Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 24-03-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:1856, 24/1474 t/m 24/1484

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 24-03-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:1856, 24/1474 t/m 24/1484

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24 maart 2026
Datum publicatie
3 april 2026
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:1856
Formele relaties
Zaaknummer
24/1474 t/m 24/1484
Relevante informatie
Art. 8:36c Awb, Art. 3.68 Wet IB 2001, Zvw

Inhoudsindicatie

IB/PVV Diverse correcties n.a.v. boekenonderzoek

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummers BK-ARN 24/1474 t/m BK-ARN 24/1484

uitspraakdatum: 24 maart 2026

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 18 juni 2024, nummers AWB 22/287, 22/288, 22/290, 22/291, 22/293 t/m 22/298 en 23/1749, ECLI:NL:RBGEL:2024:6161, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende over de jaren 2014 tot en met 2017 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: ZVW) opgelegd. Tevens heeft de Inspecteur belastingrente in rekening gebracht. Voor het jaar 2018 heeft de Inspecteur een aanslag IB/PVV en ZVW opgelegd en belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

De Inspecteur heeft de bezwaren ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen inzake de navorderingsaanslagen IB/PVV en ZVW 2014, 2015 en 2017, alsmede het beroep inzake de aanslag IB/PVV 2018 en - naar het Hof begrijpt - de aanslag ZVW 2018 ongegrond verklaard, de beroepen inzake de navorderingsaanslagen IB/PVV en ZVW 2016 gegrond verklaard, deze navorderingsaanslagen verminderd tot een bedrag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning en een bijdrage-inkomen ZVW van € 47.671 en de daarmee samenhangende beschikkingen belastingrente dienovereenkomstig verminderd. De Rechtbank heeft de Inspecteur verder veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende in bezwaar en beroep en bepaald dat de Inspecteur aan belanghebbende het voor het beroep verschuldigde griffierecht dient te vergoeden.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft op 14 januari 2026 een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2026. Namens de Inspecteur is ter zitting verschenen mr. [naam] . Belanghebbende is zonder voorafgaande kennisgeving aan het Hof niet verschenen. De griffier heeft op 19 december 2025 om 12.36 uur een bericht in het digitale dossier van de gemachtigde van belanghebbende, mr. A.P. Flinterman, geplaatst waarbij belanghebbende is uitgenodigd voor de zitting. Op 19 december 2025 om 12.45 uur is volgens de loggegevens een kennisgeving van de plaatsing van dat bericht verzonden naar het door de gemachtigde van belanghebbende voor dat doel opgegeven e-mailadres. Gelet daarop wordt aangenomen dat het bericht door de gemachtigde van belanghebbende is ontvangen.1 Bij brief van 15 januari 2026 (door het Hof ontvangen op 20 januari 2026) heeft de Inspecteur het Hof bericht dat Flinterman hem in reactie op de toezending van het verweerschrift heeft laten weten dat hij belanghebbende niet langer vertegenwoordigde. Desgevraagd heeft Flinterman dit op 20 januari 2026 ook telefonisch tegenover de griffier van het Hof bevestigd. Nu Flinterman het Hof niet eerder eigener beweging heeft bericht dat hij niet langer gemachtigd is en ook belanghebbende het Hof niet heeft geïnformeerd dat Flinterman hem niet langer vertegenwoordigt, gaat het Hof ervan uit dat Flinterman belanghebbende op 19 december 2025 (de datum van de uitnodiging voor de zitting) nog vertegenwoordigde en dat de uitnodiging belanghebbende via Flinterman heeft bereikt. Voor zover Flinterman belanghebbende niet van de zittingsdatum op de hoogte heeft gesteld, komt dit voor risico van belanghebbende. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is gehuwd met [echtgenote] (hierna: de echtgenote).

2.2.

Belanghebbende exploiteert een stoffeerdersbedrijf. De echtgenote verricht werkzaamheden voor de onderneming. De onderneming stond in de in geschil zijnde jaren 2014 tot en met 2018 in het register van de Kamer van Koophandel geregistreerd als eenmanszaak. Vanaf 1 januari 2022 staat de onderneming geregistreerd als vennootschap onder firma.

2.3.

Belanghebbende heeft in de aangiften IB/PVV voor de jaren 2014 tot en met 2018 een belastbaar inkomen uit werk en woning, geheel bestaande uit een belastbare winst uit onderneming, aangegeven van respectievelijk nihil, € 13.664, € 20.989, € 57.461 en € 27.326. De bedragen zijn als volgt tot stand gekomen:

2014

2015

2016

2017

2018

Winst

2.628

27.821

31.686

74.096

39.055

Zelfstandigenaftrek

2.628

11.932

7.280

7.280

7.280

MKB-vrijstelling

-

2.225

3.417

9.355

4.449

Belastbare winst

0

13.664

20.989

57.461

27.326

2.4.

De aanslagen IB/PVV 2014 tot en met 2017 zijn conform de aangiften opgelegd.

2.5.

De Inspecteur heeft bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld naar de aangiften omzetbelasting over de tijdvakken januari 2014 tot en met december 2017. Gedurende het onderzoek is de controle uitgebreid naar de aangiften IB/PVV voor de jaren 2014 tot en met 2017. Dit onderzoek is gestart op 24 oktober 2018, de eerste dag ter plaatse is 27 november 2018 en het slotgesprek heeft plaatsgevonden op 22 maart 2019. De bevindingen zijn neergelegd in een controlerapport van 26 maart 2019.

2.6.

Naar aanleiding van dit onderzoek heeft de Inspecteur de betreffende navorderingsaanslagen opgelegd. De correcties hebben betrekking op balanscorrecties omzetbelasting, op privégebruik auto, op privé-uitgaven die als kosten in de administratie waren opgenomen (aanschaf tapijt en tabaksartikelen), op autokosten en op betalingen in verband met werk verricht door derden. De Inspecteur is bij het opleggen van de aanslag voor het jaar 2018 afgeweken van de ingediende aangifte. Dit alles heeft geleid tot de volgende bedragen aan winst uit onderneming:

2014

2015

2016

2017

2018

Winst

59.031

81.218

63.062

104.486

68.352

Zelfstandigenaftrek

7.280

7.280

7.280

7.280

7.280

MKB-vrijstelling

7.246

10.352

7.810

13.609

8.551

Belastbare winst

44.505

63.586

47.972

83.597

52.521

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de correcties ‘betalingen in verband met werk verricht door derden’ terecht zijn, of de inkomsten van de echtgenote voor haar werkzaamheden in de onderneming terecht zijn gekwalificeerd als loon uit dienstbetrekking in plaats van (tot een hoger bedrag) als winst uit onderneming en of belanghebbende in de in geschil zijnde jaren een dotatie aan de fiscale oudedagsreserve kon doen.

3.2.

In beroep was eveneens in geschil of (met betrekking tot de navorderingsaanslagen) de Inspecteur beschikte over een nieuw feit en of de correctie wegens privégebruik auto terecht was.

4 Beoordeling van het geschil

5 Griffierecht en proceskosten

6 Beslissing