Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 29-06-2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:2123, 20/00702 en 20/00703

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 29-06-2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:2123, 20/00702 en 20/00703

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29 juni 2022
Datum publicatie
13 juli 2022
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2022:2123
Zaaknummer
20/00702 en 20/00703
Relevante informatie
Algemene wet inzake rijksbelastingen [Tekst geldig vanaf 01-01-2023 tot 01-01-2024] art. 4

Inhoudsindicatie

Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen. Niet in geschil is dat belanghebbende op basis van nationale wetgeving van Turkije inwoner is van die Staat en op basis van artikel 4 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen inwoner is van Nederland. Verder is niet in geschil dat belanghebbende in beide Staten een duurzaam tehuis ter beschikking stond. Met welk land zijn de persoonlijke en de economische betrekkingen het nauwst zijn (waar ligt middelpunt van de levensbelangen)? Het middelpunt van de levensbelangen van belanghebbende lag in Nederland. De woonplaats in Nederland van het gezin (echtgenote en dochter) en het feit dat belanghebbende gehuwd is met zijn echtgenote dwingt niet tot de conclusie dat de persoonlijke en de economische betrekkingen van belanghebbende het nauwst met Nederland zouden zijn, omdat de echtgenoot zich zou moeten voegen bij de in Nederland wonende echtgenote. Gehuwden hoeven voor een huwelijkse samenleving immers niet samen te wonen. Dat belanghebbende en zijn echtgenote hun eigen levens leidden kan in dit geval niet tot de conclusie leiden dat sprake was van een duurzaam gescheiden leven. Daarvan is pas sprake als:

a) ten minste één van de gehuwden de huwelijkse samenleving wil verbreken;

b) ieder van hen afzonderlijk een eigen leven leidt alsof hij of zij niet met de ander is gehuwd;

c) ten minste één van hen deze situatie als blijvend bedoelt.

Daaraan is niet voldaan. Het zelfstandige, eigen leven van belanghebbende in Turkije staat niet in de weg aan de conclusie dat de persoonlijke en de economische betrekkingen van belanghebbende het nauwst met Nederland waren, evenmin als het zelfstandige, eigen leven van de echtgenote.

Uitspraak

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 20/00702 en 20/00703

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

ten tijde van het indienen van het hoger beroep domicilie gekozen in [plaats 1] , heden wonend te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van Rechtbank Zeeland-West Brabant (hierna: de rechtbank) van 27 oktober 2020, nummer BRE 19/5938 en 19/5939 in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2015 en de aanslag IB/PVV 2016 opgelegd.

1.2.

Belanghebbende heeft tegen deze aanslagen bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft in reactie op het verweerschrift met toestemming van het hof een conclusie van repliek ingediend. De inspecteur heeft vervolgens een conclusie van dupliek ingediend.

1.6.

Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend.

1.7.

De zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2022 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende, tot zijn bijstand vergezeld van zijn echtgenote [de vrouw] en zijn gemachtigden [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .

1.8.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.9.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit en is op 7 juni 2013 getrouwd. Samen met zijn echtgenote heeft belanghebbende een minderjarige dochter. Uit een eerder huwelijk heeft belanghebbende vier (meerderjarige) kinderen.

2.2.

Belanghebbende was werkzaam als piloot en was tot 13 maart 2013 als zodanig werkzaam voor [vliegtuigmaatschappij 1] . Met ingang van die datum moest belanghebbende vanwege zijn leeftijd met pensioen. Belanghebbende wilde echter graag verder werken als piloot en is per 15 augustus 2013 in dienst getreden bij [vliegtuigmaatschappij 2] (hierna: [vliegtuigmaatschappij 2] ). Zijn standplaats is [plaats 2] , Turkije. Belanghebbende heeft in de jaren 2015 en 2016 loon genoten, respectievelijk € 127.913 en € 132.179, waarop door [vliegtuigmaatschappij 2] Turkse belasting is ingehouden. Daarnaast ontving belanghebbende in de jaren 2015 en 2016 een pensioenuitkering van [stichting] (hierna: [vliegtuigmaatschappij 1] ) van respectievelijk € 147.824 en € 149.745, waarover door [vliegtuigmaatschappij 1] loonheffingen zijn ingehouden.

2.3.

Belanghebbende stond tot 22 juni 2015 in Nederland in de Basisregistratie Personen ingeschreven op het adres [adres] te [woonplaats] . Op dit adres staat sinds 15 maart 2011 ook de echtgenote van belanghebbende ingeschreven. Met ingang van 21 juni 2015 staat belanghebbende in de Basisregistratie Personen geregistreerd op een Turks adres. In Turkije verbleef belanghebbende in 2015 in een hotel. Omstreeks 16 mei 2016 huurde belanghebbende een appartement. Met ingang van 7 oktober 2020 is belanghebbende in de Basisregistratie Personen ingeschreven in Nederland op het adres in [woonplaats] .

2.4.

Belanghebbende was in de onderhavige jaren (mede-)eigenaar van drie in Nederland gelegen onroerende zaken, te weten het woonhuis aan het [adres] te [woonplaats] , waar de echtgenote en de minderjarige dochter van belanghebbende verbleven, een appartement, waar zijn schoonouders wonen, en een garage. Belanghebbende beschikte in de onderhavige jaren over verschillende bankrekeningen in Nederland, een bankrekening in Turkije en een ‘Platinumcard’. Daarnaast beschikte belanghebbende in Nederland over een auto, waarvan ook zijn echtgenote en dochter gebruik maakten, en in Turkije over een scooter.

2.5.

Volgens het contract met [vliegtuigmaatschappij 2] . mocht belanghebbende maximaal 8 vrije dagen opnemen in de zomerperiode (half mei tot half oktober) en in de andere periode de overige 12 vakantiedagen. Het aantal totale aantal vakantiedagen bedroeg 20. Volgens dit contract werkte belanghebbende 21 dagen en daarna was hij dan 7 dagen vrij. Maandelijks kon belanghebbende beschikken over een gratis vliegticket om naar Nederland te vliegen, maar dat ticket kon ook gebruikt worden voor een andere bestemming. Belanghebbende en zijn echtgenote hebben elkaar frequent gezien, ofwel omdat belanghebbende naar Nederland vloog ofwel omdat de echtgenote (al dan niet met dochter) naar Turkije vloog.

2.6.

De Turkse autoriteit heeft op 3 juli 2015 een woonplaatsverklaring afgegeven, waarin is vermeld dat belanghebbende vanaf 29 juli 2013 inwoner is van Turkije en dat hij voor zijn wereldinkomen is onderworpen aan de inkomstenbelasting. De verblijfsvergunning is op 3 juli 2015 verleend. Belanghebbende had een Turks fiscaal nummer.

2.7.

Belanghebbende betaalde vanaf 16 mei 2016 in Turkije voor gas, water en licht en hij had daar een internet- en tv-abonnement. Belanghebbende had met ingang van 16 mei 2016 een mobiel telefoonabonnement voor een Turks nummer.

2.8.

Belanghebbende heeft een werkvergunning van 12 juli 2014 tot 11 juli 2016 en van 11 juli 2018 tot 10 juli 2020 overgelegd. Van 11 juli 2016 tot 11 juli 2018 had hij ook een werkvergunning.

2.9.

Aanvankelijk wilde belanghebbende vanaf het moment dat hij in 2013 ging werken voor [vliegtuigmaatschappij 2] in Turkije met zijn echtgenote en dochter gaan emigreren naar Turkije. Belanghebbende heeft pas omstreeks 16 mei 2016 voor hem en zijn gezin geschikte woonruimte gevonden. Na de (mislukte) staatsgreep op 15/16 juli 2016 in Turkije is besloten om van emigratie met het gezin naar Turkije af te zien, omdat de echtgenote en de dochter in Nederland zouden blijven vanwege de veranderde situatie in Turkije. De keuze van de echtgenote om in Nederland te blijven werd ook ingegeven door haar wens voor haar ouders te kunnen zorgen, haar positie als zelfstandige vrouw niet op te geven en hun dochter in Nederland te laten opgroeien. Omdat echtgenote en dochter niet naar Turkije zouden verhuizen heeft belanghebbende op 21 maart 2017 een kleinere woning gehuurd.

2.10.

Belanghebbende heeft voor de jaren 2015 en 2016 een aangifte IB/PVV ingediend als buitenlandse belastingplichtige. Belanghebbende heeft bij het indienen van de aangiften (onder meer) aangegeven dat de pensioenuitkeringen niet in Nederland belastbaar zijn en hij niet in Nederland premieplichtig is voor de volksverzekeringen.

2.11.

De inspecteur is bij de aanslagregeling voor beide jaren van de ingediende aangiften afgeweken. Daarbij heeft de inspecteur het standpunt ingenomen dat de door belanghebbende genoten pensioenuitkeringen van [vliegtuigmaatschappij 1] in Nederland zijn belast en belanghebbende voor 2015 premieplichtig is voor de volksverzekeringen. Met dagtekening 20 juli 2018 is de aanslag IB/PVV 2015 vastgesteld en met dagtekening 23 november 2018 is de aanslag IB/PVV 2016 vastgesteld. Het loon van [vliegtuigmaatschappij 2] is voor beide jaren niet in de heffing betrokken.

2.12.

Bij de uitspraken op bezwaar heeft de inspecteur de bezwaren afgewezen.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:

Was belanghebbende in 2015 en 2016 voor de toepassing van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen (hierna: het Verdrag)1 inwoner van Nederland, zoals de inspecteur stelt maar belanghebbende bestrijdt?

3.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat het heffingsrecht over belanghebbendes pensioen van [vliegtuigmaatschappij 1] op basis van artikel 18, eerste lid, van het Verdrag is toegewezen aan de woonstaat. Ook niet in geschil is dat belanghebbende op basis van nationale wetgeving van Turkije inwoner is van die Staat en op basis van artikel 4 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) inwoner is van Nederland. Verder is niet in geschil dat belanghebbende in de jaren 2015 en 2016 in beide Staten een duurzaam tehuis ter beschikking stond in de zin van artikel 4, tweede lid, onderdeel a, van het Verdrag.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vermindering van de aanslagen tot nihil. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

5 Beslissing