Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 16-12-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:8441, 24/1163 en 24/1165
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 16-12-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:8441, 24/1163 en 24/1165
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 16 december 2025
- Datum publicatie
- 16 januari 2026
- Zaaknummer
- 24/1163 en 24/1165
- Relevante informatie
- Art. 12 BUB 1999, Art. 7:15 Awb
Inhoudsindicatie
IB/PVV. Bezwaarkostenvergoeding.
Uitspraak
locatie Arnhem
nummers BK-ARN 24/1163 t/m 24/1165
uitspraakdatum: 16 december 2025
Uitspraak van de achttiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Eindhoven (hierna: de Inspecteur)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 18 april 2024, nummers ARN 23/2569, ARN 23/2570 en ARN 23/2571, ECLI:NL:RBGEL:2024:8002 in het geding tussen de Inspecteur en
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
1 Ontstaan en loop van het geding
Aan belanghebbende zijn over de jaren 2017, 2018 en 2019 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Bij beschikkingen is belastingrente berekend.
De Inspecteur heeft bij afzonderlijke uitspraken op bezwaar de bezwaren van belanghebbende afgewezen.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard en de uitspraken van de Inspecteur en de navorderingsaanslagen vernietigd. Daarnaast heeft de Rechtbank de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende voor zowel de bezwaar als de beroepsfase.
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. [naam1] namens de Inspecteur, bijgestaan door [naam2] . De griffier heeft op 1 september 2025 een bericht in het digitale dossier van belanghebbende geplaatst waarbij belanghebbende is uitgenodigd voor de zitting. Op 1 september 2025 om 14:53 uur is volgens de – bij deze uitspraak gevoegde – loggegevens een kennisgeving van de plaatsing van dat bericht verzonden aan het door belanghebbende voor dat doel opgegeven emailadres. Op grond hiervan neemt het Hof aan dat belanghebbende dit bericht gelet op artikel 8:36c, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op 1 september 2025 heeft ontvangen. Het Hof heeft aldus belanghebbende op de juiste wijze uitgenodigd voor de zitting.
2 Vaststaande feiten
Belanghebbende was gedurende de jaren 2017, 2018 en 2019 woonachtig in Nederland. Gedurende deze jaren heeft belanghebbende een aantal perioden als stewardess aan boord van verschillende buiten de Europese Unie geregistreerde schepen gewerkt. Deze werkzaamheden verrichte zij in loondienst voor buiten de Europese Unie gevestigde werkgevers.
Belanghebbende heeft aangiften IB/PVV voor de jaren 2017, 2018 en 2019 gedaan. In deze aangiften heeft belanghebbende enkel Nederlandse inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking aangegeven.
De Inspecteur heeft de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2017, 2018 en 2019 overeenkomstig de ingediende aangiften vastgesteld.
Nadat de aanslagen voor de jaren 2017, 2018 en 2019 waren vastgesteld, heeft belanghebbende herziene aangiften voor deze jaren ingediend. Naast de al in haar eerdere aangiften opgegeven Nederlandse inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking, heeft belanghebbende in deze aangiften tevens buitenlandse inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking opgegeven. Deze buitenlandse inkomsten hebben betrekking op de bij 2.1. genoemde werkzaamheden. Belanghebbende heeft daarbij aangegeven niet verzekeringsplichtig te zijn geweest voor de Nederlandse volksverzekeringen gedurende de periodes dat zij de buitenlandse inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking heeft genoten. Voor deze periodes verzoekt belanghebbende in de aangiften om premievrijstelling.
Bij email van 5 april 2022 heeft de Inspecteur de gemachtigde van belanghebbende verzocht om nadere informatie en stukken te verstrekken naar aanleiding van de herziene aangiften. De Inspecteur heeft in deze email – voor zover hier van belang – het volgende geschreven:
“Graag ontvang ik de volgende stukken en toelichting met betrekking tot de inkomsten bij buitenlandse werkgevers, zodat ik de herziene aangiften kan beoordelen.
- Kopieën van de jaaropgaven 2017, 2018 en 2019 van de betreffende buitenlandse werkgevers.
- Voor zover de periode van werken voor de betreffende buitenlandse werkgevers niet uit de jaaropgaven blijkt, ontvang ik graag andere bewijsstukken waarmee de periode van werken voor buitenlandse werkgevers, per jaar, aannemelijk wordt gemaakt.
- Wat voor werkzaamheden verrichtte je client voor de buitenlandse werkgevers?
- Een toelichting, indien mogelijk voorzien van bewijsstukken, waaruit de gedeeltelijke vrijstelling voor de premie volksverzekeringen, voor elk jaar, volgt.”
Bij emails van eveneens 5 april 2022 heeft de gemachtigde van belanghebbende voor ieder jaar kopieën van de loonstroken van de buitenlandse werkgevers en het monsterboekje van belanghebbende aan de Inspecteur gestuurd. Daarbij heeft de gemachtigde vermeld dat belanghebbende haar werkzaamheden heeft verricht als stewardess aan boord van schepen die voeren onder de vlag van respectievelijk de Kaaiman Eilanden en het eiland Man. Tevens heeft de gemachtigde geschreven dat belanghebbende recht heeft op premievrijstelling op grond van artikel 12 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (hierna: BUB 1999).
Bij brieven van 6 mei 2022 heeft de Inspecteur aan belanghebbende medegedeeld dat hij voornemens is om navorderingsaanslagen op te leggen over de jaren 2017, 2018 en 2019.
Op 21 mei 2022 heeft de Inspecteur navorderingsaanslagen over de jaren 2017, 2018 en 2019 opgelegd. Bij het opleggen van de navorderingsaanslagen heeft de Inspecteur rekening gehouden met buitenlandse inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking. De Inspecteur heeft daarbij de gevraagde premievrijstelling niet verleend.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslagen en daarbij opnieuw het standpunt ingenomen dat op grond van artikel 12 van het BUB 1999 belanghebbende niet verzekerd was voor de Nederlandse volksverzekering gedurende de periode dat zij in de jaren 2017, 2018 en 2019 werkzaam was voor de buitenlandse werkgevers. Belanghebbende heeft in haar bezwaarschrift verzocht om een vergoeding van de kosten voor de behandeling van het bezwaar.
De Inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende afgewezen. In zijn uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur – voor zover hier van belang – onder ander geschreven:
“Blijkens het van u ontvangen monsterboekje heeft het schip waarop uw cliënte werkzaam was in 2017 verschillende Europese havens aangedaan. Ik ben dan ook van mening dat sprake is van het verrichten van werkzaamheden op het grondgebied van meerdere lidstaten. Er wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 2 van de Verordening (EG) nr. 883/2004. Om te beoordelen of recht op een (gedeeltelijke) vrijstelling van de premieplicht bestaat, moet de situatie van uw cliënte dan ook eerst getoetst worden aan deze Europese wet- en regelgeving.
In de Verordening (EG) nr. 883/2004 worden regels gesteld op basis waarvan de toepasselijke wetgeving kan worden vastgesteld. In deze basisverordening wordt de situatie van uw cliënte verder niet geregeld. In de toepassingsverordening (EG) nr. 987/2009 is wel een aanwijsregel opgenomen die op uw cliënte van toepassing is. Artikel 14 lid 11 van de toepassingsverordening geeft aan dat, wanneer een inwoner van een EU- lidstaat werkt op het grondgebied van meerdere
lidstaten voor een werkgever die niet in een EU- lidstaat is gevestigd, de sociale zekerheidswetgeving van het woonland wordt aangewezen. Op basis van deze bepaling is uw cliënte derhalve verzekerd in Nederland. Als verzekerde zijn premies volksverzekeringen verschuldigd.
Het gaat hierbij om een vangnetbepaling om te voorkomen dat een persoon volgens geen enkele sociale zekerheidswetgeving is verzekerd. Dit zou namelijk tegen het uitgangspunt van de Verordening (EG) nr. 883/2004 indruisen. Uitgangspunt is namelijk dat iemand altijd onder enige sociale zekerheidswetgeving van enige lidstaat dient te vallen. Gezien het voorgaande ben ik van mening dat uw cliënte geen recht heeft op een (gedeeltelijke) vrijstelling van de premie volksverzekeringen. Op grond van de Europese coördinatieverordeningen is de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving op uw client van toepassing. Nu de Europese coördinatieverordening van toepassing is, komen we niet meer toe aan de nationale bepaling van het BUB 1999.”
Belanghebbende heeft op 17 februari 2023 beroep ingesteld bij de Rechtbank. Belanghebbende heeft de beroepen bij brief van 11 mei 2023 nader gemotiveerd. Bij deze nadere motivering heeft belanghebbende een beslissing van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) van 13 april 2023 gevoegd, waarin (onder andere) staat dat belanghebbende van 29 september 2017 tot en met 26 mei 2018 en van 16 september 2018 tot en met 21 september 2019 niet verzekerd was voor de Wet langdurige zorg (Wlz), omdat zij toen buiten Nederland werkte.
Op 15 mei 2023 heeft de Inspecteur de SVB per email naar haar standpunt over de verzekeringsplicht van belanghebbende voor de Nederlandse volksverzekeringen over de periode 2017 tot en met 2019 gevraagd. In deze email heeft de Inspecteur – voor zover hier van belang – het volgende geschreven:
“Beste collega SVB,
[belanghebbende] heeft in de periode 29 september 2017 - 21 september 2019 meerdere periodes als stewardess op een superjacht gewerkt.
Zij heeft haar werkzaamheden als stewardess verricht aan boord van het superjacht [jacht A] welke vaart onder de vlag van de Cayman Islands (29 september 2017 - 26 mei 2018). Zij is in loondienst werkzaam bij [werkgever A] , gevestigd op Jersey. Op haar salaris worden geen sociale zekerheidspremies (en belasting) ingehouden.
In de periode van 11 juni 2018 t/m 16 september 2018 (beperkt aantal uren in horeca/uitzendarbeid) heeft zij tijdelijk gewerkt voor Nederlandse werkgevers.
Vervolgens is zij werkzaam geweest aan boord van het superjacht [jacht B] welke vaart onder de vlag van Isle of Man (17 september 2018 t/m 21 augustus 2019). Zij is in loondienst werkzaam bij [werkgever B] , gevestigd op de British Virgin Islands. Op haar salaris worden geen sociale zekerheidspremies (en belasting) ingehouden.
Vanaf 21 augustus 2019 is zij (beperkt aantal uren in horeca/uitzendarbeid) werkzaam voor een in Nederland gevestigde werkgevers.
Het jacht [jacht A] en [jacht B] varen beide in het Middellandse Zee-gebied en doen veelvuldig havens aan in het Middellandse Zee-gebied. Dat blijkt uit het monsterboekje dat we hebben ontvangen. Zie bijlage.
Vraag:
Graag jullie visie over de verzekeringsplicht in Nederland over de periode 2017- 2019? Is mw. Verzekerd voor de volksverzekeringen in Nederland?
Kunnen jullie de toepasselijke wetgeving vaststellen voor alle volksverzekeringen.
Beschouwing:
lk ben van mening dat mw. op grond van artikel 14, lid 11 van de Verordening (EG) nr. 987/2009 in haar woonland verzekerd is. Zij is immers als inwoner van Nederland (EU-Lidstaat) werkzaam op het grondgebied van meerdere andere EU-lidstaten. Artikel 14, lid 11 luidt als volgt:
“11. Degene die zijn werkzaamheid in loondienst in twee of meer lidstaten voor rekening van een buiten het grondgebied van de Unie gevestigde werkgever verricht en in een lidstaat woont zonder daar een substantiële werkzaamheid te verrichten, valt onder de wetgeving van de lidstaat van de woonplaats.”
Op grond hiervan ben ik van mening dat als toepasselijke wetgeving de Nederlandse wetgeving wordt aangewezen. Gezien de sterke werking van de Verordening (EG) nr. 883/2004 is mw. altijd in enig EU-Lidstaat verzekerd.”
Op 14 december 2023 heeft de SVB een beschikking vaststelling verzekeringsplicht volksverzekeringen ten name van belanghebbende afgegeven. In deze beschikking staat – voor zover hier van belang – het volgende:
“Naar aanleiding van een verzoek van de Nederlandse Belastingdienst heeft de SVB over de periodes zoals hieronder vermeld, beoordeeld of u onderworpen bent aan de Nederlandse socialezekerheidswetgeving.
Beslissing
U bent niet verzekerd voor de Nederlandse volksverzekeringen gedurende de periodes:
- 29 september 2017 tot en met 26 mei 2018
- 17 september 2018 tot en met 21 augustus 2019
- 15 juni 2020 tot en met 4 augustus 2020
- 17 april 2021 tot en met 9 augustus 2021
In deze brief leggen wij u uit waarom.
Waarom heeft de SVB beslist dat u niet verzekerd bent?
U heeft gedurende bovenstaande periodes in landen gewerkt waar Nederland geen sociaal zekerheidsverdrag mee heeft gesloten.
U werkte gedurende deze periodes aan boord van een cruiseschip in dienst van een buiten de Europese Unie (EU) gevestigde werkgever. Het schip voer onder de vlag van een niet EU-lidstaat.
Op grond van artikel 12 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekeren volksverzekeringen 1999 bent u niet verzekerd.
Dat het schip waarop u werkte met enige regelmaat in de territoriale wateren van één of meerdere EU-lidstaten voer, betekent niet dat u alsnog als verzekerde kunt worden beschouwd.
U valt namelijk niet onder de personele werkingssfeer van de EU-Verordeningen.”
Belanghebbende heeft geen rechtsmiddelen tegen deze beschikking aangewend waardoor deze onherroepelijk vast is komen te staan.
3 Geschil
In geschil is of de Rechtbank terecht aan belanghebbende een vergoeding voor de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar heeft toegekend.
De Inspecteur beantwoordt deze vraag ontkennend en belanghebbende bevestigend.