Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 25-06-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:1774, 23/802 tot en met 23/804

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 25-06-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:1774, 23/802 tot en met 23/804

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25 juni 2025
Datum publicatie
24 september 2025
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2025:1774
Formele relaties
Zaaknummer
23/802 tot en met 23/804
Relevante informatie
Art. 2.1 Wet IB 2001, Art. 3.84 Wet IB 2001

Inhoudsindicatie

Rijnvarende. Het hof is van oordeel dat belanghebbende in de jaren 2011, 2012 en 2016 premieplichtig is. Van een schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel is geen sprake. Belanghebbende heeft verder geen recht op verrekening van in het buitenland geheven premies. Ook is het fiscale loon in de jaren 2011 en 2012 niet te hoog vastgesteld.

Uitspraak

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummers: 23/802 tot en met 23/804

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 23 maart 2023, nummers BRE 19/711, 19/712 en 20/6462, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

en

de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),

hierna: de minister.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft de aanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2011, 2012 en 2016 (hierna: de aanslagen) opgelegd. Tevens is telkens bij beschikking heffingsrente (2011) dan wel belastingrente (2012 en 2016) in rekening gebracht.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Partijen hebben nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in Mijn Rechtspraak geplaatst.

1.6.

Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit en was in de onderhavige jaren woonachtig in Nederland. Hij had in 2016 de leeftijd van 65 jaar nog niet bereikt.

2.2.

Van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2012 was belanghebbende in dienst van [bedrijf 1] , gevestigd in [land 1] en van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016 was belanghebbende in dienst van [bedrijf 2] , gevestigd in [land 2] .

2.3.

In alle onderhavige jaren was belanghebbende in loondienst werkzaam op motortankschip [schip] (hierna: het schip). Het schip was voorzien van een Herziene Rijnvaartakte. Op 12 december 2008 heeft het Ministerie van Verkeer en Waterstaat een Rijnvaartverklaring afgegeven. Op deze Rijnvaartverklaring staat [B.V.] , gevestigd in [plaats] , vermeld als eigenaar. Een exploitant staat niet vermeld.

2.4.

Door de [land 1] autoriteiten is, met dagtekening 15 februari 2006, ten name van belanghebbende met ingang van 10 januari 2002 een E101-verklaring afgegeven waarin is vermeld dat op belanghebbende de sociale wetgeving van [land 1] van toepassing is. Over de jaren 2011 en 2012 zijn geen andere (A1-)verklaringen aan belanghebbende gegeven.

2.5.

De Nederlandse Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB) heeft met dagtekening 9 maart 2018 een A1-verklaring aan belanghebbende afgegeven. In deze verklaring wordt het Nederlandse socialezekerheidsrecht van toepassing verklaard voor de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 maart 2019. Tegen deze A1-verklaring heeft belanghebbende rechtsmiddelen aangewend. De A1-verklaring is onherroepelijk geworden na de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 oktober 20201 en het daaropvolgende arrest van de Hoge Raad van 22 april 2022.2 De bezwaren die [land 2] had tegen de voorlopige vaststelling van de verzekeringsplicht zijn ingetrokken.

2.6.

De aanslag IB/PVV 2011 is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 43.111. Hierbij is de inspecteur ervan uitgegaan dat belanghebbende voor het gehele jaar verplicht verzekerd was in Nederland voor de PVV. Tevens is bij beschikking € 437 heffingsrente in rekening gebracht.

2.7.

De aanslag IB/PVV 2012 is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 44.189. Hierbij is de inspecteur ervan uitgegaan dat belanghebbende voor het gehele jaar verplicht verzekerd was in Nederland voor de PVV. Tevens is bij beschikking € 425 belastingrente in rekening gebracht.

2.8.

De aanslag IB/PVV 2016 is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 37.572. Hierbij is de inspecteur ervan uitgegaan dat belanghebbende voor het gehele jaar verplicht verzekerd was in Nederland voor de PVV. Tevens is bij beschikking € 419 belastingrente in rekening gebracht.

2.9.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen het niet toekennen van de vrijstelling voor de PVV. De inspecteur heeft de aanslagen en de rentebeschikkingen bij uitspraken op bezwaar gehandhaafd.

2.10.

De rechtbank heeft zowel de aanslagen als de rentebeschikkingen gehandhaafd.

2.11.

In de brief van de Minister van Sociale zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Financiën van 8 februari 2021 (hierna: de brief van 8 februari 2021) staat het volgende vermeld:3

‘De Belastingdienst heeft op grond van een te ruime toepassing van het Besluit van 24 maart 2014, DGB 2014/144M de [land 1] premies voor ouderdomsuitkeringen (de zogenoemde «cotisation pension») op het fiscale inkomen in mindering gebracht. Deze belastingvermindering is per belastingjaar 2020 niet meer aan de orde.’

2.12.

Belanghebbende had volgens de loonstroken van [bedrijf 1] in 2011 een brutoloon van in totaal € 46.850,24 waarop € 5.178 ‘cotisation sociales’ is ingehouden. In 2012 bedroeg het brutoloon € 48.031,44 en is € 5.307,42 ‘cotisation sociales’ ingehouden.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

  1. Is er sprake van een onrechtmatige risicoselectie, waardoor ten onrechte is afgeweken van de ingediende aangifte?

  2. Is belanghebbende in de jaren 2011, 2012 en 2016 verplicht verzekerd voor de Nederlandse socialezekerheidswetgeving en om die reden premieplichtig?

  3. Is sprake van strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het evenredigheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel?

  4. Is sprake van strijd met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel?

  5. Heeft belanghebbende recht op verrekening van in het buitenland geheven premies conform artikel 73, lid 2, Verordening (EG) nr. 987/2009 (hierna: de Toepassingsverordening)?

  6. Is het fiscale loon in de jaren 2011 en 2012 tot een te hoog bedrag vastgesteld?

  7. Is belanghebbende in 2011 en 2012 geen PVV verschuldigd omdat aan zijn werkgever naheffingsaanslagen loonheffingen zijn opgelegd voor 2011 en 2012?

3.2.

Belanghebbende concludeert tot geen PVV dan wel vermindering van de PVV met de in [land 1] geheven sociale zekerheidspremies en tot een lagere vaststelling van het fiscale loon over 2011 en 2012. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

5 Beslissing