Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 20-01-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:259, 25/1525

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 20-01-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:259, 25/1525

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20 januari 2026
Datum publicatie
21 januari 2026
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:259
Formele relaties
Zaaknummer
25/1525

Inhoudsindicatie

Het Hof formuleert in deze uitspraak zijn uitgangspunten voor vergoeding van kosten voor het grotendeels geautomatiseerd laten opmaken van een taxatierapport in WOZ-zaken.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer BK-ARN 25/1525

uitspraakdatum: 20 januari 2026

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

en het incidentele hoger beroep van

de heffingsambtenaar van belastingcentrum Tribuut (hierna: de heffingsambtenaar)

tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 26 juni 2025, nummer AWB 24/5605, ECLI:NL:RBGEL:2025:4986, in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] te [plaats1] , per waardepeildatum 1 januari 2023 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2024 vastgesteld op € 1.342.000.

1.2.

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de beschikking gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De heffingsambtenaar heeft lopende het beroep de beschikking ambtshalve verlaagd tot een vastgestelde waarde van € 1.238.000. Belanghebbende heeft met die waarde ingestemd, maar het beroep voortgezet met betrekking tot de vergoeding van de proceskosten en de kosten van het opmaken van het taxatierapport. Belanghebbende heeft de Rechtbank verzocht op de voet van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) de heffingsambtenaar bij afzonderlijke uitspraak in de kosten te veroordelen. De Rechtbank heeft de heffingsambtenaar veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 651,85 aan proceskosten.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een zienswijze over het incidentele hoger beroep ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2025. Ter zitting zijn met instemming van partijen tegelijkertijd behandeld de hogere beroepen met de nummers 25/1526 en 25/1527. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. R.W.B. van Middelaar, als de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door [naam1] , alsmede de heffingsambtenaar, [naam2] , bijgestaan door [naam3] .

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende heeft, voordat de heffingsambtenaar gedeeltelijk aan het beroep tegemoet was gekomen door de WOZ-beschikking ambtshalve te verlagen, een taxatierapport overgelegd. Dit taxatierapport (hierna: het taxatierapport) is opgesteld door een medewerker van [bedrijf1] B.V., (hierna: [bedrijf1] ) onder verantwoordelijkheid van taxateur [naam4] (hierna: [naam4] ).

2.2.

Bij het taxatierapport zit een ‘specificatie’ voor een totaalbedrag van € 182,32. Dit bedrag is opgebouwd uit een starttarief van € 4, vermeerderd met 2 uur voor het opstellen van het rapport en 0,5 uur voor voorbereiding op en deelname aan de hoorzitting maal een uurtarief van € 59, ofwel € 4 + 2,5 x € 59 = € 151,50. Dit bedrag is vermeerderd met 21% omzetbelasting (€ 31,82), waarmee de specificatie uitkomt op een totaal van € 182,32 [sic].

2.3.

Met [bedrijf1] is door de gemachtigde van belanghebbende afgesproken dat, buiten het starttarief van € 4, (de rest van) het gespecificeerde bedrag alleen behoeft te worden betaald als het beroep gegrond gaat. Het starttarief wordt volgens de gemachtigde van belanghebbende altijd in rekening gebracht en staat voor een snelle check van de WOZ-waarde. Als daaruit blijkt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld, wordt verder geen taxatie opgesteld. De heffingsambtenaar heeft betwist dat het starttarief altijd in rekening wordt gebracht.

2.4.

Niet in geschil is dat belanghebbende geen recht heeft op vooraftrek van in rekening gebrachte omzetbelasting.

2.5.

Belanghebbende heeft [bedrijf2] -bureau B.V. (hierna: [bedrijf2] ) gemachtigd om deze procedure namens hem te voeren. [bedrijf2] en [bedrijf1] hebben dezelfde aandeelhouder.

2.6.

De Rechtbank heeft de proceskostenvergoeding vastgesteld op € 651,85, te weten € 615,25 voor beroepsmatige rechtsbijstand en € 36,60 voor het taxatierapport.

3 Geschil

3.1.

In geschil is uitsluitend de hoogte van de door de Rechtbank toegekende vergoeding voor het laten opmaken van het taxatierapport.

3.2.

Belanghebbende meent dat die vergoeding moet zijn € 128,26 (2 uur maal € 53, vermeerderd met 21% btw).

3.3.

De heffingsambtenaar heeft in incidenteel hoger beroep primair gesteld dat voor het rapport geen vergoeding hoeft te worden betaald omdat het geen verslag van een deskundige is en de kosten niet in redelijkheid zijn gemaakt. Subsidiair stelt de heffingsambtenaar dat voor het taxatierapport € 1 (1 minuut maal het uurtarief van € 53) moet worden vergoed, en meer subsidiair dat de maximale tijdsbesteding van de deskundige afgerond 3 dan wel 5,5 minuut bedraagt die tegen een uurtarief van € 53 moet worden vergoed.

4 Beoordeling van het geschil

5 Griffierecht en proceskosten

6 Beslissing