Gerechtshof Den Haag, 16-03-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:684, BK-22/00395
Gerechtshof Den Haag, 16-03-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:684, BK-22/00395
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 16 maart 2023
- Datum publicatie
- 22 mei 2023
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2022:2195, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Zaaknummer
- BK-22/00395
- Relevante informatie
- Art. 8 Uitv.reg. BPM, Art. 10 BPM
Inhoudsindicatie
Naheffingsaanslag Bpm. Bewijslastverdeling. Schade en waardevermindering niet aannemelijk gemaakt. Geen ex-schadecorrectie. Artikel 8, lid 4, letter b, van de Uitv. reg. Wet Bpm en Bijlage I van de Uitv. reg. Wet Bpm. Ontbrekende inkoopfactuur. Taxatierapport verworpen. Toepassing hoger forfaitair tarief voor de proceskosten in de beroepsfase.
Uitspraak
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-22/00395
in het geding tussen:
(gemachtigde: S.M. Bothof)
en
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 2 maart 2022, nummer SGR 20/7369.
Procesverloop
De Inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd met betrekking tot de registratie en de daarmee verband houdende aangifte Bpm van een Ford Escape Se 2.0 4x4 (de auto).
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 354. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de naheffingsaanslag verminderd tot € 2.651 en de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende. Voorts heeft zij de Inspecteur opgedragen het griffierecht te vergoeden.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake is € 548 griffierecht geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 2 februari 2023. De gemachtigde van belanghebbende heeft aan de zitting deelgenomen via MS Teams, waarbij sprake was van een rechtstreekse beeld- en geluidsverbinding met het Hof. De Inspecteur is fysiek verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
Ter zake van de registratie van de auto heeft belanghebbende op 25 april 2019 een aangifte Bpm ingediend naar een te betalen Bpm van € 5.887. Hierbij is de verschuldigde Bpm berekend met behulp van een taxatierapport van [A B.V.] (het taxatierapport). De taxatie van de auto heeft op 16 april 2019 plaatsgevonden en het taxatierapport is op 23 april 2019 opgesteld. In het taxatierapport staat een kilometerstand van 42.395 vermeld en een CO2-uitstoot van de auto van 251 gram per kilometer. In het taxatierapport staat dat de auto meer dan normale gebruiksschade heeft. De historische nieuwprijs bedraagt € 42.395 inclusief btw en opties, en de huidige inkoopwaarde bij inkoop door handelaren van particulieren in beschadigde toestand bedraagt € 5.000. In de berekening van de reparatiekosten van de auto staat onder meer dat de kosten voor de reparatie van de automaatbak € 5.027,20 bedragen.
De auto is op 9 april 2019 gekeurd door de RDW. Ter zake hiervan schrijft de RDW in een e-mailbericht van 26 januari 2021:
“Het voertuig met het VIN […] is alleen gekeurd op 09-04-2019 te Lelystad.
Daarnaast kan een voertuig met een defecte versnellingsbak niet worden gekeurd op het testcentrum in Lelystad. Tijdens de keuring is met dit voertuig een passeergeluid meeting uitgevoerd, waarbij de versnellingsbak goed moet schakelen (vanaf 50km/h accelereren). Bovendien is er een remtest op hoge snelheid uitgevoerd (160km/h na 0 km/h). Ook wordt gecontroleerd of de snelheidsmeter goed werkt. Het is niet mogelijk deze testen uit te voeren met een defecte versnellingsbak.”
De auto is op 1 mei 2019 door Domeinen Roerende Zaken (DRZ) geschouwd. DRZ heeft de historische nieuwprijs bepaald op € 94.210. DRZ heeft de door belanghebbende opgegeven schade niet bij de auto aangetroffen. In het verslag van DRZ staat dat op basis van het RDW informatiesysteem de kilometerstand 141.859 en dat de CO2-uitstoot van de auto 251 gram per kilometer bedraagt.
In een als ‘factuur’ aangeduide interne nota van 11 juni 2019 (de reparatiefactuur) zijn onder meer kosten opgenomen met als omschrijving ‘totaal tarief onderstaande werkzaamheden’, waaronder werkzaamheden aan de automaatbak, voor een bedrag van € 1.663,74 en ‘revisie versnellingsbak’ voor een bedrag voor € 2.373,50, beide exclusief btw.
Op grond van artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag opgelegd voor een bedrag van € 5.732. De Inspecteur is uitgegaan van de door DRZ bepaalde historische nieuwprijs.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“8. In geschil is of de naheffingsaanslag op het juiste bedrag is vastgesteld. Het geschil spitst zich toe op de vragen of verweerder is uitgegaan van de juiste historische nieuwprijs en of terecht geen waardevermindering in verband met schade in aanmerking is genomen. Niet in geschil is dat moet worden uitgegaan van een netto cataloguswaarde van € 29.085 en een handelswaarde in onbeschadigde staat van € 16.112.
9. Eiseres stelt dat de naheffingsaanslag op een te hoog bedrag is vastgesteld omdat ten onrechte geen rekening is gehouden met waardevermindering in verband met schade en een leeftijdskorting van € 317. Bij de naheffingsaanslag is volgens eiseres terecht uitgegaan van een historische nieuwprijs van de auto van € 94.210. Eiseres doet in dit verband tevens een beroep op het vertrouwensbeginsel.
10. Verweerder stelt dat de naheffingsaanslag eerder te laag dan te hoog is vastgesteld. Volgens verweerder bedraagt de historische nieuwprijs van de auto € 44.990 omdat moet worden uitgegaan van de CO2 uitstoot van het referentievoertuig. De schade uit het taxatierapport is niet aangetroffen door DRZ en was dus kennelijk niet (meer) aanwezig ten tijde van de aangifte. [Indien wel moet worden uitgegaan van het taxatierapport, dan, Hof] is volgens verweerder sprake van essentiële gebreken, waardoor geen recht op vermindering als bedoeld in artikel 10 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet Bpm) bestaat. Voor leeftijdskorting van € 317 bestaat geen aanleiding, aldus verweerder.
11. Tussen partijen is niet in geschil dat moet worden uitgegaan van een netto catalogusprijs van € 29.085 zoals vermeld in het door DRZ uitgevoerde onderzoek waardebepaling. Uitgaande van een BTW percentage van 21 en een bruto Bpm van € 49.935 behorende bij een CO2 uitstoot van 152 gr/km, is in het DRZ-rapport de historische nieuwprijs juist berekend op € 94.210. De naheffingsaanslag is dan ook terecht gebaseerd op deze historische nieuwprijs. Anders dan verweerder stelt, dient bij het bepalen van de voor de auto verschuldigde Bpm niet te worden uitgegaan van de CO2 uitstoot (en dus de bruto Bpm) van referentieauto’s, maar van de CO2 uitstoot van de auto zelf.[1]
12. De bewijslast dat sprake is van waardevermindering ten gevolge van schade rust op eiseres. Eiseres heeft daartoe gewezen op het taxatierapport en de onder 3 vermelde factuur. Nu DRZ de in het taxatierapport vermelde schade niet heeft aangetroffen, slaagt eiseres er niet in om aannemelijk te maken dat de auto ten tijde van het doen van aangifte schade had die het niveau van normale gebruikssporen overstijgt. Dat de factuur voor revisie van de versnellingsbak is gedagtekend na datum van aangifte en na de datum van het DRZ onderzoek, is daarvoor onvoldoende. In het taxatierapport is de reparatie van de (automatische) versnellingsbak expliciet genoemd en er bestaat geen reden waarom DRZ dit niet zou hebben onderzocht. Kennelijk heeft het herstel van de schade plaatsgevonden in de tijdspanne tussen taxatie en aangifte. Aangezien gebruikssporen reeds zijn verdisconteerd in de koerslijstwaarde, bestaat geen aanleiding voor waardevermindering ten gevolge van schade.
13. Gelet op het voorgaande dient voor de heffing van Bpm te worden uitgegaan van een bedrag aan bruto Bpm van € 49.935, een historische nieuwprijs van € 94.210 en een handelsinkoopwaarde van € 16.112. De Bpm bedraagt € 8.538 zodat de naheffingsaanslag is verminderd tot € 2.651 (€ 8.538 -/- € 5.887). Nu de naheffingsaanslag is verminderd tot het in de brief van 1 april 2020 genoemde bedrag, behoeft het beroep dat eiseres doet op het vertrouwensbeginsel geen behandeling. Voor een extra leeftijdskorting is geen aanleiding nu bij de berekeningen is uitgegaan van de datum tenaamstelling van de auto.
14. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de naheffingsaanslag op een te hoog bedrag vastgesteld en is het beroep gegrond verklaard.
Proceskostenvergoeding
15. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.620 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 269, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 541 en een wegingsfactor 1).
[1] Vgl. gerechtshof Den Haag 22 december 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:2567.”