Home

Gerechtshof Den Haag, 22-02-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2783, BK-22/00626

Gerechtshof Den Haag, 22-02-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2783, BK-22/00626

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22 februari 2023
Datum publicatie
22 april 2024
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2023:2783
Zaaknummer
BK-22/00626
Relevante informatie
Art. 10e Uitv besl LB, Art. 10ea Uitv besl LB, Art. 10ei Uitv besl LB, Art. 31 Wet LB, Art. 4 AWR

Inhoudsindicatie

Belanghebbende kwalificeert niet als een door een inhoudingsplichtige uit een ander land aangeworven werknemer in de zin van art. 10e, lid 2, letter b, UBLB 1965. De Inspecteur heeft het verzoek van belanghebbende om toepassing van de 30%-bewijsregel terecht afgewezen.

Uitspraak

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-22/00626

in het geding tussen:

(gemachtigde: C. Çiçek)

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 27 mei 2022, nummer SGR 21/4093.

Procesverloop

1.1.

De Inspecteur heeft het verzoek van belanghebbende om toepassing van de 30%-bewijsregel voor extraterritoriale werknemers bij beschikking van 1 oktober 2020 afgewezen (de beschikking).

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 49. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 136. De Inspecteur heeft een nader stuk ingediend, aangeduid als verweerschrift.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van Hof van 25 januari 2023. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft de Turkse nationaliteit. Zij is sinds 22 november 1999 in dienstbetrekking bij [bedrijf] in [buitenland] .

2.2.

De echtgenoot van belanghebbende is op 2 april 2018 in dienst getreden bij “ [A B.V.] ” in Nederland. Dit betrof een dienstbetrekking voor bepaalde tijd tot 1 maart 2019 die éénmaal is verlengd tot 31 december 2019. De Inspecteur heeft de echtgenoot van belanghebbende aangemerkt als ingekomen werknemer in de zin van artikel 10e, lid 2, letter b, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (het Uitvoeringsbesluit). Vanwege de dienstbetrekking van haar echtgenoot zijn ten aanzien van belanghebbende, haar echtgenoot en hun twee kinderen een Nederlandse verblijfstitels afgegeven voor bepaalde tijd tot 1 maart 2019. Vanwege de verlenging van de dienstbetrekking van de echtgenoot zijn ook de verblijfstitels verlengd tot 31 december 2019.

2.3.

De echtgenoot van belanghebbende heeft zich op 10 april 2018 ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP) op een adres in [woonplaats] . Belanghebbende en haar kinderen hebben zich op 15 juni 2018 op datzelfde adres ingeschreven in de BRP. De kinderen zijn vervolgens direct in Nederland naar school gegaan.

2.4.

Belanghebbende is aanvankelijk in dienstbetrekking gebleven bij [bedrijf] in [buitenland] . Zij verbleef voor haar werkzaamheden tot 18 augustus 2018 onafgebroken in haar huurwoning in [buitenland] en is daarna tot begin maart 2019 voor enkele dagen per maand voor haar werkzaamheden op en neer gereisd naar [buitenland] . In dat kader heeft belanghebbende haar huurwoning en haar bankrekening in [buitenland] aangehouden. Belanghebbende heeft haar dienstbetrekking bij [bedrijf] [buitenland] begin 2019 opgezegd, waarbij zij voor het laatst in januari 2019 salaris van [bedrijf] [buitenland] heeft ontvangen. Met ingang van 15 maart 2019 is belanghebbende in dienstbetrekking getreden bij [B B.V.] en heeft hiertoe een arbeidsovereenkomst gesloten, op 7 maart 2019 ondertekend door de HR Director van [B B.V.] en op 15 maart 2019 ondertekend door belanghebbende. In verband met het aangaan van deze arbeidsovereenkomst zijn ten aanzien van belanghebbende en haar gezin met ingang van 1 december 2019 verblijfstitels voor 5 jaar afgegeven.

2.5.

Namens belanghebbende is op 28 mei 2020 voor de dienstbetrekking bij [B B.V.] verzocht om toepassing van de 30%-bewijsregel (artikel 31a, lid 2, letter e en lid 8, van de Wet op de loonbelasting 1964, in samenhang met artikel 10ea, lid 1, Uitvoeringsbesluit). Dit verzoek is bij beschikking van 1 oktober 2020 (artikel 10ei, lid 1, Uitvoeringsbesluit) afgewezen. Bij uitspraak op bezwaar van 4 mei 2021 is het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:

“8. Artikel 10e, tweede lid, onder b, van het UB LB bepaalt wat verstaan dient te worden onder een ingekomen werknemer. De tekst van dit artikel luidt als volgt:

“2. Verstaan wordt onder:b. ingekomen werknemer: door een inhoudingsplichtige uit een ander land aangeworven, of naar een inhoudingsplichtige gezonden werknemer in de zin van artikel 2 van de wet:1⁰ met een specifieke deskundigheid die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is; en

2⁰ die in meer dan twee derde van de periode van 24 maanden voorafgaand aan de aanvang van de tewerkstelling in Nederland woonachtig was op een afstand van meer dan 150 kilometer van de grens van Nederland exclusief de territoriale zee van Nederland en de exclusieve economische zone van het Koninkrijk, bedoeld in artikel 1 van de Rijkswet instelling exclusieve economische zone.”

9. Nu de specifieke deskundigheid van eiseres niet in geschil is, dient enkel beoordeeld te worden of eiseres in meer dan twee derde van de periode van 24 maanden voorafgaand aan haar dienstverband bij [B B.V.] woonachtig was op een afstand van meer dan 150 kilometer van de Nederlandse grens en aldus kwalificeert als een werknemer die is aangeworven vanuit het buitenland. Voor de bepaling waar iemand woonachtig is, moet worden uitgegaan van het woonplaatsbegrip van artikel 4 van de Awr. Op grond van het eerste lid van dit artikel wordt naar de omstandigheden beoordeeld waar iemand woont. Daarbij moet acht worden geslagen op alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval. Het komt er volgens vaste rechtspraak op aan of deze omstandigheden van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en het land waar zij woont. Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat het voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijke leven zich in Nederland bevindt.1

10. Op eiseres rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat zij gedurende twee derde van de periode van 24 maanden voorafgaand aan haar dienstverband bij [B B.V.] woonachtig was op een afstand van meer dan 150 kilometer van de Nederlandse grens. De rechtbank acht eiseres niet geslaagd in haar bewijslast. Hiertoe overweegt de rechtbank dat eiseres zich op 15 juni 2018 samen met haar kinderen in de BRP heeft ingeschreven op het woonadres van haar echtgenoot die op dat moment al in Nederland werkzaam was. De kinderen zijn direct hierna in Nederland naar school gegaan. Eiseres is vervolgens in Nederland een passende baan gaan zoeken (die zij in maart 2019 ook heeft gevonden). Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze omstandigheden dat met ingang van 15 juni 2018 een duurzame band tussen eiseres en Nederland bestaat zodat zij vanaf die datum als fiscaal inwoner van Nederland moet worden aangemerkt. Dat eiseres haar baan in [buitenland] aanvankelijk heeft aangehouden en daarvoor, zoals zij ter zitting heeft verklaard, gemiddeld drie keer per maand vanuit Nederland naar [buitenland] reisde, maakt niet dat in de periode van 15 juni 2018 tot 15 maart 2019 geen sprake was van een duurzame band met Nederland. Daarbij acht de rechtbank voorts van belang dat uit de hiervoor geschetste omstandigheden (de kinderen op een school in Nederland, het zoeken naar een baan) blijkt dat eiseres de intentie had zich voor langere tijd in Nederland te vestigen. Evenmin hecht de rechtbank waarde aan het feit dat eiseres en haar gezin aanvankelijk op basis van een verblijfsvergunning voor een beperkte periode in Nederland mochten verblijven. Ook indien sprake is van een beperkte periode van verblijf kan immers sprake zijn van de vereiste duurzame band. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiseres niet vanuit het buitenland is aangeworven en om die reden niet als een inkomende werknemer kan worden beschouwd. Verweerder heeft het verzoek om toepassing van de 30%-bewijsregel daarom terecht afgewezen.

11. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

(…)

[1] Vgl. onder andere Hoge Raad 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6824

Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

“2. Verstaan wordt onder:

Proceskosten

Beslissing