Gerechtshof Den Haag, 23-10-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2583, BK-24/839 t/m 24/847
Gerechtshof Den Haag, 23-10-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2583, BK-24/839 t/m 24/847
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 23 oktober 2025
- Datum publicatie
- 23 december 2025
- Formele relaties
- Cassatie: ECLI:NL:HR:2026:538
- Zaaknummer
- BK-24/839 t/m 24/847
- Relevante informatie
- Art. 6:5 Awb, Art. 6:6 Awb, Art. 6:24 Awb, Art. 30ha AWR, Art. 30hb AWR, Art. 6:24 Awb, Art. 6:5 Awb, Art. 6:6 Awb, Art. 8:69 Awb, Awb
Inhoudsindicatie
Art. 6:5, lid 1, aanhef en onderdeel d, Awb; art. 6:24 Awb; art. 6:6 Awb. Motiveringseis. De enkele mededeling dat pro forma hoger beroep wordt ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank, onder vermelding van het zaaknummer en overlegging van de uitspraak van de Rechtbank, kan niet worden aangemerkt als motivering van het hoger beroep. Belanghebbende heeft geen gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid het verzuim te herstellen. Geen sprake van strijd met het Unierecht of het EVRM. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
Uitspraak
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummers BK-24/839 t/m 24/847
in het geding tussen:
(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven)
en
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 1 augustus 2024, nummers SGR 22/7783, SGR 22/7786, SGR 22/7787, SGR 22/7790, SGR 22/7793, SGR 22/7795, SGR 22/7797, SGR 22/8525 en SGR 22/8527.
Procesverloop
Belanghebbende heeft voor een negental auto’s belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) op aangifte voldaan.
De Inspecteur heeft de bezwaren ter zake van drie auto’s (BK-24/839 t/m BK-24/841) deels gegrond verklaard wegens toepassing van extra leeftijdskorting. De Inspecteur heeft de bezwaren ter zake van de overige auto’s (BK-24/842 t/m BK-24/847) ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen alle uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 365. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“De rechtbank:
- -
-
verklaart de beroepen met zaaknummers SGR 22/7783, SGR 22/7787, SGR 22/8525 en SGR 22/8527 gegrond;
- -
-
vernietigt de uitspraken op bezwaar 1, 3, 7 en 8, behoudens voor zover daarbij teruggaven zijn verleend;
- -
-
draagt verweerder op aan eiseres (aanvullende) teruggaven van bpm te verlenen ten bedrage van € 38 (SGR 22/7783), € 138 (SGR 22/7787), € 2 (SGR 22/8525) en € 23 (SGR 22/8527) en daarover overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 30ha en 30hb van de Algemene wet inzake rijksbelastingen belastingrente te vergoeden;
- -
-
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;
- -
-
verklaart de overige beroepen ongegrond;
- -
-
veroordeelt verweerder tot vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 833,33;
- -
-
veroordeelt de Minister van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 166,67;
- -
-
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.625;
- -
-
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van in totaal € 730 aan eiseres te vergoeden; en
- -
-
bepaalt dat de termijn voor de vergoeding van wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak, dan wel, indien dit een later gelegen datum is, vier weken na de datum waarop opgaaf is gedaan van een bankrekening op naam van eiseres.”
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is een griffierecht van € 559 geheven. De Inspecteur heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend, ingekomen bij het Hof op 15 augustus 2025. Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend, ingekomen bij het Hof op 18 september 2025.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 1 oktober 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
Belanghebbende heeft op aangifte bpm voldaan ter zake van de registratie van de volgende auto’s:
|
Auto |
Type |
Datum eerste toelating |
Datum voldoening |
Datum tenaamstelling |
Zaaknummer Rechtbank |
Zaaknummer Hof |
|
1 |
Volvo XC90 2.0 T8 |
3-12-2020 |
30-6-2021 |
8-7-2021 |
22/7783 |
24/839 |
|
2 |
Mercedes Benz AMG GT Coupe 4Matic |
5-8-2019 |
30-6-2021 |
27-7-2021 |
22/7786 |
24/840 |
|
3 |
Porsche Cayenne Coupe 2.9S |
18-10-2019 |
4-8-2021 |
24-8-2021 |
22/7787 |
24/841 |
|
4 |
Porsche 911 |
22-5-2013 |
9-7-2021 |
13-7-2021 |
22/7790 |
24/842 |
|
5 |
Volkswagen Golf 1.5e |
27-11-2019 |
1-7-2021 |
6-7-2021 |
22/7793 |
24/843 |
|
6 |
Mercedes-Benz GLE Coupe 63 AMG |
21-7-2017 |
22-7-2021 |
18-8-2021 |
22/7797 |
24/844 |
|
7 |
Volkswagen Tiguan 1.4 TSI eHybrid R-Line BS |
17-5-2021 |
8-7-2021 |
12-7-2021 |
22/8525 |
24/845 |
|
8 |
Porsche Cayenne Coupe 3.0 E-Hybrid |
19-8-2021 |
24-9-2021 |
30-9-2021 |
22/8527 |
24/846 |
|
9 |
Lamborghini Aventador |
11-8-2014 |
19-8-2021 |
26-8-2021 |
22/7795 |
24/847 |
In de aangiften zijn de handelsinkoopwaarden bepaald aan de hand van koerslijsten van XRay (auto’s 1, 2, 3 en 6) en AutotelexPro (auto’s 7 en 8). Voor auto’s 4, 5 en 9 is de forfaitaire tabel toegepast voor het bepalen van de afschrijving.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de verschuldigde bpm ter zake van auto’s 1, 2 en 3 verminderd tot respectievelijk € 2.734, € 13.300 en € 14.180 in verband met toepassing van de extra leeftijdskorting. De Inspecteur heeft ter zake van zake van auto’s 1, 2 en 3 teruggaven verleend van respectievelijk € 83, € 228 en € 478.
Belanghebbende heeft op 2 september 2024 een pro-formahogerberoepschrift ingediend. Het pro-formahogerberoepschrift vermeldt, voor zover relevant:
“Hierbij tekenen wij (pro forma) hoger beroep aan tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag op 1 augustus 2024 in voormelde zaaknummers.
Belanghebbende verzoekt hiernaast om een proceskostenvergoeding.
Ik verneem graag de voortgang van u. Bijgaand kunt u de uitspraak van de rechtbank Den Haag en de machtiging vinden.”
Ter zake van het instellen van het hoger beroep heeft het Hof een bericht aan belanghebbende verstuurd. Het bericht vermeldt onder meer het volgende:
“U heeft hoger beroep ingesteld. Dit beroep voldoet niet aan de hierna opgenomen vereisten. U heeft verzuimd:
- de gronden van het hoger beroep te vermelden; u dient te vermelden waarom u het niet eens bent met de uitspraak van de rechtbank.
Ik geef u de mogelijkheid het verzuim uiterlijk 1 oktober 2024 te herstellen.
Als u van deze mogelijkheid geen gebruik maakt, kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit betekent dat het gerechtshof uw hoger beroep niet (inhoudelijk) in behandeling neemt. Er volgt dan een uitspraak, waartegen u bij het gerechtshof in verzet kunt komen.”
Uit de opgeslagen metadata bij dit bericht in de digitale postkamer van het Hof volgt dat het voornoemde bericht bij een digitaal verzonden bericht op 3 september 2024, 17.04 uur, aan de gemachtigde van belanghebbende is verzonden via het webportaal Mijn Rechtspraak. Tegelijk met het bericht is een kennisgeving per e-mailbericht verstuurd naar het door de gemachtigde van belanghebbende opgegeven e-mailadres.
Belanghebbende heeft niet op uiterlijk 1 oktober 2024 de gronden van het hoger beroep ingediend.
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
Blijkens de pleitnota in hoger beroep is in geschil of belanghebbende teveel bpm op aangifte heeft voldaan. Verder klaagt belanghebbende dat de proceskostenvergoeding en (immateriële)schadevergoeding door de Rechtbank onjuist zijn vastgesteld. Ook wil belanghebbende een passende rentevergoeding over alle bedragen waarop zij recht heeft.
Belanghebbende concludeert, zo begrijpt het Hof, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en tot vermindering van de verschuldigde bpm. Daarnaast concludeert belanghebbende tot toekenning van een hogere proceskostenvergoeding alsmede een hogere (immateriële)schadevergoeding. Belanghebbende verzoekt voorts om vergoeding van het griffierecht en om een passende rentevergoeding.
De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.