Home

Gerechtshof Den Haag, 29-01-2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:114, BK-25/14

Gerechtshof Den Haag, 29-01-2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:114, BK-25/14

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
29 januari 2026
Datum publicatie
9 februari 2026
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:114
Formele relaties
Zaaknummer
BK-25/14
Relevante informatie
Art. 3.2 Wet IB 2001, Art. 35b SW, Art. 35c SW, Art. 35d SW, Art. 9 Uitv.reg. S&E

Inhoudsindicatie

Art. 35c, lid 1, letter c en 35d, lid 1, letter c, Successiewet. Schenkbelasting. Moeder houdt 49% van de aandelen in Holding BV en verkrijgt de resterende 51% na overlijden vader. Na drie jaar volgt juridische splitsing naar BV nieuw en schenkt moeder alle aandelen in BV nieuw aan belanghebbende. Bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) van toepassing op 49% van de aandelen BV nieuw, omdat moeder de resterende 51% niet onafgebroken gedurende vijf jaar in bezit heeft gehad. Tekst van de wet is duidelijk. Aan een doel en strekking-uitleg wordt niet toegekomen. De Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting leidt niet tot een ander oordeel. Het geval van belanghebbende komt niet overeen met de gevallen genoemd in het BOR-besluit. Hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-25/14

in het geding tussen:

(gemachtigde: R.J. van Schothorst)

en

(vertegenwoordiger: [...] )

inzake het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 5 december 2024, nummer SGR 24/2751.

Procesverloop

1.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag in de schenkbelasting opgelegd naar een belaste schenking van € 92.853 (de aanslag).

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake daarvan is een griffierecht van € 51 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 143. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 23 juli 2025, ingekomen op 24 juli 2025, een nader stuk ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 4 december 2025. Partijen zijn verschenen. De Inspecteur heeft een pleitnota overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

[vader] , de vader van belanghebbende en [moeder] , de moeder van belanghebbende, hielden sinds 1986 51% respectievelijk 49% van de aandelen in [Holding B.V.] . Tussen vader en moeder bestond geen gemeenschap van goederen. In verband met het overlijden van vader op [overlijdensdatum] 2016 heeft moeder op 6 september 2017 de aandelen in Holding BV van vader verkregen. Vanaf deze datum hield moeder 100% van de aandelen in Holding BV.

2.2.

Op 7 september 2020 is Holding BV juridisch gesplitst, waarbij een deel van het vermogen van Holding BV is afgesplitst naar de nieuw opgerichte vennootschap [B.V. 1] . Vervolgens heeft moeder op dezelfde dag alle aandelen in [B.V. 1] geschonken aan belanghebbende.

2.3.

[B.V. 1] bezit 100 percent van de aandelen in [B.V. 2] . [B.V. 1] en [B.V. 2] drijven met hun gehele vermogen een onderneming in de zin van artikel 3.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001. De waarde van het overgedragen ondernemingsvermogen van [B.V. 1] bedroeg ten tijde van de schenking € 205.349.

2.4.

Op 17 december 2020 heeft belanghebbende aangifte van de schenking van de aandelen in [B.V. 1] gedaan. Daarbij heeft zij voor het volledige aandelenpakket een beroep gedaan op de voorwaardelijke vrijstelling van artikel 35b van de Successiewet 1956 (Sw 1956), de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR).

2.5.

Bij brief van 7 februari 2023 heeft de Inspecteur belanghebbende meegedeeld voornemens te zijn af te wijken van de aangifte schenkbelasting aangezien voor een gedeelte van 51% van het geschonken aandelenpakket niet is voldaan aan de eis dat de moeder van dat gedeelte gedurende 5 jaar voorafgaand aan de schenking aanmerkelijkbelanghouder is geweest als bedoeld in artikel 35c, lid 1, onderdeel c, Sw 1956. Belanghebbende heeft daarop een reactie ingediend, die de Inspecteur geen aanleiding heeft gegeven zijn standpunt te herzien.

2.6.

De Inspecteur heeft vervolgens met dagtekening 31 juli 2023 de definitieve aanslag schenkbelasting vastgesteld. In de aanslag is voor een gedeelte van 49% van het ondernemingsvermogen van € 205.349, oftewel € 100.621, de BOR toegepast. De aanslag schenkbelasting is als volgt vastgesteld:

Verkrijging: € 205.349

Af: BOR 49%: € 100.621 -/-

Af: Jaarlijkse vrijstelling: € 5.515 -/-

Af: Latentie: € 6.360 -/-

Belaste schenking € 92.853

10% over € 92.853:

Verschuldigd bedrag aan schenkbelasting € 9.285.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft het volgende overwogen en beslist, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:

“ 8. Op grond van artikel 35b van de Sw geldt een voorwaardelijke vrijstelling van het schenkingsrecht bij – kort gezegd en voor zover van belang – schenking van ondernemingsvermogen door een kwalificerende schenker.

9. Artikel 35c, eerste lid, van de Sw bepaalt, voor zover van belang, dat onder de verkrijging van ondernemingsvermogen wordt verstaan:

“1. (...) de verkrijging van:

a. een onderneming als bedoeld in artikel 3.2 van de Wet inkomstenbelasting 2011, of een gedeelte daarvan;

b. (...);

c. vermogensbestand[d]elen die bij de erflater of schenker behoorden tot een aanmerkelijk belang (...) mits het lichaam waarop het belang betrekking heeft een onderneming drijft als bedoeld in onderdeel a (...);

d. (...).”

10. Artikel 35d, eerste lid, van de Sw bepaalt, voor zover van belang, dat voor toepassing van de BOR:

“ 1. (...) onder erflater of schenker [wordt] verstaan een erflater [(...) onderscheidenlijk een schenker] die gedurende vijf jaren tot de schenking:

a. ondernemer was in de zin van artikel 3.4 of artikel 3.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001 met betrekking tot de in artikel 35c, eerste lid, onderdeel a bedoelde onderneming;

b. (...);

c. aanmerkelijkbelanghouder was van de vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 35c, eerste lid, onderdeel c (...);

d. (...).”

11. In artikel 9, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting (Uitvoeringsregeling) zijn uitzonderingen op de in artikel 35d, eerste lid, van de Sw gestelde bezitseis geformuleerd.

12. Eiseres legt de geciteerde bepalingen zo uit, dat degene die gedurende vijf jaar een aanmerkelijk belang houdt als ‘schenker’ in de zin van artikel 35d, eerste lid van de Sw kwalificeert en dat die kwalificatie volstaat voor toepassing van de BOR op alle aandelen in de desbetreffende vennootschap, dus ook die waarmee het aandeelhouderschap binnen de termijn van vijf jaar is uitgebreid. De rechtbank volgt eiseres daarin niet.

Doordat in artikel 35d, eerste lid, onderdeel c, van de Sw wordt verwezen naar artikel 35c, eerste lid, onderdeel c, van de Sw, geldt als vereiste dat de aandelen die worden geschonken gedurende vijf jaar in het bezit van de schenker waren. Anders gezegd, onder “de vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 35c, eerste lid, onderdeel c” worden geen andere vermogensbestanddelen verstaan dan die, welke “bij de erflater of schenker behoorden tot een aanmerkelijk belang”. Uit de tekst van de bepalingen volgt daarmee dat indien en voor zover een aandelenbelang wordt uitgebreid, daarvoor een nieuwe, op zichzelf staande bezitstermijn aanvangt.

Ook de systematiek duidt daar op. Voor het geval van schenking van ondernemingsvermogen (artikel 35c, eerste lid, onderdeel a, van de Sw) heeft de Hoge Raad in het arrest van 14 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:647, geoordeeld dat de BOR niet van toepassing is op het gedeelte waarmee het relatieve aandeel in de onderneming gedurende vijf jaar voor de schenking wordt uitgebreid. Aangezien de wetgever nadrukkelijk heeft bedoeld de overgang van aandelen zoveel mogelijk gelijk te behandelen als de rechtstreekse overgang van ondernemingsvermogen,[1] moet hetzelfde gelden voor de uitbreiding van het relatieve aandeel in een vennootschap. De verwijzing van eiseres naar het arrest van 29 mei 2020 gaat niet op. Dat arrest gaat over de uitbreiding van de objectieve onderneming binnen de termijn van vijf jaar en behandelt een andere vraag dan die van vergroting van de subjectieve gerechtigdheid tot de onderneming. Daarmee volgt zowel uit de tekst als de systematiek van de bepalingen dat het bezitsvereiste van vijf jaar geldt voor ieder vermogensbestanddeel afzonderlijk, zodat ten aanzien van 51% van de aandelen niet aan de voorwaarden van artikel 35c, eerste lid, onderdeel c, van de Sw is voldaan.

13. Eiseres stelt verder dat moeder 51% van de aandelen [Holding B.V.] krachtens erfrecht van vader verkregen heeft, waardoor de periode waarin vader de aandelen heeft gehouden moet worden toegerekend aan moeder. Daarbij wijst eiseres op doel en strekking van de BOR.

14. In artikel 9 van de Uitvoeringsregeling is een aantal concrete gevallen opgenomen, waarin bij overdracht van ondernemingsvermogen de voorgaande bezitsperiode mee-overgaat. Daarin is onder andere voorzien bij overgang onder algemene titel krachtens fusie, huwelijksvermogensrecht en als de erflater het door hem nagelaten ondernemingsvermogen binnen een jaar voor zijn overlijden krachtens erfrecht of schenking heeft verkregen. De bepaling voorziet niet in de situatie, zoals onderhavige, van verkrijging krachtens erfrecht door de schenker binnen vijf jaar voorafgaand aan de schenking. Dat geval wijkt in zoverre af van de gevallen waarin artikel 9 Uitvoeringsregeling voorziet, dat partijen het moment van de schenking en daarmee de duur van de bezitsperiode zelf in de hand hebben. Mede met het oog daarop moet worden aangenomen dat de besluitgever bedoeld heeft met artikel 9 Uitvoeringsregeling uitputtend te regelen in welke gevallen het bezitsvereiste van artikel 35d, eerste lid, van de Sw wordt genuanceerd. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat daarmee geen ruimte voor een op doel en strekking van de wet gebaseerde, van deze bepalingen afwijkende wetstoepassing. De rechtbank verwerpt ook deze stelling van eiseres.

15. Gelet op wat hiervoor is overwogen moet het beroep ongegrond worden verklaard.

Proceskosten

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

(...)

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten

Beslissing