoeding en

- het oordeel dat de redelijke termijn vanwege de complexiteit van de zaken is verlengd en daarom niet is overschreden.

3.7

In zijn verzoek om herziening heeft belanghebbende het volgende aangevoerd.

Het Hof heeft, volgens belanghebbende over het hoofd gezien dat de door belanghebbende gestelde kassiersfunctie en de door hem opgevoerde aftrekposten door hem aannemelijk zijn gemaakt dan wel door de Inspecteur zijn erkend of niet, althans niet voldoende gemotiveerd, althans niet tijdig, zijn betwist. De omstandigheid dat het Hof een en ander over het hoofd heeft gezien, is, volgens belanghebbende, een feit dat zich vóór de uitspraak heeft voorgedaan, waarvan hij niet op de hoogte was en wat onmiskenbaar tot een andere uitspraak had geleid. Belanghebbende verwijst in dat verband naar het overzicht van zijn belastbare inkomen in bijlage 2 bij zijn pleitnotitie in hoger beroep, de reconstructie van de administraties van [naam3] Ltd. die was gevoegd bij onder meer de verweerschriften in zijn hoger beroep die is gebaseerd op bankafschriften, creditcardoverzichten, facturen en verklaringen die onder meer door de Inspecteur op een Cd-rom in het geding zijn gebracht. Verder wijst belanghebbende onder andere op, de verklaringen van [naam4] en [naam5] die door belanghebbende bij conclusie van repliek in eerste aanleg zijn ingebracht en op hetgeen blijkens het proces-verbaal ter zitting in hoger beroep is voorgevallen. Daarnaast stelt belanghebbende in zijn verzoek om herziening dat, indien het Hof niet terugkomt van zijn, op kennelijke vergissingen gebaseerde, uitspraak, zulks als evident onredelijk moet worden beschouwd en dus in strijd is met het bepaalde in artikel 4:6 van de Awb.

3.8

De Inspecteur heeft primair aangevoerd dat het verzoek om herziening geen nova bevat en subsidiair dat belanghebbende weliswaar contante bedragen heeft opgenomen van zijn bankrekeningen, maar dat daarmee nog niet aannemelijk is gemaakt dat daarmee zakelijke uitgaven zijn gedaan en dat de Inspecteur dit tijdens de procedure in bezwaar, in beroep en in hoger beroep ook steeds heeft betwist.

3.9

Het Hof oordeelt als volgt. Uit de tekst van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb volgt dat een verzoek om herziening alleen dan kan slagen indien gelijktijdig aan de drie genoemde voorwaarden is voldaan. Onder feiten en omstandigheden zoals in dat artikel bedoeld, kunnen alleen die feiten en omstandigheden worden begrepen die objectief bestonden voordat de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd onherroepelijk is geworden. Naar het oordeel van het Hof, strekt het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet ertoe de juistheid van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht, anders dan naar aanleiding van feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119 van de Awb, aan de orde te stellen.

3.10

Daartoe acht het Hof het navolgende redengevend. In de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 8:119 van de Awb (Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3, blz. 160, Kamerstukken II 1996/97, 25 175, nr. 3, blz. 19) is opgemerkt dat het rechtsmiddel van herziening niet kan worden gebruikt voor het herstellen van processuele misslagen. Voorts is de herzieningsprocedure niet bedoeld als een herkansingsmogelijkheid om een tot aan de hoogste rechter gevoerd en reeds afgesloten debat te heropenen (vgl. HR 26 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5613). Het enkele feit dat niet alle in de loop van een procedure van beroep ingediende stukken worden besproken in de rechterlijke uitspraak, betekent niet dat die stukken bij de besluitvorming zijn genegeerd. Het niet besproken zijn van een dergelijk stuk is ook geen feit of omstandigheid dat tot herziening van de desbetreffende uitspraak kan leiden (vgl. CRvB 24 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1253). De behandeling ter zitting is ook geen feit of omstandigheid, als bedoeld in die bepaling en kan in zoverre geen grond voor herziening opleveren (vgl. ABRvS 17 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:349).

3.11

Voor zover belanghebbende zijn verzoek om herziening doet steunen op stukken die reeds in beroep dan wel in hoger beroep waren ingediend is geen sprake van feiten en omstandigheden die belanghebbende vóór de uitspraak van 21 mei 2019 nog niet kende. Reeds op die grond moet het verzoek om herziening worden afgewezen. In dat verband wijst het Hof erop dat dat het verzoek om herziening in belangrijke mate gelijkluidend is aan de toelichting op het derde cassatiemiddel van belanghebbende in de procedure voor de Hoge Raad.

3.12

Het Hof volgt belanghebbende voorts niet in zijn stelling dat het voor herziening vereiste novum erin bestaat dat het Hof bepaalde bewijsstukken en stellingen over het hoofd heeft gezien. Het rechtsmiddel van herziening is immers niet bedoeld om de juistheid van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht, waaronder de selectie en waardering van bewijsmiddelen in die uitspraak, aan de orde te stellen. Dat geldt evenzeer voor het betoog van belanghebbende dat het Hof hem nog in staat had moeten stellen op bepaalde betwistingen van de Inspecteur te reageren. Ook dat is immers geen feit of omstandigheid in de zin van artikel 8:119 van de Awb, maar een betoog over de juridische juistheid van uitspraak van het Hof.

3.13

Belanghebbendes stelling dat artikel 4:6 van de Awb van overeenkomstige toepassing is bij herziening op grond van artikel 8:119 van de Awb, en dat het door het Hof niet terugkomen van zijn uitspraak als evident onredelijk moet worden beschouwd, omdat het Hof kennelijke vergissingen heeft gemaakt en het om grote bedragen gaat, faalt reeds omdat de bestuursrechter geen bestuursorgaan is en artikel 4.6 van de Awb in artikel 8:119 van de Awb niet van overeenkomstige toepassing is verklaard. Ook overigens acht het Hof geen termen aanwezig om artikel 4:6 van de Awb van overeenkomstige toepassing te verklaren bij de herziening op grond van artikel 8:119 van de Awb. Van evidente onredelijkheid is, naar het oordeel van het Hof, geen sprake.

Slotsom

Het Hof zal, gelet op het vorenoverwogene, het verzoek om herziening van de uitspraak afwijzen.

5 Proceskosten

6 Beslissing