Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 09-12-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7998, 24/1260
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 09-12-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7998, 24/1260
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 9 december 2025
- Datum publicatie
- 30 december 2025
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2024:2958, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- 24/1260
- Relevante informatie
- Art. 9 Wet OB 1968, Tabel I post a.34 Wet OB 1968
Inhoudsindicatie
OB. Levering trapliften. Tarief.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/1260
uitspraakdatum: 9 december 2025
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] B.V. te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 17 mei 2024, nummer ARN 23/668, ECLI:NL:RBGEL:2024:2958, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Almere (hierna: de Inspecteur)
1 Ontstaan en loop van het geding
Aan belanghebbende is over het tijdvak mei 2022 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd. Tevens is een verzuimboete opgelegd.
De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord namens belanghebbende [naam1] , bijgestaan door haar advocaat mr. M.H.W.N. Lammers, P.I.M. Cramer en P.J.W. van der Sluis en namens de Inspecteur, mr. [naam2] , bijgestaan door [naam3] , [naam4] , [naam5] , en [naam6] .
2 Vaststaande feiten
De activiteiten van belanghebbende bestaan voornamelijk uit de verkoop van diverse modellen (vooral gebruikte) trapliften. Belanghebbende levert de trapliften aan particulieren en aan gemeenten in het kader van de WMO. De heer [naam1] is, middels zijn holdingvennootschap [bedrijf1] BV, 100% aandeelhouder en directeur van belanghebbende.
Belanghebbende heeft vanaf haar oprichting tot en met 31 maart 2021 elke maand de verschuldigde omzetbelasting berekend en voldaan naar het algemene btw-tarief.
Belanghebbende heeft tegen de voldoening op aangifte over het tijdvak september 2020 bezwaar gemaakt, omdat zij van mening is dat het verlaagde btw-tarief van toepassing is op de levering van trapliften. De Inspecteur heeft naar aanleiding van het bezwaar vragen gesteld. Het bezwaar is op 15 mei 2021 gegrond verklaard, waarbij het besluit als volgt is toegelicht:
“De Inspecteur komt aan het bezwaar tegemoet. Het te verrekenen of terug te ontvangen bedrag staat vermeld als eindbedrag in de rechterkolom. Het te verrekenen of terug te ontvangen bedrag kan na controle alsnog door de inspecteur worden gecorrigeerd.”
Omdat uit de uitspraak op bezwaar van 15 mei 2021 volgde dat de Inspecteur akkoord ging met het verlaagde btw-tarief op de levering van trapliften, heeft belanghebbende vanaf die datum bij haar voldoening op aangiften omzetbelasting het verlaagde btw-tarief gehanteerd.
In 2021 heeft de heer [naam1] besloten om verder te investeren in de ontwikkeling van een traplift in eigen beheer. Hij was daarmee al enige jaren bezig, omdat belanghebbende moeite had om voldoende gebruikte trapliften in te kopen om aan de vraag te voldoen. Het tijdpad van deze investeringen loopt vanaf april 2020. Het dossier bevat een projectplan van februari 2021 voor de ontwikkeling van en modulaire traplift door [bedrijf2] B.V. (hierna: [bedrijf2] ); op dit projectplan staat: “ Quotation for [bedrijf3] B.V.”. De opdrachtbevestiging met [bedrijf2] heeft als offertedatum 16-03-2021 en is op 17 maart 2021 ondertekend door [bedrijf4] B.V. Daarnaast bevat het dossier een aanbieding van [bedrijf5] B.V. (hierna: [bedrijf5] ) voor de ontwikkeling van een eigen traplift. Deze opdrachtbevestiging is op 17 mei 2021 door [bedrijf4] B.V. ondertekend. Verder bevat het dossier een aanvulling op opdracht 2021.009 van [bedrijf6] B.V. (hierna: [bedrijf6] ) voor het ontwerpen en de engineering van het chassis voor de trapliftstoel. Dit voorstel heeft als datum 2 november 2021 en is gericht aan [bedrijf1] B.V. Het investeringsplan heeft tot op heden niet geleid tot de ontwikkeling van een nieuwe traplift.
Op 19 februari 2021 heeft de Staatssecretaris van Financiën een nieuw Besluit Omzetbelasting Toelichting Tabel I1 gepubliceerd, dat een dag later in werking is getreden. Daarin is (onder meer) het volgende opgenomen:
“Een mechanische traploophulp valt onder de post. Een traploophulp, een mechanisch apparaat dat via een rail aan de muur boven de trap met de gebruiker meeloopt, biedt ondersteuning bij het traplopen doordat de gebruiker er met de handen/armen op kan steunen. Een mechanische traploophulp heeft geen zitfunctie en neemt het traplopen niet over, maar geeft net als een looprek en een rollator veiligheid en extra ondersteuning. Een traploophulp is daarom niet te vergelijken met een traplift (die immers het traplopen overneemt). Gelet op het vorenstaande wordt een mechanische traploophulp aangemerkt als soortgelijk aan een looprek.”
Bij brief van 20 september 2021 heeft de Inspecteur, onder verwijzing naar het onder 2.6 genoemde Besluit, het standpunt dat het verlaagde btw-tarief van toepassing is op de levering van trapliften ingetrokken. Er is een overgangstermijn gegeven tot en met 31 oktober 2021.
Op 19 april 2022 heeft de Staatssecretaris van Financiën een nieuw Besluit Omzetbelasting Toelichting Tabel I gepubliceerd2, dat een dag later in werking is getreden. Het onder 2.6 genoemde Besluit is met dit nieuwe Besluit ingetrokken. Daarin is bij post a 34 (onder meer) dezelfde tekst opgenomen als opgenomen in het citaat bij 2.6. Dit nieuwe Besluit, wordt hierna, voor zover dat betrekking heeft op post a 34 aangehaald als: ‘de Toelichting op de Tabelpost’.
Voor het tijdvak mei 2022 heeft belanghebbende in de aangifte € 75.527 als te betalen omzetbelasting aangegeven (op basis van het algemene tarief). Zij heeft € 22.929 daarvan voldaan.
Voor het tijdvak mei 2022 is met dagtekening 28 juli 2022 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 52.598 (het verschil tussen het aangegeven bedrag en het voldane bedrag) en is ook een verzuimboete opgelegd van € 1.577 (3% van het nog te betalen bedrag).
De Inspecteur heeft het bezwaar tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak mei 2022 en de verzuimboete ongegrond verklaard.
3 Geschil
In geschil is of de naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak mei 2022 en de verzuimboete terecht zijn opgelegd. Meer specifiek is (primair) in geschil is of de levering van trapliften – op grond van het neutraliteitsbeginsel - binnen de reikwijdte van post a.34 van de bij de Wet op de omzetbelasting behorende Tabel I (hierna: de Tabelpost) valt. Ook is in geschil of de levering van trapliften op basis van de Toelichting op de Tabelpost (zie 2.8) binnen de reikwijdte van post a.34 valt. Subsidiair is in geschil of de Inspecteur bij het intrekken van zijn standpunt dat het verlaagde btw-tarief van toepassing was op de levering van trapliften (zie 2.7) belanghebbende een langere overgangstermijn had moeten gunnen.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak op bezwaar, de naheffingsaanslag en de boetebeschikking. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.