Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 26-01-2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:186, 20/00671

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 26-01-2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:186, 20/00671

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26 januari 2022
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2022:186
Zaaknummer
20/00671

Inhoudsindicatie

Verwijzing Hoge Raad. Belanghebbende heeft een uitzendbureau. Belanghebbende biedt aan buitenlandse uitzendkrachten gedurende de looptijd van de uitzendovereenkomst op haar kosten een onderkomen aan. De omzetbelasting die de aanbieders van de onderkomens in rekening brengen is door belanghebbende in aftrek gebracht. Van belang is of deze uitgaven primair worden opgeroepen door de bijzondere behoeften van de onderneming. Naar het oordeel van het hof is dit niet het geval. De inspecteur heeft de aftrek van voorbelasting terecht gecorrigeerd.

Uitspraak

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 20/00671

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van rechtbank Gelderland (hierna: de rechtbank) van 28 februari 2017, nummer 16/2457, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft een naheffingsaanslag omzetbelasting over de periode 1 oktober 2014 tot en met 31 december 2014 opgelegd.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Bij uitspraak van 18 oktober 2018 (hierna: de uitspraak van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden) heeft gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

1.5.

De uitspraak van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is op het beroep in cassatie van het belanghebbende bij arrest van de Hoge Raad van 13 november 20201 (hierna: het verwijzingsarrest) vernietigd en verwezen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: het hof).

1.6.

Belanghebbende heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld door het hof, bij brief van 12 februari 2021 een conclusie op het verwijzingsarrest ingediend. De inspecteur heeft in zijn brief van 19 oktober 2021 gereageerd op het verwijzingsarrest en de conclusie na verwijzing van belanghebbende.

1.7.

Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het hof en aan de inspecteur. Deze pleitnota wordt met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgelezen.

1.8.

De zitting heeft met behulp van audiovisuele communicatiemiddelen plaatsgevonden op 26 november 2021 in ’s-Hertogenbosch. Aan deze zitting hebben deelgenomen [A] namens belanghebbende, [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] , als gemachtigden van belanghebbende en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1.9.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.10.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft een uitzendbureau. Zij stelt uit het buitenland afkomstige arbeidskrachten in Nederland tegen vergoeding ter beschikking aan voornamelijk bedrijven die actief zijn op het terrein van gevelbouw en - in mindere mate - van afbouw, schilderwerk aan gebouwen, installatietechniek en scheepsbouw.

2.2.

De door belanghebbende ter beschikking gestelde buitenlandse arbeidskrachten (hierna: de uitzendkrachten) werken vrijwel nooit langer dan zes maanden op dezelfde locatie. Zij werken niet langer dan tweeënhalf jaar voor belanghebbende. In de regel blijven de uitzendkrachten ingeschreven staan als inwoner van de plaats in het land waar zij vandaan komen (Duitsland, Roemenië, Hongarije en Polen) en blijven hun gezinsleden achter in dat land.

2.3.

Aan de uitzendkrachten biedt belanghebbende gedurende de looptijd van een met hen te sluiten uitzendovereenkomst op haar kosten een onderkomen aan dat zo dicht mogelijk bij de werklocatie is gelegen. Hier kunnen de uitzendkrachten overnachten en verblijven op de tijden dat zij niet werken. Het gaat om onderkomens in hotels, pensions, flatwoningen en vakantiewoningen (hierna: de onderkomens). Belanghebbende vraagt van de uitzendkrachten hiervoor geen vergoeding. In de uitzendovereenkomst is vastgelegd dat de uitzendkrachten slechts het recht hebben, en verplicht zijn van deze onderkomens gebruik te maken, zolang die overeenkomst van kracht is.

2.4.

Wisseling van opdracht kan in de praktijk meebrengen dat de uitzendkrachten gedurende de looptijd van de uitzendovereenkomst op verschillende locaties in Nederland werken en ook in verschillende onderkomens worden ondergebracht. Indien zij het onderkomen weigeren, krijgen zij geen vergoeding voor een andere verblijfsruimte.

2.5.

De omzetbelasting die aan belanghebbende in rekening wordt gebracht door de aanbieders van de onderkomens heeft zij bij haar aangifte voor de omzetbelasting over de periode 1 oktober 2014 tot en met 31 december 2014 in aftrek gebracht. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat in de gegeven omstandigheden aftrek van deze omzetbelasting is uitgesloten. Hij heeft daarom bij de onderhavige naheffingsaanslag de hiervoor bedoelde omzetbelasting van belanghebbende nageheven.

2.6.

De naheffingsaanslag is opgelegd naar een bedrag van € 5.665.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag terecht is vastgesteld. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de aftrek van omzetbelasting is uitgesloten op grond van artikel 1, lid 1, aanhef en letter c, Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 (hierna: het BUA).

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de naheffingsaanslag. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

5 Beslissing