Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26-03-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:2167, 22/2155 en 22/2156

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26-03-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:2167, 22/2155 en 22/2156

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26 maart 2024
Datum publicatie
5 april 2024
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2024:2167
Formele relaties
Zaaknummer
22/2155 en 22/2156
Relevante informatie
Art. 15.33 WMB

Inhoudsindicatie

Afvalstoffenheffing. Opbrengstlimiet.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummers BK-ARN 22/2155 en 22/2156

uitspraakdatum: 26 maart 2024

Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 2 augustus 2022, nummers AWB 21/3068 en 21/3069, ECLI:NL:RBGEL:2022:4126, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente Lingewaard (hierna: de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft belanghebbende voor het jaar 2019 een aanslag rioolheffing en een aanslag afvalstoffenheffing opgelegd.

1.2.

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de aanslagen gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de aanslag rioolheffing vernietigd, de aanslag afvalstoffenheffing verminderd, de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten, de heffingsambtenaar en de Staat veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en bepaald dat wettelijke rente moet worden vergoed.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2024. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. M.M. Vrolijk, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] en [naam2] , namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door [naam3] , financieel adviseur, en [naam4] , taxateur. Ter zitting zijn de zaken met toestemming van partijen gelijktijdig behandeld met het hoger beroep van belanghebbende met zaaknummer BK-ARN 21/1018. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

De gemeenteraad van de gemeente Lingewaard heeft op 13 december 2018 de Verordening Rioolheffing 20191 en de Verordening Afvalstoffenheffing 20192 vastgesteld.

2.2.

Belanghebbende is in het jaar 2019 belastingplichtig voor de rioolheffing en de afvalstoffenheffing van de gemeente Lingewaard.

2.3.

De heffingsambtenaar heeft belanghebbende voor het jaar 2019 een aanslag rioolheffing van € 227 en een aanslag afvalstoffenheffing van € 115,80 opgelegd.

2.4.

Belanghebbende heeft in de beroepsfase een nader stuk met dagtekening 12 juni 2021 ingediend. De Rechtbank heeft de heffingsambtenaar in een brief van 29 juni 2021 bericht dat zij dit nader stuk aanmerkt als repliek.

2.5.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat de Verordening Rioolheffing 2019 ten aanzien van belanghebbende onverbindend is en heeft de aanslag rioolheffing daarom vernietigd.

2.6.

In de Programmabegroting 2019 die de gemeenteraad heeft vastgesteld, zijn voor de afvalstoffenheffing de geraamde lasten vastgesteld op € 3.624.400. Als ‘Baten afvalstoffenheffing’ is daarin een bedrag van € 3.102.300 opgenomen. Daarnaast is een mutatie egalisatiereserve van € 522.100 vermeld. De jaarrekening 2019 van de gemeente Lingewaard bevat ten aanzien van de afvalstoffenheffing bij begroting 2019 de volgende omschrijving en cijfers:

Overzicht kostendekking Begroting

afvalinzameling Taakveld 2019

LASTEN

Afvalstoffen algemeen 7.3. Afval -94.500

Huishoudafval 7.3 Afval -2.036.600

Overige afvalstoffen 7.3 Afval -293.100

Straatreiniging 2.1 Verkeer en vervoer -20.600

Perceptiekosten afvalstoffenheffing 0.64 Belastingen overig -142.000

Overhead 0.4 Overhead -260.900

Compensabele BTW n.v.t. -676.700

Kwijtschelding afvalstoffenheffing Inkomensregelingen -100.000

Subtotaal Lasten -3.624.400

BATEN

Baten afvalstoffenheffing 7.3 Afval 3.098.300

Baten grof afval 7.3 Afval 4.000

Subtotaal Baten 3.102.300

Saldo -522.100

Egalisatie bestemmingsreserve

“Afvalstoffenheffing” 0.10 Mutatie reserves 522.100

Saldo ten laste van de jaarrekening 0

Dekkingspercentage 100,00%

2.7.

In de motivering van zijn beroepschrift heeft belanghebbende over de overschrijding van de opbrengstlimiet bij de afvalstoffenheffing vermeld:

“14. Gezien de relatieve omvang van de posten Overhead, Compensabele BTW en Huishoudafval bestaat bij eiser twijfel of sprake is van een last ter zake van de afvalstoffenheffing. Geen enkel inzicht bestaat in de vaststelling van (de omvang van) deze posten. Verweerder heeft deze twijfel met de enkele vermelding in het overzicht niet naar vermogen weggenomen. Aldus kan niet worden vastgesteld of en in hoeverre de opbrengstlimiet is overschreden (…).”

2.8.

In het verweerschrift in eerste aanleg heeft de heffingsambtenaar een nadere specificatie gegeven van de posten Overhead, Compensabele BTW en Huishoudafval. Ter zake van de post Overhead luidt die specificatie als volgt:

“De overhead wordt toegerekend als vast tarief per toegerekend uur aan een activiteit. Het overheadtarief van 2019 bedraagt € 38 per toegerekend uur. Voor een toelichting op het overheadtarief wordt verwezen naar de begroting 2019:

https://lingewaard.begroting-2019.nl/p8226/overhead.

De toegerekende overhead bedraagt € 260.900. In onderstaande tabel zijn de toegerekende uren uit het grootboek te zien.

Kostenplaats Aantal uren

Afval algemeen 1.805

Huishoudafval 3.346

Overige afvalstoffen 1.715

Totaal 6.866

2.9.

In de conclusie van repliek heeft belanghebbende onder meer geschreven, waarbij voor ‘eiser’ moet worden gelezen ‘belanghebbende’:

“In punt 14 van het beroep stelt eiser dat ten aanzien van een aantal daar genoemde posten gezien de relatief grote omvang daarvan bij eiser twijfel bestaat of sprake is van een last ter zake. Derhalve is volgens eiser aldus sprake van een gebrekkig inzicht in de begrotingscijfers welke de aldus bij eiser bestaande twijfel niet wegneemt. Daartoe ontbreken bijvoorbeeld de onderbouwing van het gehanteerde uurtarief voor overhead. Iedere (verdere) onderbouwing van de toegerekende (geraamde) kosten met stukken ontbreekt echter. In het verweerschrift wordt volstaan met een specificatie van totaalbedragen genoemd in Bijlage 6 bij de bestreden uitspraak.

Overigens is ten aanzien van de overzichten in het verweerschrift niet inzichtelijk of deze afkomstig zijn uit de Begroting 2019 of daarop terug zijn te voeren. Eiser stelt dat zulks niet het geval is. Deze overzichten kunnen aldus niet dienen als bewijs dat de gestelde overschrijding van de opbrengstlimiet niet aan de orde is.”

2.10.

In de conclusie van dupliek heeft de heffingsambtenaar de volgende toelichting op de post Overhead opgenomen:

“Het overheadtarief berekend door de totale personeelskosten (die niet direct aan een taakveld zijn toe te rekenen) plus de indirecte lasten (huisvesting, automatisering, facilitaire kosten, etc.) te delen door het aantal direct aan de taakvelden doorbelaste productieve uren. De overhead berekenen we over het aantal uren dat wordt toegerekend aan de activiteit.

Het overheadtarief van 2019 bedraagt € 38 per toegerekend uur. Voor een toelichting op het overheadtarief wordt verwezen naar de begroting 2019, https://lingewaard.begroting-2019.ni/p8226/overhead.

De toegerekende overhead aan de afvalinzameling bedraagt € 260.900. In onderstaande tabel zijn de toegerekende uren uit het grootboek te zien.

Kostenplaats Aantal uren

Afval algemeen 1.805

Huishoudafval 3.346

Overige afvalstoffen 1.715

Totaal 6.866

2.11.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat de overheadkosten van € 260.900 (zie 2.6) buiten beschouwing moeten blijven, dat de geraamde baten de geraamde lasten daarom met € 256.900 overschrijden en dat dit leidt tot een overschrijding van de opbrengstlimiet met 7,64% (= € 256.900/€ 3.363.500 x 100%). De Rechtbank heeft daarom de Verordening Afvalstoffenheffing 2019 ten aanzien van belanghebbende partieel onverbindend verklaard en de aanslag afvalstoffenheffing met € 8,22 verminderd tot € 107,58 (=100/107,64 x € 115,80).

2.12.

De Rechtbank heeft de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 4.122, gebaseerd op kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor twee niet samenhangende zaken. De Rechtbank heeft in elke zaak 1 punt toegekend voor het indienen van een bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 269, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 759. De conclusie van repliek (zie 2.4) heeft de Rechtbank bij het bepalen van de vergoeding niet in aanmerking genomen.

3 Geschil

3.1.

In hoger beroep is primair in geschil of de Verordening Afvalstoffenheffing 2019 geheel onverbindend is jegens belanghebbende en subsidiair of deze verordening jegens belanghebbende voor een groter deel onverbindend is, dan de Rechtbank heeft geoordeeld.

3.2.

Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en de heffingsambtenaar ontkennend. De heffingsambtenaar beroept zich, voor het geval het Hof een van de vragen in 3.1 bevestigend beantwoordt, op interne compensatie.

3.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat de Rechtbank bij het bepalen van de proceskostenvergoeding in beide zaken 0,5 punt had moeten toekennen voor de proceshandeling conclusie van repliek, dat het hoger beroep daarom gegrond moet worden verklaard en dat de heffingsambtenaar veroordeeld dient te worden in de kosten van het hoger beroep. Tussen partijen is – in het kader van het bepalen van de omvang van de vergoeding voor deze kosten – wel in geschil wat de zwaarte is van de zaak in hoger beroep.

3.4.

Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende uitdrukkelijk en ondubbelzinnig zijn grief ingetrokken dat gerede twijfel bestaat ten aanzien van de posten Huishoudafval: doorberekende loonkosten (uren): € 163.117, en compensabele btw (Perceptiekosten: doorberekende loonkosten (33% van): € 39.750, Uitbestede diensten (33% van): € 415.000, BTW ter zake van deze post: € 87.318). Het Hof zal deze posten daarom niet beoordelen.

4 Beoordeling van het geschil

5 Griffierecht en proceskosten

6 Beslissing