Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 26-04-2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:1377, 21/01105 en 21/01106

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 26-04-2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:1377, 21/01105 en 21/01106

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26 april 2023
Datum publicatie
31 augustus 2023
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2023:1377
Formele relaties
Zaaknummer
21/01105 en 21/01106
Relevante informatie
Art. 4:17 Awb, Art. 4:18 Awb, Art. 4:85 Awb, Art. 4:87 Awb, Art. 8:42 Awb, Art. 30i AWR

Inhoudsindicatie

Conserverende aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekering. Aangezien belanghebbendes pensioenaanspraken volledig publiekrechtelijk zijn opgebouwd, komt het heffingsrecht toe aan Nederland. Omdat de inspecteur de proceskosten, het griffierecht en de dwangsom niet volledig binnen vier respectievelijk zes weken na de uitspraak van de rechtbank heeft betaald, moet de inspecteur de wettelijke rente over de te laat uitgekeerde bedragen vergoeden. De overige beroepsgronden leiden niet tot een gegrond hoger beroep.

Uitspraak

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummers: 21/01105 en 21/01106

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] (Frankrijk),

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 29 juli 2021, nummers BRE 20/7217 en 20/8104, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft voor het jaar 2016 een conserverende aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekering (hierna: IB/PVV) opgelegd, waarbij tevens revisierente in rekening is gebracht. Daarnaast is aan belanghebbende een aanslag IB/PVV 2016 opgelegd die ambtshalve is verminderd.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard voor zover het beroep is gericht tegen de conserverende aanslag.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft negen keer zijn gronden van het hoger beroep aangevuld. Bij brief van 3 december 2021 en 17 december 2021 heeft het hof belanghebbende verzocht om de argumenten in zo weinig mogelijk stukken te vatten en niet dezelfde stukken meermaals in te sturen.

1.6.

Belanghebbende heeft bij brief met dagtekening 24 september 2022 een wrakingsverzoek, gericht tegen alle raadsheren van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, ingediend. Het hof heeft het wrakingsverzoek in handen gesteld van de wrakingskamer.

1.7.

De wrakingskamer heeft bij beslissing van 5 oktober 2022 belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot wraking.

1.8.

Het hof heeft bij brief van 17 januari 2023 aan belanghebbende verzocht om binnen één week na ontvangst van de brief een e-mailadres door te geven waarmee kan worden deelgenomen aan de digitale zitting van 10 maart 2023. Het hof heeft bij e-mail van 10 februari 2023 aan belanghebbende verzocht om binnen één week kenbaar te maken of het e-mailadres dat is gebruikt voor eerdere correspondentie met het hof, het e-mailadres is waarmee belanghebbende wil deelnemen aan de digitale zitting. Belanghebbende heeft op beide verzoeken niet gereageerd.

1.9.

Belanghebbende heeft op 3 februari 2023 een formulier proceskostenvergoeding ingediend.

1.10.

Het hof heeft bij brief van 15 februari 2023 aan belanghebbende medegedeeld dat het hof geen getuigen of deskundigen op zal roepen.

1.11.

De zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2023 door middel van een tweezijdig elektronisch communicatiemiddel (Microsoft Teams). Namens de inspecteur is [inspecteur] verschenen. Belanghebbende is niet verschenen. De griffier heeft verklaard dat zij belanghebbende bij brief van 17 januari 2023 heeft uitgenodigd voor de digitale zitting met vermelding van datum en tijdstip van de zitting. Deze brief, met nummer [nummer] , is aangetekend verzonden naar het door belanghebbende opgegeven adres. Tot de gedingstukken behoort een door belanghebbende - op 26 januari 2023 - ingevuld formulier proceskosten, binnengekomen bij het hof op 3 februari 2023. Het hof heeft dat formulier, waarop de hofkenmerken 21/01105 en 21/1106 en de datum 17 januari 2023 zijn vermeld, als bijlage bij de uitnodiging gestuurd. Hieruit volgt dat de uitnodiging voor de zitting uiterlijk op 26 januari 2023 op het door belanghebbende opgegeven adres is afgeleverd.

1.12.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.13.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende woonde tot 10 augustus 2016 in Nederland. Vanaf die datum is hij geëmigreerd naar Frankrijk. Bij de Nederlandse Basisregistratie Personen (hierna: Brp) is belanghebbende vanaf 5 augustus 2016 uitgeschreven.

2.2.

In het jaar 2016 heeft belanghebbende een WGA-uitkering ontvangen van het UWV (hierna: de uitkering).

2.3.

Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2016 aangegeven vanaf 10 augustus 2016 te zijn geëmigreerd, en heeft daarbij de uitkering van € 35.651 als zijnde volledig belastbaar in Nederland aangegeven, in de rubriek ‘loon’.

2.4.

De inspecteur heeft de definitieve aanslag IB/PVV voor het jaar 2016 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.651, waarbij onder meer de arbeidskorting is toegepast (hierna: de aanslag). Belanghebbende heeft niet binnen de bezwaartermijn daartegen bezwaar gemaakt.

2.5.

Op enig moment is na klachten van belanghebbende de aanslag opnieuw inhoudelijk beoordeeld. De inspecteur heeft vervolgens de aanslag ambtshalve verminderd (hierna: de verminderingsbeschikking). Daarbij is uitgegaan van Nederlandse belasting- en premieplicht tot en met 6 augustus 2016. Dit heeft onder meer ertoe geleid dat de uitkering voor € 21.391 in aanmerking is genomen als belastbaar inkomen uit werk en woning en € 20.135 als premie-inkomen. Daarnaast heeft de inspecteur de toekenning van de arbeidskorting teruggedraaid.

2.6.

Aan belanghebbende is verder een conserverende aanslag opgelegd naar een te betalen bedrag van € 130.944, gebaseerd op de te conserveren waarde in het economische verkeer van opgebouwde pensioenaanspraken welke volledig publiekrechtelijk zijn opgebouwd bij het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (hierna: ABP) van € 256.085 (hierna: de conserverende aanslag). Gelijktijdig is een beschikking revisierente van € 51.216 gegeven (hierna: de beschikking revisierente).

2.7.

De ontvanger heeft ambtshalve uitstel van betaling verleend voor de conserverende aanslag en de beschikking revisierente. Er is daarvoor geen zekerheid gesteld of gevraagd.

2.8.

De inspecteur heeft het door belanghebbende gemaakte bezwaar tegen de conserverende aanslag en beschikking revisierente afgewezen. Belanghebbende heeft vervolgens beroep ingesteld bij de rechtbank.

2.9.

Ook heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de verminderingsbeschikking. Belanghebbende heeft via een formulier met dagtekening 22 juli 2020 de inspecteur in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar en vervolgens op 13 augustus 2020 beroep ingesteld.

2.10.

De inspecteur heeft bij brief met dagtekening 14 augustus 2020 uitspraak gedaan op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende opgelegde verminderingsbeschikking. Belanghebbende heeft desgevraagd aan de rechtbank aangegeven dat zijn beroep tevens tegen deze uitspraak van de inspecteur is gericht.

2.11.

De rechtbank heeft het beroep deels gegrond verklaard en de conserverende aanslag verminderd tot een bedrag van € 177.027. De revisierente is daarbij gehandhaafd. De rechtbank heeft tevens geoordeeld dat belanghebbende recht heeft op een dwangsom van € 1.442.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Heeft de inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?

II. Heeft de rechtbank een onrechtmatige daad wegens valsheid in geschrifte gepleegd?

III. Zijn de conserverende aanslag en de beschikking revisierente terecht en tot de juiste bedragen opgelegd?

IV. Is er sprake van discriminatie of schending van het gelijkheidsbeginsel?

V. Dient de aanslag verder te worden verminderd?

VI. Heeft de inspecteur niet tijdig op het bezwaar van belanghebbende tegen de verminderingsbeschikking beslist en heeft belanghebbende in dat kader recht op een dwangsom?

VII. Heeft de inspecteur enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur geschonden?

VIII. Is de inspecteur aan belanghebbende wettelijke rente verschuldigd over de door de rechtbank toegekende dwangsom, proceskostenvergoeding en griffierecht?

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vernietiging van de conserverende aanslag en toekenning van schadevergoedingen wegens onrechtmatige daden. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

5 Beslissing