Home

Gerechtshof Den Haag, 04-05-2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:793, BK-21/00622, BK-21/00623, BK-21/00681 en BK-21/00682

Gerechtshof Den Haag, 04-05-2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:793, BK-21/00622, BK-21/00623, BK-21/00681 en BK-21/00682

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
4 mei 2022
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2022:793
Zaaknummer
BK-21/00622, BK-21/00623, BK-21/00681 en BK-21/00682

Inhoudsindicatie

Verzoek om uitstel afgewezen. Geen uitslag PCR-test overgelegd. Geen schending van de hoorplicht. Omkering van de bewijslast in verband met het niet doen van de vereiste aangifte. Belanghebbende heeft niet doen blijken dat de aanslagen IB/PVV 2015, IB/PVV 2016 en Zvw 2016 te hoog zijn vastgesteld. De Rechtbank heeft het door de inspecteur geschatte belastbare inkomen uit sparen en beleggen voor 2015 terecht verminderd. Het Hof acht de door de inspecteur gemaakte schatting van het belastbare inkomen voor 2016 redelijk. Matiging van de vergrijpboete voor 2015 wegens wanverhouding. Gelet op het stelselmatig verzuim van belanghebbende is oplegging van de maximale verzuimboete voor 2016 passend en geboden.

Uitspraak

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-21/00622, BK-21/00623, BK-21/00681 en BK-21/00682

in het geding tussen:

(gemachtigde: L. Rijsdam)

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende en het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraken van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 10 juni 2021, nummers SGR 19/4801 en 20/3261.

Procesverloop

1.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2015 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.995 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 134.983 (de aanslag IB/PVV 2015). Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen heeft de Inspecteur € 3.436 aan belastingrente in rekening gebracht alsmede een vergrijpboete opgelegd van € 59.550.

1.2.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2016 een aanslag in de IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 60.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 128.281 (de aanslag IB/PVV 2016), en een aanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw), berekend naar een bijdrage-inkomen van € 35.738 (de aanslag Zvw 2016). Tegelijkertijd is bij afzonderlijke beschikkingen bij de aanslag IB/PVV 2016 € 4.707 aan belastingrente in rekening gebracht en een verzuimboete van € 5.278 opgelegd. Bij de aanslag Zvw 2016 is bij afzonderlijke beschikking € 134 aan belastingrente in rekening gebracht.

1.3.

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 24 juni 2019 (2015) en 31 maart 2020 (2016) de aanslagen IB/PVV 2015, IB/PVV 2016, Zvw 2016 en de rente- en boetebeschikkingen gehandhaafd.

1.4.1.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De beslissing van de Rechtbank over het jaar 2015 (SGR 19/4801) luidt als volgt:

“De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag IB/PVV tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.995 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 130.943 en vermindert de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig;

- vermindert de boetebeschikking tot een bedrag van € 5.278;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 534;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47 aan eiseres te vergoeden.”

1.4.2.

De beslissing van de Rechtbank over het jaar 2016 (SGR 20/3261) luidt als volgt:

“De rechtbank:

-

verklaart het beroep gegrond;

-

vernietigt in zoverre de uitspraak op bezwaar;

-

vermindert de aanslag IB/PVV tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.262 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 128.281 en vermindert de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig;

- vernietigt de aanslag Zvw en de daarbij gegeven belastingrentebeschikking;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 534;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48 aan eiseres te vergoeden.”

1.5.

Beide partijen hebben tegen de uitspraken van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband met het door belanghebbende ingestelde hoger beroep is door de griffier éénmaal een griffierecht van € 134 geheven. Beide partijen hebben een verweerschrift ingediend. De Inspecteur heeft op 9 november 2021 een nader stuk ingediend.

1.6.

De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 24 maart 2022, gehouden te Den Haag. De gemachtigde van belanghebbende heeft bij email van 23 maart 2022, 15.53 uur, om uitstel verzocht. De griffier heeft bij e-mail van dezelfde dag, 17.41 uur, medegedeeld dat het uitstel wordt verleend, mits een bewijs van een positieve COVID-19-test (geen zelftest) wordt overgelegd. De gemachtigde heeft de griffier per e-mail van dezelfde dag bericht dat slechts gebruik is gemaakt van een zelftest en dat geen PCR-test is afgenomen. Op donderdag 24 maart 2022, 8.17 uur, heeft de gemachtigde per e-mail meegedeeld dat zij wegens verergerde klachten onder geen beding aanwezig kan zijn bij de mondelinge behandeling. De griffier heeft daarop voor aanvang van de zitting, om 8.50 uur, per e-mail aan de gemachtigde medegedeeld dat de zitting doorgang zal vinden maar dat, indien binnen een week de uitslag van een positieve PCR-test wordt overgelegd, het Hof het onderzoek zal heropenen en op korte termijn een nieuwe zitting zal plannen. Voorts heeft een man die zich voorstelde als familie van belanghebbende, op 22 maart en op 23 maart 2022 vóór de zitting telefonisch contact opgenomen met de griffie om te vragen of het uitstel zal worden verleend. De Inspecteur is verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Belanghebbende is in het onderhavige jaar werkzaam geweest bij [A B.V.] en [B B.V.] Uit de door de Inspecteur overgelegde loongegevens blijkt dat belanghebbende in 2015 € 22.995 en in 2016 € 24.262 aan loon heeft ontvangen.

2.2.

Tot de gedingstukken behoren berichten uit het zogeheten Renseignementen Informatie Systeem (RIS) waaruit blijkt dat belanghebbende in de jaren 2015 en 2016 eigenaar is van de onroerende zaken [adres 1] , [adres 2] , [adres 3] , [adres 4] , alle te [woonplaats 1] en [adres 5] te [woonplaats 2] . De WOZ-waarden van die woningen bedragen voor het belastingjaar 2015:

[adres 1] € 147.000

[adres 2] € 8.000

[adres 3] € 89.000

[adres 4] € 70.000

[adres 5] € 555.000

Totaal € 869.000

De WOZ-waarden van die woningen bedragen voor het belastingjaar 2016:

[adres 1] € 150.000

[adres 2] € 8.000

[adres 3] € 95.000

[adres 4] € 70.000

[adres 5] € 555.000

Totaal € 878.000

2.3.

Belanghebbende beschikte voorts over bankrekeningen bij de ABN AMRO Bank, de ING Bank en de Rabobank. Het totale saldo van deze rekeningen bedroeg op 31 december 2014 € 337.737, op 31 december 2015 € 359.729 en op 31 december 2016 € 387.954.

2.4.

Uit door de Inspecteur overgelegde berichten uit het RIS blijkt dat belanghebbende ook beschikte over een effectenrekening bij de Rabobank. Het saldo van deze rekening bedroeg op 31 december 2014 € 2.109.509, op 31 december 2015 € 2.018.174 en op 31 december 2016 € 2.525.132.

2.5.

Bij brief van 28 februari 2016 is belanghebbende uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2015. Met dagtekening 24 juni 2016 is aan haar een herinnering tot het doen van aangifte gestuurd en met dagtekening 2 augustus 2016 is een aanmaning verzonden. Belanghebbende heeft niet binnen de in de aanmaning gestelde termijn haar aangifte ingediend.

2.6.

Bij brief van 28 februari 2017 is belanghebbende uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2016. Met dagtekening 14 juni 2017 is aan haar een herinnering tot het doen van aangifte gestuurd en met dagtekening 14 juli 2017 is een aanmaning verzonden. Belanghebbende heeft niet binnen de in de aanmaning gestelde termijn haar aangifte ingediend.

2.7.

Bij brief van 17 mei 2018 heeft de Inspecteur belanghebbende in kennis gesteld van het voornemen een aanslag en een vergrijpboete op te leggen voor het jaar 2015. Belanghebbende heeft bij brief van 4 juni 2018 op dit voornemen gereageerd.

2.8.

De Inspecteur heeft met dagtekening 18 juli 2018 de aanslag IB/PVV 2015 opgelegd en met dagtekening 10 juli 2019 de aanslagen IB/PVV 2016 en Zvw 2016.

2.9.

Het vastgestelde belastbare inkomen uit sparen en beleggen voor het jaar 2015 is als volgt opgebouwd:

Bezittingen

-

Bank- en spaartegoeden € 337.737

-

Effecten € 2.109.509

-

Overige onroerende zaken

[adres 1] € 147.000

[adres 2] € 8.000

[adres 3] € 89.000

[adres 4] € 70.000

[adres 6] € 101.000

[adres 5] € 555.000

€ 970.000

Af: heffingvrij vermogen € 42.660

Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen € 3.374.586 x 4% = € 134.983

2.10.

Het vastgestelde belastbare inkomen uit sparen en beleggen voor het jaar 2016 is als volgt opgebouwd:

Bezittingen

-

Bank- en spaartegoeden € 359.729

-

Effecten € 2.018.174

-

Overige onroerende zaken

[adres 1] € 147.000

[adres 2] € 8.000

[adres 3] € 89.000

[adres 4] € 70.000

[adres 5] € 555.000

€ 878.000

Af: heffingvrij vermogen € 48.874

Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen € 3.207.029 x 4% = € 128.281

Oordeel van de Rechtbank

3.1.

De Rechtbank heeft voor het jaar 2015 geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:

Uitstelverzoek zitting 29 april 2021

9. De gemachtigde heeft als reden voor het verzoek om uitstel van de zitting van 29 april 2021 gegeven dat eiseres haar standpunt ter zitting nader wenst toe te lichten maar dat zij thans in [buitenland] verblijft en dat het voor haar, als gevolg van de Coronareisrestricties, niet mogelijk was om tijdig naar Nederland te reizen. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen, omdat geen sprake is van een uitzonderlijke omstandigheid die tot uitstel van de zitting noopt. Daarbij is in aanmerking genomen het late tijdstip van het uitstelverzoek en de omstandigheid dat eiseres een gemachtigde heeft die namens haar ter zitting kan verschijnen. De gemachtigde is ook ter zitting verschenen. Daar komt bij dat eiseres meer dan voldoende gelegenheid heeft gehad om haar standpunt nader toe te lichten en zij daarvan steeds geen gebruik heeft gemaakt.

Hoorplicht

10. Nadat de rechtbank bij tussenuitspraak van 16 maart 2020 verweerder in de gelegenheid heeft gesteld om eiseres alsnog binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak te horen, heeft verweerder op 10 april 2020 eiseres bericht dat hij vanwege de maatregelen rondom het Corona-virus niet in staat is om haar op korte termijn te horen. Bij aangetekende brief van 21 augustus 2020 heeft verweerder 4 september 2020 om 10.00 uur voorgesteld voor het houden van het hoorgesprek en hij heeft hierbij aangegeven dat eiseres, onder opgave van haar verhinderdata, eenmalig en binnen één week na verzending van de brief om een andere datum kan verzoeken. Volgens informatie van PostNL is de aangetekende brief op 22 augustus 2020 om 13.23 uur bij eiseres afgeleverd. Bij brief van 1 september 2020, ontvangen door verweerder op 3 september 2020, heeft eiseres verweerder bericht dat zij niet kan verschijnen. In haar brief heeft zij verweerder verzocht de vragen schriftelijk te stellen en aangegeven deze vragen schriftelijk te zullen beantwoorden.

Op 4 september 2020 is het verslag van het hoorgesprek van 4 september 2020 aangetekend aan eiseres verzonden. Volgens informatie van PostNL is deze aangetekende brief op 5 september 2020 om 12.51 uur bij eiseres afgeleverd. In het verslag van de hoorzitting is vermeld dat verweerder geen vragen heeft voor eiseres en dat hij eiseres nog eenmaal in de gelegenheid stelt om haar bezwaren mondeling toe te lichten en wel op 11 september 2020 om 10.00 uur.

Eiseres is op 11 september 2020 niet verschenen voor het hoorgesprek en heeft, ondanks dat zij daartoe is uitgenodigd, niet gereageerd op de inhoud van het hoorverslag.

Gelet op het feit dat verweerder eiseres meermaals heeft uitgenodigd voor een hoorgesprek, eiseres geen tegenvoorstel heeft gedaan voor een datum voor het houden van een hoorgesprek en ook aan de tweede uitnodiging voor een hoorgesprek geen gehoor heeft gegeven, is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende pogingen heeft ondernomen om tegemoet te komen aan het verzoek van eiseres om te worden gehoord. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek heeft hersteld. Nu dit gebrek pas na de tussenuitspraak is hersteld, zal de rechtbank het beroep in zoverre gegrond verklaren en de uitspraak op bezwaar vernietigen.

Omkering van de bewijslast

11. Vaststaat dat eiseres voor het jaar 2015 geen aangifte IB/PVV heeft gedaan, ook niet nadat zij daaraan was herinnerd en daartoe was aangemaand. Eiseres betwist dit ook niet. Dit heeft tot gevolg dat, op grond van artikel 27e, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr), het beroep van eiseres ongegrond moet worden verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. Het ligt dan op de weg van eiseres om overtuigend aan te tonen dat de uitspraak op bezwaar niet in stand kan blijven. Eiseres heeft slechts gesteld dat zij enkel inkomen uit arbeid heeft genoten, maar heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de aanslag te hoog is vastgesteld. De stelling dat het Openbaar Ministerie ervan is uitgegaan dat eiseres niet de economische eigenaar is van de onderhavige vermogensbestanddelen, is onvoldoende om aan te nemen dat de onderhavige aanslag onjuist is. Eiseres heeft ook niet doen blijken dat de vermogensbestanddelen die op haar naam staan, desalniettemin ten onrechte aan haar zijn toegerekend. Eiseres heeft dan ook niet doen blijken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is.

Redelijke schatting

12. De rechtbank dient nog wel te beoordelen of de aanslag berust op een redelijke schatting. Voor het bepalen van het belastbaar inkomen uit werk en woning heeft verweerder zich gebaseerd op de door hem overgelegde loongegevens. De rechtbank begrijpt dat het belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.995 niet in geschil is nu eiseres heeft aangevoerd dat zij alleen deze inkomsten uit arbeid heeft genoten. Voor het bepalen van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen heeft verweerder zich onder meer gebaseerd op de banksaldi van eiseres en op het onroerend goed waarvan eiseres de eigendom heeft. De rechtbank acht dit redelijk. Met hetgeen eiseres hiertegen heeft aangevoerd is zij er niet in geslaagd de redelijkheid van die schatting aan te tasten. Eiseres heeft in dit verband verwezen naar een toezegging die door verweerder zou zijn gedaan in de hoger beroepsprocedure voor het belastingjaar 2012. De rechtbank overweegt dat, wat er van een dergelijke toezegging ook zij, een mogelijke toezegging voor het belastingjaar 2012 niet van invloed is op de aanslag voor een later belastingjaar. Van een toezegging die ziet op het belastingjaar 2015 is niet gebleken. Dat, zoals eiseres stelt, een of meer vermogensbestanddelen ook bij derden in de belastingheffing worden betrokken waardoor deze bestanddelen feitelijk dubbel worden belast, acht de rechtbank niet aannemelijk.

Tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder heeft eiseres haar stellingen op dit punt onvoldoende onderbouwd. Uit de door eiseres overgelegde aanslagen IB/PVV 2015 van [C] en [D] blijkt immers niet dat de onderhavige vermogensbestanddelen ook aan hen zijn toegerekend. Verder geldt nog dat indien op de onroerende zaken en bank- en effectenrekeningen conservatoir beslag is gelegd ter verzekering van de rechten uit een schuldvordering, dit de waarde in het economisch verkeer niet beïnvloedt. Deze zaken behoren in dat geval nog steeds voor de nominale waarde tot het vermogen. De stelling van eiseres dat bij vonnis van 12 juni 2015 de onroerende zaken [adres 4] en de [adres 5] en de tegoeden op de Rabobankrekening verbeurd zijn verklaard zodat deze vermogensbestanddelen buiten beschouwing moeten blijven, slaagt evenmin. Verweerder heeft ter zitting immers onweersproken verklaard dat eiseres tegen dat vonnis in hoger beroep is gegaan zodat de verbeurdverklaring op 1 januari 2015 nog niet onherroepelijk was. Voor zover verweerder de schatting van het inkomen uit sparen en beleggen heeft gebaseerd op onroerend goed waarvan de echtgenoot van eiseres de eigendom had, is de rechtbank van oordeel dat de aanslag in zoverre niet berust op een redelijke schatting. Uit de door verweerder overgelegde stukken blijkt immers niet dat de echtgenoot ook in het jaar 2015 eigenaar was van het pand aan de [adres 6] te [woonplaats 1] , zodat verweerder de waarde van dat object van € 101.000 ten onrechte tot de grondslag van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van eiseres heeft gerekend. De rechtbank zal het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen dan ook in zoverre verminderen.

13. Gelet op het voorgaande zal het beroep gegrond worden verklaard voor zover het betreft het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen. Het belastbare inkomen uit sparen en beleggen dient te worden verminderd tot op € 130.943 (€ 3.316.246 vermogen -/- € 42.660 heffingvrij vermogen = € 3.273.586 x 4%).

Belastingrente

14. Tegen de beschikking belastingrente heeft eiseres geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd. Nu de aanslag IB/PVV wordt verminderd, dient de in rekening gebrachte belastingrente overeenkomstig de vermindering van de aanslag te worden verminderd.

Vergrijpboete

15. Verweerder heeft aan eiseres een vergrijpboete opgelegd op grond van artikel 67d van de Awr en paragraaf 26 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst op de grond dat het aan de opzet van eiseres te wijten is dat de aangifte niet, dan wel onjuist of onvolledig is gedaan. Verweerder heeft een boete opgelegd van 150% van de verschuldigde belasting. In zijn brief van 17 mei 2018 heeft verweerder zijn voornemen om een boete op te leggen als volgt gemotiveerd:

“Ik ben namelijk van mening dat u uw aangifte opzettelijk niet heeft ingediend. Ik ben tot dit oordeel gekomen op grond van de volgende feiten:

- U bent meerdere malen in de gelegenheid gesteld om uw aangifte in te dienen;

- Daarbij zijn duidelijke termijnen gesteld en bent u nadrukkelijk gewezen op de consequenties van het niet voldoen aan de aangifteplicht;

- Het is van algemene bekendheid dat wanneer u een aangifte ontvangt (althans uitgenodigd wordt aangifte te doen), u die aangifte moet doen en wel binnen de in de uitnodiging vermelde termijn.

- Het bedrag dat, indien er geen aanslag(en) naar een geschat bedrag zouden worden opgelegd, buiten de belastingheffing zou blijven is aanzienlijk;

- U heeft de afgelopen jaren (2010 tot en met 2014) geen of te laat aangifte inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en/of inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet gedaan, dan wel structureel te laat ingediend, dat wil zeggen na de uiterste data welke in de diverse aanmaningen gesteld zijn. Hierbij is het niet van belang of u ter onderbouwing van een bezwaar alsnog de aangifte(n) heeft ingediend. Dit zijn dan formeel geen aangiften meer. Voor de jaren 2010 tot en met 2014 zijn verzuimboeten opgelegd. (.. . )”

16. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank verweerder in zijn bewijslast dat sprake is van opzet geslaagd. De vergrijpboete is als zodanig dan ook terecht opgelegd. De rechtbank ziet echter aanleiding om de boete te matigen. Daartoe neemt zij in aanmerking dat eiseres gedurende de afgelopen jaren weliswaar structureel geen of te laat aangifte heeft gedaan, maar dat dit niet eerder heeft geleid tot het opleggen van een vergrijpboete. Voor de jaren 2010 tot en met 2013 zijn steeds verzuimboeten voor respectievelijk een eerste, tweede, derde en vierde verzuim opgelegd. Voor het jaar 2014 is vanwege het feit dat sprake is van stelselmatig verzuim de maximale verzuimboete van € 4.920 opgelegd. Voor het jaar 2016 is wederom de maximale verzuimboete (€ 5.278) opgelegd. Gelet hierop acht de rechtbank het voor het jaar 2015 opleggen van een vergrijpboete van deze omvang niet passend. Als verweerder de (op zichzelf begrijpelijke) intentie had de strafmaat geleidelijk te verhogen, dan ligt het niet in de rede om, nadat in 2014 nog een verzuimboete werd opgelegd, in 2015 een vergrijpboete van maar liefst 150% op te leggen. Temeer niet nu voor het jaar 2016 wederom een verzuimboete is opgelegd terwijl de feitelijke situatie voor dat jaar niet afwijkt van die voor 2015. Ten slotte weegt de rechtbank mee dat de opgelegde vergrijpboete ook absoluut gezien een zeer aanzienlijk bedrag beloopt. De rechtbank zal de boete dan ook matigen tot het bedrag van de maximale verzuimboete, te weten € 5.278. Hoewel in beginsel sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ziet de rechtbank geen aanleiding de boete op die grond te matigen. Eiseres heeft immers twee keer om uitstel van de zitting gevraagd, hetgeen de afdoening van de zaak heeft vertraagd. Overige feiten of omstandigheden die aanleiding kunnen geven om de boete verder te matigen, zijn gesteld noch gebleken.”

3.2.

Voor het jaar 2016 heeft de Rechtbank geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:

Uitstelverzoek zitting 29 april 2021

9. De gemachtigde heeft als reden voor het verzoek om uitstel van de zitting van 29 april 2021 gegeven dat eiseres haar standpunt ter zitting nader wenst toe te lichten maar dat zij thans in [buitenland] verblijft en dat het voor haar, als gevolg van de Coronareisrestricties, niet mogelijk was om tijdig naar Nederland te reizen. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen, omdat geen sprake is van een uitzonderlijke omstandigheid die tot uitstel van de zitting noopt. Daarbij is in aanmerking genomen het late tijdstip van het uitstelverzoek en de omstandigheid dat eiseres een gemachtigde heeft die namens haar ter zitting kan verschijnen. De gemachtigde is vervolgens ook ter zitting verschenen. Daar komt bij dat eiseres meer dan voldoende gelegenheid heeft gehad om haar standpunt nader toe te lichten en zij daarvan steeds geen gebruik heeft gemaakt.

Hoorplicht

10. Eiseres stelt dat zij ten onrechte niet in de bezwaarfase is gehoord. Eiseres heeft in de bezwaarfase echter niet verzocht om te worden gehoord. Onder verwijzing naar artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) is daarom van schending van de hoorplicht geen sprake.

Omkering van de bewijslast

11. Vaststaat dat eiseres voor het jaar 2016 geen aangifte IB/PVV heeft gedaan, ook niet nadat zij daaraan was herinnerd en daartoe was aangemaand. Eiseres betwist dit ook niet. Dit heeft tot gevolg dat, op grond van artikel 27e, eerste lid, van de Awr, het beroep van eiseres ongegrond moet worden verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. Het ligt dan op de weg van eiseres om overtuigend aan te tonen dat de uitspraak op bezwaar niet in stand kan blijven. Eiseres heeft slechts gesteld dat zij enkel inkomen uit arbeid heeft genoten, maar heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de aanslagen te hoog zijn vastgesteld. Zij heeft ook niet doen blijken dat de onderhavige vermogensbestanddelen die op haar naam staan, desalniettemin ten onrechte aan eiseres zijn toegerekend. Eiseres heeft dan ook niet doen blijken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is.

Redelijke schatting

12. De rechtbank dient nog wel te beoordelen of de aanslagen berusten op een redelijke schatting. Voor het bepalen van het belastbaar inkomen uit werk en woning heeft verweerder zich gebaseerd op de door hem overgelegde loongegevens. De rechtbank begrijpt dat het belastbaar loon ter grootte van € 24.262 niet in geschil is nu eiseres heeft aangevoerd dat zij alleen deze inkomsten uit arbeid heeft genoten. Aan de hoogte van het geschatte resultaat uit overige werkzaamheden van € 35.738 heeft verweerder echter geen enkele berekening ten grondslag gelegd. Verweerder heeft in dit verband slechts verwezen naar de toenames van de banksaldi en de waarde van de effecten. De toenames hoeven echter nog niet te betekenen dat sprake is van een behaald resultaat uit overige werkzaamheden. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de aanslag IB/PVV in zoverre niet berust op een redelijke schatting. Voor het bepalen van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen heeft verweerder zich gebaseerd op de banksaldi van eiseres en op het onroerend goed waarvan eiseres de eigendom heeft. De rechtbank acht dit redelijk. Met hetgeen eiseres hiertegen heeft aangevoerd is zij er niet in geslaagd de redelijkheid van die schatting aan te tasten. Eiseres heeft in dit verband verwezen naar een toezegging die door verweerder zou zijn gedaan in de hoger beroepsprocedure voor het belastingjaar 2012. De rechtbank overweegt dat, wat er van een dergelijke toezegging ook zij, een mogelijke toezegging voor het belastingjaar 2012 niet van invloed is op aanslagen voor een later belastingjaar. Van een toezegging die ziet op het belastingjaar 2016 is niet gebleken. Dat, zoals eiseres stelt, een of meer vermogensbestanddelen ook bij derden in de belastingheffing worden betrokken waardoor deze bestanddelen feitelijk dubbel worden belast, acht de rechtbank niet aannemelijk. Tegen de gemotiveerde betwisting door verweerder heeft eiseres haar stellingen op dit punt onvoldoende onderbouwd. Uit de door eiseres overgelegde stukken blijkt immers niet dat de onderhavige vermogensbestanddelen ook aan anderen zijn toegerekend. Verder geldt nog dat indien op de onroerende zaken en bank- en effectenrekeningen conservatoir beslag is gelegd ter verzekering van de rechten uit een schuldvordering, dit de waarde in het economisch verkeer niet beïnvloedt. Deze zaken behoren in dat geval nog steeds voor de nominale waarde tot het vermogen. De stelling van eiseres dat bij vonnis van 12 juni 2015 de onroerende zaken [adres 4] en de [adres 5] en de tegoeden op de Rabobankrekening verbeurd zijn verklaard zodat deze vermogensbestanddelen buiten beschouwing moeten blijven, slaagt evenmin. Verweerder heeft ter zitting immers onweersproken verklaard dat eiseres tegen dat vonnis in hoger beroep is gegaan zodat de verbeurdverklaring op 1 januari 2016 nog niet onherroepelijk was.

13. Gelet op het voorgaande zal het beroep ten aanzien van de aanslag IB/PVV gegrond worden verklaard voor zover het betreft het belastbaar inkomen uit werk en woning. Het belastbare inkomen uit werk en woning dient te worden verminderd tot op € 24.262.

14. Gelet op hetgeen onder 12 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de aanslag Zvw niet is gebaseerd op een redelijke schatting. De aanslag Zvw moet dan ook worden vernietigd. Het beroep zal, voor zover het betrekking heeft op de aanslag Zvw, gegrond worden verklaard.

Belastingrente

15. Tegen de beschikkingen belastingrente heeft eiseres geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd. Nu de aanslag IB/PVV wordt verminderd en de aanslag Zvw wordt vernietigd, dienen de in rekening gebrachte belastingrenten, voor wat betreft de aanslag IB/PVV overeenkomstig de vermindering van deze aanslag te worden verminderd, en voor wat betreft de aanslag Zvw te worden vernietigd. Het beroep, voor zover gericht tegen die beschikkingen, is ook gegrond.

Verzuimboete

16. Vaststaat dat eiseres geen aangifte heeft gedaan en dat, nu eiseres ook over de voorliggende vijf jaren geen aangifte heeft ingediend, sprake is het van stelselmatig niet doen van aangifte. Op grond van artikel 67a van de Awr en paragraaf 21 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst heeft verweerder daarom terecht de maximale verzuimboete van € 5.278 opgelegd. Feiten en omstandigheden op grond waarvan de boete zou moeten worden gematigd wegens wanverhouding tussen de boete en het beboete feit, zijn gesteld noch gebleken. In zoverre is het beroep ongegrond.”

Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten en griffierecht

Beslissing