Home

Gerechtshof Den Haag, 18-11-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2594, BK-24/993

Gerechtshof Den Haag, 18-11-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2594, BK-24/993

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
18 november 2025
Datum publicatie
5 januari 2026
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2025:2594
Zaaknummer
BK-24/993
Relevante informatie
Art. 6.1 Wet IB 2001, Art. 6.17 Wet IB 2001, Art. 6.18 Wet IB 2001, Art. 38 Uitv reg IB 2001, Art. 26 IVBPR

Inhoudsindicatie

Art. 6.17 Wet IB 2001, art. 5 VN-gehandicaptenverdrag, art. 26 IVBPR. Onder de gegeven feiten en omstandigheden van het geval levert toepassing van de bewijsmaatstaf ‘aannemelijk maken’ voor de aftrek van specifieke zorgkosten door een belastingplichtige met een licht verstandelijke beperking geen (indirecte) discriminatie op.

Uitspraak

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-24/993

in het geding tussen:

(gemachtigde: […] )

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 22 oktober 2024, nummer SGR 23/7638.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2020 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.026 (de aanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 65 belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep is een griffierecht van € 50 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 138. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 12 augustus 2025. De Inspecteur is verschenen. Belanghebbende en zijn gemachtigde zijn met bericht niet verschenen en hebben niet om uitstel van de zitting gevraagd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. De Inspecteur heeft ter zitting toegezegd met de gemachtigde van belanghebbende in contact te treden om binnen de grenzen van de wet en met inachtneming van de persoonlijke omstandigheden van belanghebbende te bezien of tot een akkoord gekomen kan worden over hetgeen partijen verdeeld houdt. Het Hof heeft naar aanleiding van deze toezegging het onderzoek ter zitting geschorst en de Inspecteur een termijn van acht weken gegeven om met de gemachtigde van belanghebbende in contact te treden om te bezien of onderling tot een akkoord kan worden gekomen.

1.6.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat op 14 augustus 2025 aan partijen is verzonden.

1.7.

De Inspecteur heeft het Hof op 21 augustus 2025 bericht over de uitkomst van zijn contact met de gemachtigde van belanghebbende.

1.8.

De gemachtigde van belanghebbende heeft op 26 augustus 2025 een nader stuk ingediend.

1.9.

Partijen zijn niet tot overeenstemming gekomen omtrent hetgeen hen verdeeld houdt. Zowel de Inspecteur als de gemachtigde van belanghebbende hebben het Hof telefonisch medegedeeld af te zien van een nadere zitting.

1.10.

Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Feiten

2.1.

Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] 1972 en heeft een licht verstandelijke beperking. Belanghebbende heeft geen bewindvoerder.

2.2.

Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV voor het jaar 2020 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.271.

2.3.

Voor het jaar 2020 heeft belanghebbende in zijn aangifte IB/PVV een bedrag van
€ 2.909 aan specifieke zorgkosten aangegeven. De specifieke zorgkosten zijn in de aangifte als volgt gespecificeerd:

Uitgaven voor vervoer i.v.m. ziekte of invaliditeit € 1.150

Extra uitgaven voor kleding en beddengoed € 850

Reiskosten ziekenbezoek € 375

Totaal voor verhoging € 2.375

Verhoging specifieke zorgkosten € 800

Totaal specifieke zorgkosten € 3.175

Drempel € 266

Totaal aftrekbare specifieke zorgkosten € 2.909

2.4.

De Inspecteur heeft met dagtekening 7 oktober 2022 een vragenbrief aan belanghebbende gestuurd. Naar aanleiding van de vragenbrief heeft tussen belanghebbende en de Inspecteur e-mailcorrespondentie plaatsgevonden.

2.5.

Bij brief van 15 november 2022 heeft de Inspecteur aangekondigd af te wijken van de aangifte IB/PVV 2020 van belanghebbende. In de brief is, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende vermeld:

“(…)

Persoonsgebonden aftrek

Algemeen:

In 2020 zijn er met u afspraken gemaakt in een persoonlijk gesprek met collega [naam] van kantoor [plaats]. Deze afspraken zijn vastgelegd in een brief de datum 13 maart 2020. Hierin is onder meer vastgelegd dat u vanaf kalenderjaar 2019 alle kosten aannemelijk zult maken, al dan niet met hulp van anderen. Deze brief is ondertekend retour gestuurd en daarmee bent u akkoord gegaan met deze afspraak.

Specifieke zorgkosten: vervoerskosten

In de aangifte is als specifieke zorgkosten een bedrag meegeteld van € 1.150. Voor deze uitgaven mag u de werkelijke reiskosten meetellen. U hebt de hoogte van deze reiskosten niet aannemelijk gemaakt. Ik kan daarom ook niet bepalen of u voor aftrek hiervan in aanmerking komt. Dit betekent dat het meegetelde bedrag voor uitgaven voor vervoer € 1.150 te hoog is.

Specifieke zorgkosten: kleding en beddengoed

In de aangifte is als specifieke zorgkosten een bedrag meegeteld van € 850 voor extra uitgaven voor kleding en beddengoed. Voor deze uitgaven mag u een vast bedrag als specifieke zorgkosten meetellen van € 300. Als u kunt aantonen dat de extra uitgaven hoger waren dan € 600, mag u een vast bedrag van € 750 meetellen. In uw reactie hebt u echter niet aangetoond dat de extra uitgaven hoger waren dan € 600. Daarom mag u alleen het vaste bedrag van € 300 meetellen. Dit betekent dat het meegetelde bedrag voor extra uitgaven voor

kleding en beddengoed € 550 te hoog is.

Specifieke zorgkosten: reiskosten ziekenbezoek

In de aangifte hebt u als specifieke zorgkosten een bedrag meegeteld van € 375 voor reiskosten voor ziekenbezoek. Deze reiskosten mag u alleen meetellen als u aan de volgende voorwaarden voldoet:

- U en de zieke voerden bij het begin van de ziekte een gezamenlijke huishouding.

- U en uw fiscale partner bezochten in 2020 de zieke regelmatig.

- De zieke werd langer dan een maand verpleegd.

- De enkelereisafstand tussen uw woning of verblijfplaats en de plaats waar de

verpleging plaatsvond was meer dan tien kilometer.

- Als u per taxi of met het openbaar vervoer reisde: u beschikt over de taxibonnen

of de vervoersbewijzen van de gemaakte reizen.

Ik heb van u geen informatie ontvangen over deze reiskosten. Hierdoor kan ik niet

beoordelen of u voor aftrek hiervan in aanmerking komt. Dit betekent dat het

meegetelde bedrag voor reiskosten voor € 375 te hoog is.

(…)”

2.6.

De Inspecteur heeft met dagtekening 23 december 2022 de aanslag opgelegd. Daarbij heeft de Inspecteur een bedrag van € 300 aan kosten voor extra kleding en beddengoed als specifieke zorgkosten in aanmerking genomen. Het resterende bedrag na aftrek van de drempel bedraagt € 154.

2.7.

Na schorsing van het onderzoek ter zitting van het Hof van 12 augustus 2025 heeft de Inspecteur op 13 augustus 2025 een e-mail aan de gemachtigde van belanghebbende gestuurd waarin, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende is vermeld:

“(…)

Op 12 augustus 2025 heeft de zitting plaatsgevonden in het hoger beroep van uw zoon tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2020. Mijn collega de heer […] en ik waren aanwezig namens de inspecteur. Bij het voorbereiden van de zitting heb ik mij gerealiseerd dat wij al eerder contact hadden met elkaar. Op dat moment was ik werkzaam als klachtbehandelaar, inmiddels ben ik inhoudelijk betrokken bij procedures voor Rechtbank en Gerechtshof. De procedures waar ik bij betrokken ben, beperken zich niet slechts tot zaken uit mijn eigen team. Tijdens de zitting hebben we het dossier van uw zoon besproken met de raadsheren van het gerechtshof. Ter zitting zijn we tot de conclusie gekomen dat in de behandeling van aangifte en bezwaar er geen ruimte is gevonden om meer informatie te delen over de aard en de omvang van de in aftrek gebrachte kosten. Wij gaan graag met u in gesprek om samen met u te inventariseren welke kosten voor vervoer door uw zoon in 2020 zijn gemaakt. Wellicht kunnen we daarin een aanknopingspunt vinden om de (fiscaal-juridisch noodzakelijke) aannemelijkheid van de kosten vast te stellen, anders dan door het verstrekken van bonnen.

(…)”

2.8.

Belanghebbende heeft op 17 augustus 2025 als volgt gereageerd op het onder 2.7 vermelde bericht:

“(…)

Hierdoor bevestig ik de ontvangst van uw e-mail van hierna d.d. 13 augustus 2025.

Tevens heb ik kennisgenomen van de brief van de griffier, de heer […] , d.d. 14 augustus 2025, alsmede van het proces-verbaal van de zitting bij het Gerechtshof Den Haag op 12 augustus 2025.

De voorzitter van het Gerechtshof heeft terecht opgemerkt dat voor de aftrek van specifieke zorgkosten het wettelijke vereiste geldt dat deze “aannemelijk” moeten worden gemaakt.

Uit meerdere openbare bronnen blijkt dat “iets aannemelijk maken” inhoudt dat men voldoende omstandigheden, aanwijzingen of argumenten aandraagt die het waarschijnlijk maken dat “iets” waar is. Het hoeft geen onomstotelijk bewijs te zijn, zoals bij een strikte juridische bewijslast, maar voldoende om en ander persoon redelijkerwijs te overtuigen van de geloofwaardigheid.

Indien u het dossier van [belanghebbende] zorgvuldig doorneemt, treft u daarin ondermeer vertrouwelijke medische informatie aan, waaronder een verslag van de psycholoog, de psychiater en informatie over zijn psychoses en medicatie (zoals Risperdal). Mijn e-mail met bijlagen van 20 april 2024 aan uw collega […] biedt u daartoe meer dan voldoende overtuiging. Wanneer ik als vader van [belanghebbende] aangeef dat [belanghebbende] de opgevoerde kosten, zoals reiskosten, daadwerkelijk heeft gemaakt, kunt u dat als geloofwaardig en aannemelijk

beschouwen.

Dit geldt niet alleen voor het jaar 2020, maar eveneens voor de voorgaande en opvolgende jaren. Bonnetjes of losse aantekeningen zijn er niet, maar de feiten en omstandigheden maken de noodzaak en realiteit van deze kosten voldoende aannemelijk.

Tevens wijs ik erop dat zowel de Belastingdienst als de Rechtspraak erkennen dat verstandelijk gehandicapten vaak structureel met extra kosten worden geconfronteerd, zoals:

* extra wasbeurten van kleding en beddengoed;

* meerkosten voor kleding en beddengoed wegens vervuiling en gebrekkige persoonlijke verzorging;

* noodzakelijke hulpmiddelen voor bereikbaarheid, zoals een mobiele telefoon en de bijbehorende gebruikskosten.

Ook voor het aankopen van extra / ander kleding en beddengoed is het maken van reiskosten noodzakelijk.

Het merendeel van deze extra kosten zijn niet in de aangifte van 2020, de voorgaande en opvolgende jaren opgevoerd.

Zoals ik reeds in eerdere berichten heb aangegeven: “Uit een wasmachine komen geen bonnetjes”. Ook geen “kladjes”.

De noodzaak en het structurele karakter van ook deze kosten acht ik hiermee meer dan voldoende aannemelijk gemaakt.

Uw uitnodiging voor een gesprek, bijvoorbeeld bij de Belastingdienst in [plaats] of [plaats] , waardeer ik op zichzelf.

Echter, aangezien ik niets kan toevoegen aan hetgeen reeds aannemelijk is gemaakt, zou zo’n gesprek niet zinvol zijn en slechts tijd kosten voor alle betrokkenen.

Ik zou in 5 minuten weer buiten staan.

Indien u mijn weergaven en onderbouwingen vertrouwt en de aangifte Inkomstenbelasting over 2020 en de daaropvolgende jaren volgt, kan dit dossier worden afgerond en wordt verdere tijd- en geldverspilling voorkomen. "Goed vertrouwen is het halve werk.

(…)"

Oordeel van de Rechtbank

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten en griffierecht

Beslissing