Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 09-12-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7987, 24/632 en 24/633

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 09-12-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7987, 24/632 en 24/633

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
9 december 2025
Datum publicatie
24 december 2025
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2025:7987
Zaaknummer
24/632 en 24/633
Relevante informatie
Art. 6.1 Wet IB 2001, Art. 6.2 Wet IB 2001, Art. 6.17 Wet IB 2001

Inhoudsindicatie

IB/PVV. Specifieke zorgkosten. Uitgaven voor vervoer.

Uitspraak

locatie Arnhem

nummers BK-ARN 24/632 en 24/633

uitspraakdatum: 9 december 2025

Uitspraak van de zevende enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 23 februari 2024, nummers ARN 22/2371 en 22/5434, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem (hierna: de Inspecteur)

en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2016 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een verzamelinkomen van € 27.537. Bij beschikking is belastingrente van € 387 berekend en verder is een verzuimboete opgelegd van € 369.

1.2.

De Inspecteur heeft het tegen de aanslag 2016 gerichte bezwaar gegrond verklaard, de aanslag verminderd naar een verzamelinkomen van € 25.558, de belastingrente dienovereenkomstig verminderd en de verzuimboete verminderd tot nihil.

1.3.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2017 ambtshalve een aanslag IB/PVV opgelegd naar een verzamelinkomen van € 19.793. Bij beschikking is belastingrente van € 112 berekend en verder is een verzuimboete opgelegd van € 369.

1.4.

De Inspecteur heeft het tegen de aanslag 2017 gerichte bezwaar gegrond verklaard, de aanslag verminderd naar een verzamelinkomen van € 12.990, en de belastingrente en de verzuimboete verminderd tot nihil.

1.5.

Belanghebbende is tegen de onder 1.2 en 1.4 vermelde uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard, de aanslagen verminderd naar verzamelinkomens van respectievelijk € 24.974 (2016) en € 12.469 (2017) en de belastingrente verminderd. De Rechtbank heeft de Staat en de Inspecteur veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van € 2.000 en die voor € 1.333 toegerekend aan de Inspecteur en voor € 667 aan de Staat. Verder heeft de Rechtbank de Inspecteur veroordeeld tot het vergoeden van proceskosten van € 2.234,20 en griffierecht van € 50.

1.6.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, bijgestaan door haar gemachtigde mr. K. Bozia. Namens de Inspecteur zijn verschenen mr. [naam1] en [naam2] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2 De feiten

2.1.

Belanghebbende is geboren [in] 1960 en heeft geen fiscaal partner. In 2016 en 2017 vormt belanghebbende een eenpersoonshuishouden.

2016

2.2.

Belanghebbende heeft in haar aangifte over 2016 specifieke zorgkosten (hierna: zorgkosten) van € 5.100 opgevoerd. De persoonsgebonden aftrek (pga) heeft zij, na verhoging van de grondslag met 40% en toepassing van de drempel, berekend op € 6.607.

2.3.

De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag rekening gehouden met aftrekbare zorgkosten ten bedrage van € 1.033 en heeft de pga berekend op € 977.

2.4.

In de bezwaarfase heeft de Inspecteur de aftrekbare zorgkosten verhoogd naar € 2.447. De Inspecteur is hierbij uitgegaan van het door belanghebbende gestelde bedrag aan werkelijke vervoerskosten van € 5.543, en heeft de aftrekbare vervoerskosten op € 1.547 berekend. De pga is bij uitspraak op bezwaar vastgesteld op € 2.956.

2.5.

Bij de Rechtbank waren voor 2016 enkel de vervoerskosten in geschil. De Inspecteur heeft in de beroepsfase nadere berekeningen van het besteedbaar inkomen en de aftrekbare kosten gemaakt. De Rechtbank heeft deze berekeningen overgenomen. De Rechtbank heeft het netto besteedbaar inkomen van belanghebbende voor het jaar 2016 berekend op € 1.712 per maand. Op basis van de Nibud-tabel leidt dit tot een bedrag aan gemiddelde vervoerskosten van de ‘maatman’ van € 143 per maand, en daarmee van € 1.716 per jaar. Bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van belanghebbende voor het jaar 2016 heeft de Rechtbank rekening gehouden met:

Teruggaaf voorlopige aanslag 2015

+ 1.428

Ontvangen huurtoeslag 2016*

+ 3.043

Ontvangen zorgtoeslag 2016*

+ 1.003

Terugbetaalde zorgtoeslag 2014

-/- 198

* de Rechtbank heeft in haar uitspraak abusievelijk 2017 vermeld

2.6.

De Rechtbank heeft de op belanghebbende drukkende vervoerskosten voor het jaar 2016 vastgesteld op: werkelijke kosten € 5.543 -/- vergoeding van de werkgever van € 1.863 = € 3.680. Verminderd met de kosten van de maatman van € 1.716 (zie 2.5), leidt dit tot een bedrag van € 1.964 aan aftrekbare vervoerskosten. De totale aftrekbare zorgkosten heeft de Rechtbank vastgesteld op € 2.864 en de pga op € 3.540. De Rechtbank heeft het verzamelinkomen vastgesteld op € 24.974 en het beroep voor het jaar 2016 gegrond verklaard.

2017

2.7.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2017, ondanks daartoe te zijn uitgenodigd, herinnerd en aangemaand, geen aangifte IB/PVV ingediend. De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de ambtshalve aanslag geen aftrek in verband met zorgkosten in aanmerking genomen.

2.8.

In de bezwaarfase heeft belanghebbende een aangifte ingediend. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar een bedrag aan zorgkosten in aanmerking genomen, waarbij hij is uitgegaan van de door belanghebbende gestelde werkelijke vervoerskosten van € 6.003. De aftrekbare vervoerskosten heeft de Inspecteur berekend op € 4.192. De totale zorgkosten heeft de Inspecteur in de uitspraak op bezwaar berekend op € 5.092, en de pga op € 6.803.

2.9.

Bij de Rechtbank waren de vervoerskosten in geschil. De Inspecteur heeft in de beroepsfase nadere berekeningen van het besteedbaar inkomen 2017 en de aftrekbare kosten gemaakt. Deze berekeningen heeft de Rechtbank overgenomen. De Rechtbank gaat uit van een netto besteedbaar inkomen van belanghebbende voor het jaar 2017 van € 14.7481, en daarmee van € 1.229 per maand. Op basis van de Nibud-tabel leidt dit tot een bedrag aan gemiddelde vervoerskosten van de ‘maatman’ van € 71 per maand, en daarmee van € 852 per jaar. Bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van 2017 heeft de Rechtbank rekening gehouden met:

Ontvangen huurtoeslag 2017

+3.003

Ontvangen zorgtoeslag 2017

+ 978

Terugbetaalde zorgtoeslag 2014

-/- 115

2.10.

De Rechtbank heeft de op belanghebbende drukkende vervoerskosten voor het jaar 2017 vastgesteld op: werkelijke kosten € 6.003 -/- vergoeding werkgever € 588 = € 5.415. Verminderd met de kosten van de maatman van € 852 (zie 2.9), leidt dit tot een aftrekbaar bedrag van € 3.882 aan vervoerskosten. De totale aftrekbare zorgkosten heeft de Rechtbank vastgesteld op € 4.564 en de aftrekbare pga op € 7.324. De Rechtbank heeft het verzamelinkomen vastgesteld op € 12.469 en het beroep voor het jaar 2017 gegrond verklaard.

3 Geschil

In hoger beroep is in geschil:

-

of de Rechtbank de Inspecteur tot een hoger bedrag aan terug te betalen griffierecht had moeten veroordelen;

-

of de aftrekbare vervoerskosten juist zijn vastgesteld. Meer specifiek is in geschil of de besteedbare inkomens van 2016 en 2017 juist zijn berekend en wat de omvang van de werkelijke vervoerskosten moet zijn.

Het inkomen uit vroegere dienstbetrekking voor het jaar 2017 is in hoger beroep niet meer in geschil.

4 Beoordeling van het geschil

5 Griffierecht en proceskosten

6 Beslissing