Home

Gerechtshof Den Haag, 12-07-2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:2173, BK-16/00582

Gerechtshof Den Haag, 12-07-2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:2173, BK-16/00582

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
12 juli 2017
Datum publicatie
28 juli 2017
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2017:2173
Formele relaties
Zaaknummer
BK-16/00582

Inhoudsindicatie

In hoger beroep is in geschil of de Rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Uitspraak

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-16/00582

in het geding tussen:

en

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 13 december 2016, nr. ROT 16/3660, ECLI:NL:RBROT:2016:9530. Het beroep betreft de onder 1.1. vermelde naheffingsaanslag.

Procesverloop

1.1.

Op 8 juni 2015 om 10:06 uur is op of aan het voertuig met het kenteken [Y] een aanslagbiljet aangebracht. Het aanslagbiljet bevat, voor zover hier van belang, de volgende informatie:

”Gemeente [Z]

NAHEFFINGSAANSLAG PARKEERBELASTING

(…)

Nummer

08 – 06 – 2015 10:06 […]

Dag Maand Jaar Tijd Verbalisant

Plaats gedraging: De voor openbaar verkeer openstaande weg

[A]

te [Z]

Soort voertuig Land Kenteken (…)

PA NL [Y]

(…)

Geconstateerd is dat op bovenvermelde plaats met vermeld (motor)voertuig is geparkeerd zonder zichtbaar en leesbaar aangebrachte geldige parkeervergunning en zonder de parkeerapparatuur in werking te stellen danwel dat de parkeerduur is verstreken.

(…)

Kosten naheffing € 59,00

Tarief € 1,67

Sanctiebedrag € 60,67

(…)”

1.2.

Belanghebbende heeft op 12 juni 2015 tegen de onder 1.1. vermelde naheffingsaanslag (hierna: de naheffingsaanslag) bezwaar gemaakt. Bij brief van 24 juni 2015 heeft de heffingsambtenaar de ontvangst van het bezwaarschrift bevestigd.

1.3.

Met dagtekening 26 juni 2015 heeft de heffingsambtenaar een duplicaat van het aanslagbiljet met vorderingsnummer […] gezonden aan [B] en Co b.v. te [C] (hierna: de BV).

1.4.

Met dagtekening 29 januari 2016 heeft de heffingsambtenaar een ”Uitspraak op bezwaarschrift Parkeerbelasting” aan de BV gezonden. Bij dit besluit is de naheffingsaanslag vernietigd en is aan de BV een vergoeding van in bezwaar gemaakte kosten ten bedrage van € 61,50 toegekend (1 punt voor het bezwaarschrift, een bedrag per punt van € 246 en een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak van 0,25).

1.5.

Belanghebbende heeft op 1 juni 2016 per fax beroep tegen het bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake is € 46 aan griffierecht geheven.

1.6.

De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 13 december 2016 niet-ontvankelijk verklaard.

1.7.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake is € 124 aan griffierecht geheven.

1.8.

De heffingsambtenaar heeft geen verweerschrift ingediend. Wel heeft hij gebruik gemaakt van de mogelijkheid een nader stuk in te dienen.

1.9.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 29 maart 2017 te Den Haag. De heffingsambtenaar is verschenen. Van de zijde van belanghebbende is (met bericht) niemand verschenen.

Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft op 10 juni 2015 een e-mail aan [F] nl gestuurd. Deze luidt, voor zover hier van belang:

”Ik heb een parkeerboete ontvangen van de gemeente [Z] , terwijl ik geparkeerd stond op een plek die m.i. eigen terrein is. (…)

Het betreft de [D] in [Z] (…)

(…)

In de bijlage vindt u de naheffingsaanslag, de ondertekende machtiging en enkele foto’s van de situatie”

2.2.

De onder 2.1. genoemde machtiging luidt, voor zover hier van belang:

”[Belanghebbende]

(…)

Aanslagnummer: […]

machtigt hierbij (…) [gemachtigde] (…) om hem (…) te vertegenwoordigen en alle handelingen te verrichten teneinde (…) (parkeer)belastingen (…) in rechte te bestrijden alsmede al hetgeen daartoe door gemachtigde noodzakelijk wordt geacht, waaronder het aanwenden van rechtsmiddelen en het opvragen van gegevens, bijvoorbeeld op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (…)”

2.3.

Een van de onder 2.1. genoemde foto’s toont de achterzijde van een auto met het kenteken [Y] (hierna: de auto). Onder het kenteken staat ” [B] ”.

2.4.

De auto was op 8 juni 2015 in het kentekenregister, bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994, ingeschreven op naam van de BV.

2.5.

Het onder 1.2 vermelde bezwaarschrift is door gemachtigde ingediend ”tegen [de] naheffingsaanslag parkeerbelastingen ten name van [belanghebbende]”.

2.6.

Tot de gedingstukken behoort een brief van gemachtigde, gedateerd 18 januari 2016 en gericht aan Gemeentebelastingen [Z] . Deze brief luidt, voor zover hier van belang:

”Betreft: Ingebrekestelling wegens het uitblijven van een beslissing op het bezwaar tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting namens [belanghebbende]

(…)

Hierbij stel ik u ex art. 236 lid 2 Gemeentewet in gebreke wegens het uitblijven van een beslissing op het bezwaar dat ik namens [belanghebbende] op 12 juni 2015 heb ingediend.

Op grond van de wet dient u thans binnen 14 dagen alsnog te beslissen, bij gebreke waarvan u een dwangsom verbeurt die elke [dag] dat u dan nog niet heeft beslist oploopt. Tevens loopt u dan het risico dat we beroep instellen bij de rechtbank.

Op 29 januari 2016 heeft u naar een ander dan bezwaarmaker een beslissing gestuurd. Met die ander hebben wij geen relatie. Daarom bent u jegens [belanghebbende] nog altijd in verzuim om op het bezwaarschrift te beslissen.”

Op de brief is een stickertje met daarop het nummer […] geplakt. Dit nummer is eveneens vermeld op een door belanghebbende overgelegde kopie van door PostNL verstrekte informatie over de bezorging van een brief op 20 januari, 7:52 uur.

2.7.

Tot de gedingstukken behoort een brief van de heffingsambtenaar waarin deze namens het college van burgemeester en wethouders reageert op een ingebrekestelling van het college wegens het niet tijdig beslissen op een WOB-verzoek dat gemachtigde in samenhang met de het bezwaar tegen de naheffingsaanslag heeft gedaan. In deze brief neemt de heffingsambtenaar het standpunt in dat de onder 2.2 aangehaalde machtiging niet (mede) door de BV is verstrekt.

2.8.

Met dagtekening 1 juni 2016 heeft belanghebbende namens belanghebbende beroep bij de Rechtbank ingesteld. Het beroepschrift luidt, voor zover hier van belang:

”Hierbij kom ik namens mijn cliënt, de heer [X] , in beroep wegens het uitblijven van een beslissing op bezwaar inzake parkeerbelasting en een dwangsombeschikking van de directeur Belastingen van de gemeente [Z] .

Geen beslissing op bezwaar en geen dwangsombeschikking

Bij brief van 18 januari 2016 hebben wij [de Inspecteur] in gebreke gesteld wegens het niet nemen van een beslissing op het door ons op 12 juni 2015 ingediende bezwaarschrift tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting. De dwangsom is inmiddels volgelopen en de dwangsombeschikking had inmiddels ook afgegeven dienen te zijn.

[De Inspecteur] is thans dus niet alleen in verzuim met het afgeven van een beslissing op bezwaar, maar ook met het afgeven van de dwangsombeschikking.

Wij verzoeken u [de Inspecteur] op te dragen binnen twee weken na de uitspraak alsnog een beslissing op bezwaar te nemen. Tevens verzoeken wij u aan [de Inspecteur] een dwangsom op te leggen voor iedere dag dat [de Inspecteur] in gebreke blijft de uitspraak na te leven.

Wij verzoeken u voorts om de hoogte van de reeds verbeurde dwangsom vast te stellen.

Verzoek om proceskostenvergoeding

Tot slot verzoek ik u een vergoeding voor de kosten van de beroepsmatig verleende rechtsbijstand in deze procedure toe te kennen. (…)”

De uitspraak van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft overwogen:

”(…)

1. Belanghebbende] komt in beroep wegens het uitblijven van een beslissing op bezwaar inzake parkeerbelasting en van een dwangsombeschikking.

1.1.

Ingevolge artikel 236, tweede lid, van de Gemeentewet doet de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, bedoelde gemeenteambtenaar op een bezwaarschrift dat niet is ingediend in de laatste zes weken van een kalenderjaar, in afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, uitspraak in het kalenderjaar waarin het bezwaarschrift is ontvangen.

Op grond van artikel 6:12, tweede lid, onder a en b van de Awb kan een beroepschrift dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit eerst worden ingediend als het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft meegedeeld dat het in gebreke is.

Verder is in het vierde lid van artikel 6:12 van de Awb bepaald dat het beroep niet-ontvankelijk is indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend.

1.2. [

Belanghebbende] heeft op 12 juni 2015 bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag van 8 juni 2015. [De heffingsambtenaar] diende uiterlijk 31 december 2015 te beslissen op het bezwaar. [Belanghebbende] heeft [de heffingsambtenaar] bij brief van 18 januari 2016 in gebreke gesteld. [Belanghebbende] heeft op 1 juni 2016 beroep ingesteld wegens gesteld uitblijven van een uitspraak op bezwaar. Volgens [de heffingsambtenaar] is dit onredelijk laat. De rechtbank volgt hem hierin. Tussen de dag waarop [de heffingsambtenaar] diende te beslissen op het bezwaarschrift en de datum waarop [belanghebbende] beroep heeft ingesteld wegens het uitblijven van de uitspraak op bezwaar ligt een periode van vijf maanden. Er zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken die deze periode rechtvaardigen. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit is niet-ontvankelijk.

2. Ten overvloede wordt overwogen dat [belanghebbende] ook anderszins niet zou kunnen bereiken wat hem voor ogen staat omdat [de heffingsambtenaar], zoals hij terecht aanvoert, al heeft beslist op het bezwaar van [belanghebbende].

2.1.

Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, waaronder het arrest van 12 augustus 2016, ECLI:NL:HR:2016:1903, is één van de gegevens, die in ieder geval op een aanslagbiljet moet worden vermeld, de naam van de belastingschuldige. Indien een aanslagbiljet de naam vermeldt van een andere rechtspersoon dan de belastingschuldige, kan dit aanslagbiljet niet tot een betalingsverplichting voor de belastingschuldige leiden, noch voor degene die ten onrechte op het aanslagbiljet is vermeld. Met betrekking tot onjuiste vermeldingen op een aanslagbiljet is als uitzondering op de regel dat het aanslagbiljet niet tot een betalingsverplichting leidt, aanvaard het geval waarin de op het aanslagbiljet vermelde gegevens redelijkerwijs geen misverstand kunnen oproepen met betrekking tot de vraag voor wie het bestemd is.

2.2.

De rechtbank past deze jurisprudentie naar analogie toe op deze procedure. Hoewel [de heffingsambtenaar] in deze procedure [belanghebbende] en [B] niet altijd even goed uit elkaar weet te houden, moet het voor (de gemachtigde van) [belanghebbende] duidelijk zijn geweest dat het bestreden besluit voor hem was bestemd op grond van de volgende feiten en omstandigheden. Er is maar één keer bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag en er is daarop maar één bestreden besluit genomen. De daarin genoemde kenmerken en de kenmerken in de overigens tussen partijen gevoerde correspondentie stemmen overeen, zoals blijkt uit het hiervoor weergegeven ”procesverloop”. [Belanghebbende], noch [E] heeft geageerd tegen de tenaamstelling in het bestreden besluit en [E] heeft de door [de heffingsambtenaar] in het bestreden besluit aan [B] toegekende en aan hem ( [E] ) betaalde proceskosten zonder protest of opmerking aanvaard en ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat de in het bestreden besluit vermelde gegevens redelijkerwijs geen misverstand kunnen oproepen met betrekking tot de vraag voor wie deze bestemd is.

3. Het beroep is niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskosten-veroordeling.

(…)”

Geschil en standpunten

Beoordeling van het geschil

Proceskosten

Beslissing