Home

Gerechtshof Den Haag, 01-10-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2591, BK-25/28

Gerechtshof Den Haag, 01-10-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2591, BK-25/28

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
1 oktober 2025
Datum publicatie
5 januari 2026
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2025:2591
Formele relaties
Zaaknummer
BK-25/28
Relevante informatie
Art. 12a Wet LB

Inhoudsindicatie

Artikel 12a Wet LB 1964. Gebruikelijk loon. Financiële situatie vennootschap. Verzuimboete. Proceskostenvergoeding. Heffing griffierecht Inspecteur.

Uitspraak

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-25/28

in het geding tussen:

(gemachtigde: S.S.R. Ramgolam)

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 11 december 2024, nummer SGR 24/1472.

Procesverloop

1.1.

Belanghebbende heeft op 29 januari 2023 voor het tijdvak december 2022 een aangifte in de loonbelasting en premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (de loonheffingen) ingediend naar een belastbaar loon van € 48.000.

1.2.

Na het uitblijven van een betaling op aangifte heeft de Inspecteur aan belanghebbende met dagtekening 23 februari 2023 voor het tijdvak december 2022 een naheffingsaanslag in de loonheffingen opgelegd naar een belastbaar loon van € 48.000 (de naheffingsaanslag). Bij een gelijktijdig gegeven beschikking is een verzuimboete opgelegd ten bedrage van € 686 (de verzuimboete).

1.3.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de naheffingsaanslag gedeeltelijk toegewezen en het belastbaar loon verminderd tot een bedrag van € 25.000 en de verzuimboete verminderd tot een bedrag van € 118.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep is € 371 griffierecht geheven. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:

“De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de naheffingsaanslag loonheffing tot een naar een belastbaar loon van € 7.500;

- vermindert de verzuimboete tot drie procent van de nageheven belasting:

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot het bedrag van € 1.750;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 371 aan eiseres te vergoeden.”

1.5.

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. De Heffingsambtenaar met dagtekening 1 juli 2025 een nader stuk ingediend.

1.6.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad op 15 juli 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

De activiteiten van belanghebbende bestaan uit de in- en verkoop van edelmetalen, het panden van edelmetalen en registergoederen en het bewerken van edelmetalen.

2.2.

Alle aandelen in belanghebbende worden gehouden door haar enig bestuurder en werknemer, [naam] .

2.3.

Bij brief met dagtekening 6 april 2023 heeft belanghebbende haar bezwaar tegen de naheffingsaanslag gemotiveerd. In deze brief is, onder meer, het volgende vermeld:

“Voor bovengenoemde belastingplichtige is per abuis een loonaangifte ingediend voor het gehele jaar 2022. Deze aangifte is opgesteld met cijfers die toen aanwezig waren. Deze cijfers waren echter onjuist. De cijfers die bij deze aangifte horen zijn na het indienen van de aangifte gewijzigd naar de juiste cijfers. (…)”

2.4.

Tot de gedingstukken behoort een door belanghebbende ingediend overzicht van haar resultaatverloop van de jaren 2019 tot en met 2023. Het overzicht bevat de volgende gegevens.

2019

2020

2021

2022

2023

Omzet

€ 177.475

€ 192.310

€ 112.699

€ 141.710

€ 137.570

Kostprijs omzet

€ (142.200)

€ (163.684)

€ (56.994)

€ (114.051)

€ (106.432)

Personeelskosten

€ (1.094)

€ (1.620)

€ (6.480)

Afschrijvingen

€ (1.013)

€ (1.262)

€ (1.887)

€ (6.362)

€ (6.642)

Overige bedrijfskosten

€ (27.586)

€ (23.589)

€ (25.780)

€ (24.574)

€ (40.838)

Financiële baten en lasten

€ (50)

€ (242)

€ (231)

€ (577)

€ (611)

Buitengewone resultaten

€ (92)

€ (1.810)

Winst

€6.626

€ 2.347

€ 26.187

€ (5.664)

€ (23.433)

2.5.

Tot de gedingstukken behoort voorts een door belanghebbende ingediend overzicht van haar fiscale eigen vermogen voor de jaren 2019 tot en met 2023. Het overzicht bevat de volgende gegevens.

2019:

EUR

18.930

2020:

EUR

21.919

2021:

EUR

47.206

2022:

EUR

40.731

2023:

EUR

17.298

2.6.

In de jaarstukken bij de aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 2022 is een fiscale balans van belanghebbende opgenomen. De fiscale balans bevat, onder meer, de volgende gegevens:

Activa Passiva

Materiële vaste activa

€ 28.705

Fiscaal ondernemingsvermogen

€ 40.731

Voorraden

€ 13.550

Langlopende schulden

€ 16.548

Vorderingen

€ 2.625

Kortlopende schulden

€ 322

Liquide middelen

€ 12.721

Totaal activa € 57.601 Totaal passiva € 57.601

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:

“3. Op grond van artikel 12a Wet LB wordt het belastbare loon van een werknemer die arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij een aanmerkelijk belang heeft (de dga) ten minste gesteld op het zogenoemde gebruikelijk loon.

Uit het eerste lid van artikel 12a Wet LB volgt dat het gebruikelijk loon in beginsel niet minder bedraagt dan € 48.000 (cijfer 2022).

Als de inhoudingsplichtige aannemelijk maakt dat voor een soortgelijke dienstbetrekking in zakelijke verhoudingen een lager loon gebruikelijk is, dan wordt het gebruikelijk loon gesteld op dat lagere bedrag (artikel 12a, tweede lid, van de Wet LB).

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat een slechte financieel-economische positie van de onderneming kan rechtvaardigen het gebruikelijk loon lager te stellen dan uit de tekst van de bepaling voortvloeit.[1]

4. Tussen partijen is niet langer in geschil dat het op de voet van artikel 12a, tweede lid, van de Wet LB bepaalde gebruikelijke loon ten minste het door verweerder in aanmerking genomen loon van € 25.000 bedraagt. In geschil is alleen of en in welke mate de financieel-economische toestand van de onderneming tot verdere verlaging van het in aanmerking te nemen loon moet voeren. Eiser bepleit dat het op nihil moet worden gesteld. Verweerder houdt vast aan het bedrag van € 25.000.

5. In navolging van partijen gaat de rechtbank uit van de navolgende, aan de aangiftes voor de vennootschapsbelasting van eiseres ontleende cijfers.

De resultaten voor belasting waren:

2019 € 6.626

2020 € 2.347

2021 € 26.187 (dit bedrag bestaat voor € 18.231 uit TVL-steun[2])

2022 -/- € 5.664

2023 -/- € 23.433

Behoudens € 1.094 in 2020 en € 1.620 in 2021 waren er geen personeelslasten.

Het eigen vermogen bedroeg per het einde van de respectieve jaren:

2019 € 18.930

2020 € 21.919

2021 € 47.206

2022 € 40.731

2023 € 17.298

Het bedrijfsvermogen was blijkens de balans per ultimo 2022 opgebouwd als volgt:

vaste bedrijfsmiddelen € 28.705

voorraden € 13.550

vorderingen € 2.625

liquide middelen € 12.721

6.
Eiseres stelt in 2023 het besluit te hebben genomen, de onderneming te staken. Hij wijst in dit verband op de brief van 3 januari 2024 van de verhuurder van het winkelpand, waarin deze de opzegging van de huur per ultimo 2024 bevestigt.

7. Nu verweerder het gebruikelijk loon al op een lager bedrag heeft vastgesteld dan het bedrag dat voortvloeit uit de tekst van artikel 12a van de Wet LB, rust op eiseres de last aannemelijk te maken dat het te hoog is. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres daarin geslaagd. Dit oordeel berust op de volgende overwegingen.

Bij de parlementaire behandeling van de regeling heeft de wetgever overwogen dat een verlaging van het eerder vastgestelde gebruikelijk loon als zakelijk geldt, als uitbetaling van dat loon de continuïteit van de onderneming in gevaar zou brengen.[3] Uit de in r.o. 5 hiervoor genoemde cijfers volgt dat uitbetaling van een loon van € 25.000 in 2022 tot de onmiddellijke discontinuïteit van de onderneming zou hebben geleid. Voor uitbetaling van dat loon hadden immers niet alleen alle liquiditeiten maar ook de voorraden en/of de bedrijfsmiddelen moeten worden aangewend, zodat eiseres niet langer had kunnen beschikken over het bedrijfskapitaal dat voor het voeren van de onderneming benodigd is.

Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat artikel 12a van de Wet LB niet de strekking heeft dat over méér wordt geheven, dan wat de dga gedurende de levensduur van de vennootschap per saldo geniet aan loon en voordelen uit aanmerkelijk belang (liquidatie-uitkeringen daaronder begrepen). Gelet op de stand van het eigen vermogen per ultimo 2023 kan verweerder ook daarom niet in zijn standpunt worden gevolgd dat het gebruikelijk loon op € 25.000 moet worden gesteld.

8. Evenmin kan eiseres worden gevolgd in haar standpunt dat het gebruikelijk loon nihil moet zijn. Uit de per ultimo 2023 aanwezige winstreserve volgt dat het in de daaraan voorafgaande jaren mogelijk was om loonbetalingen te doen.

9. Het voorgaande leidt de rechtbank ertoe het gebruikelijk loon in goede justitie vast te stellen, op € 7.500.

10. Verweerder heeft aan eiseres een verzuimboete opgelegd op grond van artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelasting wegens te late betaling van de door haar verschuldigde loonbelasting.

Eiseres heeft niet een afzonderlijke beroepsgrond tegen de boete aangevoerd. Ter zake van het verzuim ontbreekt naar het oordeel van de rechtbank niet iedere schuld. Ook overigens is niet gebleken dat dat de boete in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht is opgelegd.

Op grond van paragraaf 23 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst wordt de boete gesteld op drie procent van het te laat betaalde bedrag. De vermindering van de naheffingsaanslag leidt tot een dienovereenkomstige verminderding van de boete, tot drie procent van de nageheven belasting.

11. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond verklaard.

(…)

[1] Zie o.m. Kamerstukken II 1995/96, 24 761, nr. 3, blz. 34 en Kamerstukken II 2007/08, 31 206, nr. 6, blz. 7.

[2] Tegemoetkoming vast lasten: een steunmaatregel in verband met de coronapandemie.

[3] Kamerstukken II 2007/08, 31 206, nr. 6, blz. 7 (hiervoor al aangehaald).”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten en griffierecht

Beslissing