Gerechtshof Den Haag, 30-09-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2274, BK-24/1019
Gerechtshof Den Haag, 30-09-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2274, BK-24/1019
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 30 september 2025
- Datum publicatie
- 24 november 2025
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2024:19479, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- BK-24/1019
- Relevante informatie
- Art. 225 Gemw, Art. 8:21 Awb
Inhoudsindicatie
Parkeerbelasting. Het geschrift met de gronden van het hoger beroep van de Heffingsambtenaar hoefde niet direct aan de bewindvoerder van belanghebbende te worden gestuurd. Dat de bewindvoerder en de gemachtigde dit geschrift hierdoor te laat ontvingen om nog tijdig incidenteel hoger beroep in te stellen, leidt niet tot een verschoonbare termijnoverschrijding. De Heffingsambtenaar heeft geen huurovereenkomst overgelegd waaruit blijkt dat belanghebbende de auto heeft gehuurd waarmee is geparkeerd zonder de verschuldigde belasting te voldoen. Belanghebbende kan daarom niet als de belastingplichtige worden aangemerkt. Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank waarin de naheffingsaanslag werd vernietigd.
Uitspraak
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-24/1019
in het geding tussen:
(gemachtigde: I.N.D.J. Rissema)
en
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van de Heffingsambtenaar en het incidentele hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 25 november 2024, nummer SGR 23/7678.
Procesverloop
De Heffingsambtenaar heeft een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd ter zake van het parkeren op 4 februari 2023 ten bedrage van € 75,40, bestaande uit € 2,50 parkeerbelasting en € 72,90 aan kosten van de naheffing (de naheffingsaanslag).
Belanghebbende is tegen de naheffingsaanslag in bezwaar gekomen. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar het bezwaar tegen de naheffingsaanslag ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Er is een griffierecht geheven van € 50. De uitspraak van de Rechtbank luidt als volgt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:
“De rechtbank:
- -
-
verklaart het beroep gegrond;
- -
-
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- -
-
vernietigt de naheffingsaanslag parkeerbelasting;
- -
-
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.093,75;
- -
-
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50 aan eiser te vergoeden;
- -
-
bepaalt dat de termijn voor vergoeding van wettelijke rente gaat lopen vanaf vier
weken na de datum van deze uitspraak.”
De Heffingsambtenaar heeft op 19 december 2024 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank en dit hoger beroep op 14 januari 2025 van gronden voorzien. Het Hof heeft het geschrift met deze gronden (het geschrift) op 15 januari 2025 per aangetekende post doorgestuurd naar belanghebbende met de mededeling dat tot uiterlijk 26 februari 2025 een verweerschrift kan worden ingediend en/of incidenteel hoger beroep kan worden ingesteld. Nadat het doorgestuurde geschrift op 21 januari 2025 retour was ontvangen, heeft het Hof het adres van belanghebbende gecontroleerd in de gemeentelijke basisadministratie. Nadat vastgesteld was dat het gebruikte adres juist was, heeft het Hof de zending diezelfde dag (21 januari 2025) nogmaals verstuurd per gewone post.
Op 5 maart 2025 heeft de gemachtigde van belanghebbende (de gemachtigde) het Hof schriftelijk bericht dat hem bekend was geworden dat de Heffingsambtenaar hoger beroep had ingesteld. Op 6 maart 2025 heeft het Hof een stuk van de gemachtigde ontvangen, waaruit blijkt dat de bewindvoerder van belanghebbende hem voor deze procedure heeft gemachtigd. Op 11 maart 2025 heeft de gemachtigde gevraagd om een termijn voor het indienen van een verweerschrift. Het Hof heeft de gemachtigde op 13 maart 2025 geïnformeerd dat de termijn voor het indienen van een verweerschrift niet wordt verlengd, maar dat het hem vrij staat een nader stuk in te dienen.
Belanghebbende heeft op 4 april 2025 een stuk ingediend, dat is aangeduid als verweerschrift en incidenteel hoger beroep.
Zowel de Heffingsambtenaar als belanghebbende heeft op 28 augustus 2025 een nader stuk ingediend.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 10 september 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
Bij beschikking van 19 maart 2019 zijn de (toekomstige) goederen van belanghebbende door de kantonrechter onder bewind gesteld wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden. Het bewind is ingeschreven in het openbare Centraal Curatele- en bewindregister.
[Verhuurder] is kentekenhouder van de auto met kenteken [kenteken] (de auto).
Op 4 februari 2023 om 20:52 uur stond de auto geparkeerd aan de [straat] te [woonplaats] . Deze locatie is door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag aangewezen als een plaats waar op die datum en dat tijdstip slechts mag worden geparkeerd door middel van een geldige parkeervergunning of tegen betaling van parkeerbelasting. Tijdens een controle op vorengenoemde datum en tijdstip is geconstateerd dat voor de auto geen parkeerbelasting was voldaan en dat de auto zonder geldige parkeervergunning geparkeerd stond. Naar aanleiding daarvan is op 13 februari 2023 aan [Verhuurder] een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
[Verhuurder] heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. In het bezwaarschrift is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
“(...) Wij beroepen ons op het feit dat het voertuig ten tijde van de gedraging verhuurd was. Dit betrof bedrijfsmatige verhuur voor een periode korter dan drie maanden. Zodoende dient de huurder als betrokkene aangemerkt te worden. Bij deze willen we u daarom verzoeken de tenaamstelling van [de naheffingsaanslag] aan te passen van [ [Verhuurder] ] naar de onderstaande gegevens.
(...)
Gegevens huurder
Naam huurder: [naam belanghebbende]
(...)
Adres huurder: [adres belanghebbende]
(...)
Gegevens rit bij [Verhuurder] door huurder
Kenteken voertuig: [kenteken]
Startdatum en -tijd van de huurperiode: 2-2-2023 21:00:32
Einddatum en -tijd van de huurperiode: 5-2-2023 14:06:14”
Tot de stukken van het geding behoort een op 22 februari 2023 gedagtekende factuur van [Verhuurder] . De factuur is gericht aan belanghebbende en bedraagt in totaal € 4.224,47. De factuur heeft betrekking op de verhuur van verschillende voertuigen in de periode van 20 januari 2023 tot 15 februari 2023, waaronder de auto van 2 februari 2023 tot 6 februari 2023. Tevens zijn administratiekosten in rekening gebracht ten aanzien van een negental in de periode van 27 januari 2023 tot en met 5 februari 2023 opgelegde bekeuringen en/of naheffingsaanslagen parkeerbelasting, waaronder de bovengenoemde naheffingsaanslag. Op de factuur is vermeld dat het bedrag één tot twee werkdagen na factuurdatum van de creditcard van belanghebbende wordt afgeschreven.
Belanghebbende heeft op 7 maart 2023 bij de politie aangifte gedaan van identiteitsfraude. In het proces-verbaal van de aangifte is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
“Er is gebruik gemaakt van mijn gegevens om meerdere auto's te huren bij [Verhuurder] . (...) Ik kan u vertellen dat ik nooit een auto heb gehuurd bij [Verhuurder] .
Ik heb niemand toestemming gegeven om op mijn naam een auto te huren.
(...)
Samen met een medewerker van de politie heb ik tijdens het opnemen van de aangifte telefonisch gesproken met een medewerker van [Verhuurder] .
Doormiddels van persoonsgegevens, creditcard gegevens en een OV chipkaart kan er een account aangemaakt worden.
(...)
De man aan de telefoon vertelde dat er tijdens het aanmaken van een account gebruik is gemaakt van de volgende gegevens:
- -
-
[emailadres]
- -
-
[telefoonnummer]
- -
-
OV chipkaartnummer [nummer], geldig tot 17-03-2027
De creditcard gegevens die gebruikt zijn worden door [Verhuurder] opgevraagd en naar de
politie gestuurd.
Ik kan u vertellen dat ik niet in het bezit ben van een creditcard.
Het gebruikte telefoonnummer en het emailadres wat gebruikt is ken ik niet.”
Tot de stukken van het geding behoort een e-mail van 16 oktober 2024 van de
bewindvoerder van belanghebbende aan de gemachtigde. In deze e-mail verklaart de bewindvoerder dat hem niet bekend is wat de status van de aangifte van identiteitsfraude is en dat belanghebbende niet over een creditcard beschikt.
De Heffingsambtenaar heeft inlichtingen gevraagd bij [Verhuurder] middels het stellen van diverse vragen. [Verhuurder] heeft deze vragen op 24 december 2024 per e-mail als volgt beantwoord (waarbij per vraag steeds eerst de vraag is weergegeven en direct daarna het antwoord van [Verhuurder] ):
“1. Is het mogelijk om zonder rijbewijs te overleggen/in te scannen een auto te huren, bijvoorbeeld uitsluitend met de gegevens van een OV-chipkaart?
Nee, men dient bij het aanmaken van een account ook een rijbewijs te overleggen. Dat rijbewijs wordt via software biometrisch vergeleken met een selfie, gevalideerd op echtheid en geldigheid. Ook wordt de data van het rijbewijs vergeleken met de data de persoon opgeeft tijdens de registratie (naam, geboortedatum).
2. Is in dit geval een rijbewijs van [belanghebbende] overgelegd?
Op 20-1-2023 heeft [belanghebbende] zijn rijbewijs overlegd via onze daarvoor bestemde software. Het rijbewijs is toen gevalideerd tegen de criteria ter controle van echtheid, geldigheid en biometrisch met een selfie van de gebruiker.
3. Op de website staat dat de auto kan worden geopend met de app en dat als backup een [Verhuurder] mifare-kaart of OV-chipkaart kan worden gebruikt. Is in dit specifieke geval gebruik gemaakt van een OV-chipkaart en zo ja op wiens naam was deze gesteld?
Er is gebruik gemaakt van een OV-chipkaart. Wij kunnen niet zien of het een OV-chipkaart op naam is of een anonieme. Dat slaan we niet op. Het kaartnummer is alleen nog terug te vinden via de facturen.
4. Is het mogelijk om een account aan te maken zonder IBAN-nummer? Is het mogelijk om een account aan te maken zonder creditcardnummer?
Nee, bij het aanmaken van een account, direct bij [Verhuurder] (wat hier het geval is) en niet via een van onze partners, dient een betalingsmiddel te worden toegevoegd. Dit is een IBAN voor automatische incasso of een creditcard. Onderdeel van de inschrijving is de betaling van een borg. Zonder borg wordt het account niet geactiveerd en kan er niet gereserveerd en gereden worden.
5. Op de aan [belanghebbende] toegestuurde factuur van 22-2-2023 staat vermeld dat het bedrag van de creditcard zal worden afgeschreven. Is deze creditcard op naam van [belanghebbende] gesteld? Als dat niet het geval is, is het dan mogelijk dat iemand anders zijn creditcardnummer aan het account van [belanghebbende] heeft gekoppeld?
Op 19-1-2023 is er via een creditcard borg betaald. De naam houder was niet [belanghebbende]. Daarna hebben wij onze facturen getracht betaald te krijgen via hetzelfde creditcardnummer, maar dat is daarna niet meer gelukt.”
Als nadere toelichting heeft [Verhuurder] in een begeleidende tekst het volgende opgemerkt:
“1. Op basis van de gegevens die wij nog hebben in het systeem is [belanghebbende] degene die de rijbewijsvalidatie doorlopen heeft. Ons systeem heeft geen zaken gesignaleerd in het rijbewijs i.c.m. de videoselfie die voor twijfel zorgde indertijd dat de degene die zich inschreef niet degene was van wie het rijbewijs was.
2. Bij het aanmaken van een account bij [Verhuurder] , dient de bestuurder een gebruikersnaam, wachtwoord en pincode op te geven. De gebruikersnaam betreft het e-mailadres van de bestuurder. Met de gebruikersnaam en wachtwoord kan worden ingelogd op onze app om vervolgens een auto te reserveren. Om de auto ook daadwerkelijk te gebruiken diende indertijd op de boordcomputer van de auto ook de pincode opgegeven te worden zodat de startonderbreker uitgeschakeld werd.”
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:
“Beoordeling van het geschil
13. De parkeerbelasting wordt in beginsel geheven van degene die het voertuig heeft geparkeerd. Als de belasting niet is voldaan, wordt de houder van het voertuig aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd (artikel 225, derde lid, van de Gemeentewet (Gw). Als uitzondering op deze regel geldt dat indien een voor ten hoogste drie maanden aangegane huuroverkomst wordt overgelegd, waaruit blijkt wie ten tijde van het parkeren ingevolge deze overeenkomst de huurder van het voertuig was, niet de houder maar de huurder wordt aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd (artikel 225. Vijfde lid, Gw).
14. Voor toepassing van de uitzondering moet derhalve door eiser een huurovereenkomst met [Verhuurder] zijn gesloten. Daarop wijst dat bij [Verhuurder] een account op zijn naam is aangemaakt, met vermelding van zijn woonadres en het nummer van zijn OV chipkaart, maar deze gegevens sluiten de door eiser gestelde identiteitsfraude niet uit. Mede met het oog op de verklaring van de bewindvoerder dat eiser niet een creditcard bezit, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld dat eiser krachtens overeenkomst huurder van de auto was.
15. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de naheffingsaanslag vernietigen en dient het beroep gegrond verklaard te worden.
Proceskosten
16. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.093,75 (I punt voor het indienen van het beroepschrift, I punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de reactie van 16 oktober 2024 met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 0,5).”