Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17-02-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:1011, 24/1275
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17-02-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:1011, 24/1275
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 17 februari 2026
- Datum publicatie
- 4 maart 2026
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2024:6105, Meerdere afhandelingswijzen
- Zaaknummer
- 24/1275
- Relevante informatie
- Art. 67 AWR, AWR
Inhoudsindicatie
VPB. Winstuitdeling. Lening aan aandeelhouder. Winstgemis vanwege het
bedingen van een onzakelijk lage rente.
Uitspraak
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/1275
uitspraakdatum: 17 februari 2026
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 7 juni 2024, nummer ARN 23/4435, ECLI:NL:RBGEL:2024:6105, in het geding tussen
[belanghebbende] (hierna: belanghebbende) en de Inspecteur.
1 Ontstaan en loop van het geding
Aan belanghebbende is voor het jaar 2018 een aanslag vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) opgelegd naar een belastbare winst van € 29.310 en een belastbaar bedrag van nihil. Bij beschikking heeft de Inspecteur voor het jaar 2018 het verrekende verlies vastgesteld op € 29.310.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag Vpb 2018 en de verliesverrekeningsbeschikking gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het verlies voor 2018 vastgesteld op € 16.556, de verliesverrekeningsbeschikking vernietigd, en vergoedingen toegekend voor proceskosten en griffierecht van respectievelijk € 1.185 en € 365.
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2026. Namens belanghebbende is verschenen [naam1] , bijgestaan door zijn echtgenote [naam2] en mr. J.J.J. Streefland van [bedrijfsnaam] . Namens de Inspecteur zijn verschenen mr. drs. [naam3] , mr. [naam4] en mr. [naam5] . De zaken met de nummers BK-ARN 24/1274 en BK-ARN 24/1275 zijn gezamenlijk behandeld. Beide partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en ingebracht. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.
2 Feiten
Belanghebbende is opgericht op 20 oktober 1989. [naam1] is enig aandeelhouder en directeur van belanghebbende (hierna: de aandeelhouder).
Op 31 januari 2018 heeft de aandeelhouder in privé een schriftelijke overeenkomst van geldlening gesloten met de heer [naam6] (hierna: de heer B) en zijn vennootschap [O BV] (hierna: O BV) (hierna tezamen ook: de derden). Partijen zijn overeengekomen dat de aandeelhouder een lening van € 1.000.000 verstrekt aan de derden. Daarbij is een rentepercentage overeengekomen van 7% op jaarbasis, een looptijd van één jaar, zonder zekerheden en geen verplichting tot tussentijdse aflossing.
Belanghebbende heeft op of omstreeks 31 januari 2018 met de aandeelhouder in privé een mondelinge overeenkomst van geldlening gesloten met ingang van 1 februari 2018. Partijen hebben deze mondelinge overeenkomst op enig moment op schrift gezet. Partijen zijn overeengekomen dat belanghebbende een lening van € 1.000.000 verstrekt aan de aandeelhouder. Daarbij is een rentepercentage overeengekomen van 2% op jaarbasis, een looptijd van vijf jaar en geen verplichting tot tussentijdse aflossing. Er is verder overeengekomen dat op de aandeelhouder de plicht rust om schriftelijk toestemming te verkrijgen van belanghebbende bij verkoop of het bezwaren van zijn woonhuis. De aandeelhouder heeft verder een onherroepelijke volmacht verleend aan belanghebbende om op eerste vordering van belanghebbende medewerking te verlenen aan het verstrekken van hypothecaire zekerheid, waarbij rekening dient te worden gehouden met voorrang van de eerste hypotheekhouder [bank] .
Op 31 januari 2018 heeft belanghebbende € 500.000 per bank overgemaakt aan [notaris] ten behoeve van de lening aan de derden met de vermelding ‘1e deel’.
Op 1 februari 2018 heeft belanghebbende € 500.000 per bank overgemaakt aan [notaris] ten behoeve van de lening aan de derden met de vermelding ‘2e deel’.
Op 1 januari 2019 zijn belanghebbende en de aandeelhouder schriftelijk overeengekomen om het rentepercentage van de lening te wijzigen naar 1%.
Op 31 mei 2022 heeft de aandeelhouder van [O BV] tweemaal € 250.000 ontvangen met als omschrijvingen ‘deel aflossing lening’ en ‘gedeeltelijke aflossing lening’.
Op 2 juni 2022 heeft de aandeelhouder € 500.000 overgemaakt aan belanghebbende met als omschrijving ‘storting [O BV] ’.
Op 22 juni 2022 heeft de aandeelhouder van [O BV] tweemaal € 250.000 ontvangen met als omschrijvingen ‘gedeeltelijke aflossing lening’ en ‘Laatste deel aflossing lening’.
Op 23 juni 2022 heeft de aandeelhouder € 505.000 overgemaakt aan belanghebbende met als omschrijving ‘aflossing [O BV] ’.
In de jaarrekening 2018 van belanghebbende is als rentebaten een bedrag van € 18.301 vermeld met als omschrijving ‘rente lening u/g [naam1] inzake [O BV] ’. Begin en eind 2018 heeft belanghebbende een eigen vermogen van respectievelijk € 3.417.436 en € 3.371.254.
De aandeelhouder heeft in 2018 een bedrag van € 64.166 aan rente van de derden ontvangen. Belanghebbende heeft in 2018 een bedrag van € 18.301 aan rente van de aandeelhouder ontvangen.
De aandeelhouder heeft in zijn aangifte IB/PVV 2018 met het oog op de heffing in box 3 de volgende vermogensbestanddelen aangegeven:
|
Bezittingen |
||
|
- Bank- en spaartegoeden |
€ 37.578 |
|
|
- Effecten |
€ 1.180 |
|
|
- Eén onroerende zaak ( [adres1] , [plaats1] ) |
€ 1.071.000 |
|
|
€ 1.109.758 |
||
|
Schulden |
||
|
- Tzv onroerende zaken |
€ 677.596 |
|
|
- Andere schulden |
€ 394.476 |
|
|
-/- € 1.072.072 |
||
|
Rendementsgrondslag box 3 |
€ 43.686 |
Medeschuldenaar de heer B heeft in zijn aangifte IB/PVV 2018 met het oog op de heffing in box 3 de volgende vermogensbestanddelen aangegeven:
|
Bezittingen |
||
|
- Bank- en spaartegoeden |
€ 80.575 |
|
|
- Effecten |
€ 162.190 |
|
|
- Contant geld en vorderingen |
€ 369.063 |
|
|
- 42 onroerende zaken in [plaats1] e.o. |
€ 6.417.111 |
|
|
€ 7.028.939 |
||
|
Schulden |
||
|
- Tzv onroerende zaken |
€ 3.609.775 |
|
|
- Andere schulden |
€ 2.519.000 |
|
|
€ 6.128.775 |
||
|
Rendementsgrondslag box 3 |
€ 906.164 |
Medeschuldenaar O BV heeft begin en eind 2018 een eigen vermogen van respectievelijk € 224.987 en € 239.312.
Blijkens de koopovereenkomst van 1 februari 2024 heeft de aandeelhouder zijn pand [adres1] verkocht voor € 2.225.000.
Belanghebbende heeft voor het jaar 2018 aangifte gedaan voor de vennootschapsbelasting naar een verlies van € 45.654. Tot dit resultaat behoren onder meer de rentebate van € 18.301 (zie 2.12) en een verlies van € 29.099 ter zake van de verkoop van een deelneming.
Bij de aanslagregeling heeft de Inspecteur het standpunt ingenomen dat belanghebbende een te lage rente heeft bedongen van de aandeelhouder en dat dit opzettelijke winstgemis – ten bedrage van € 64.166 minus € 18.301, ofwel € 45.865 – als een onttrekking in de vorm van een winstuitdeling moet worden aangemerkt. Verder is ook het verlies uit de deelneming gecorrigeerd. De aanslag Vpb 2018 is als volgt berekend:
|
Winst |
||
|
Aangifte |
-/- € 45.654 |
|
|
Correcties: |
||
|
- Winstgemis rentebate |
€ 45.865 |
|
|
- Verlies deelneming |
€ 29.099 |
|
|
€ 74.964 |
||
|
Aanslag |
€ 29.310 |
Na verliesverrekening is het belastbaar bedrag op nihil vastgesteld.
In bezwaar en beroep bestrijdt belanghebbende uitsluitend de correctie inzake de rentebate.
De Rechtbank heeft overwogen dat geen sprake is van een onzakelijk winstgemis, omdat de bedongen rente van 2% vanwege de gunstige vermogenspositie van de aandeelhouder – die afwijkt van die van de derden – als zakelijk kan worden aangemerkt. De Rechtbank heeft daarom het verlies voor 2018 vastgesteld op € 16.556 en de verliesverrekeningsbeschikking vernietigd.
3 Geschil
Ook in hoger beroep is uitsluitend in geschil of sprake is van een (niet-aftrekbare) onttrekking door een winstgemis vanwege het bedingen van een onzakelijk lage rente van de aandeelhouder. De Inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend, belanghebbende ontkennend.
De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot bevestiging van de uitspraak op bezwaar. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.