Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 05-11-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3034, 23/1171
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 05-11-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3034, 23/1171
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 5 november 2025
- Datum publicatie
- 25 november 2025
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2023:5107, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- 23/1171
Inhoudsindicatie
Wet OB. Beroep op artikel 7:4 en/of 8:42 Awb wordt verworpen. De naheffingsaanslag OB is terecht en tot het juiste bedrag opgelegd. Daarbij heeft de inspecteur niet gehandeld in strijd met het vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel. De boetebeschikking is eveneens terecht en tot het juiste bedrag opgelegd. Overschrijding redelijke termijn van berechting voldoende gecompenseerd met vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6 EVRM. Geen reden voor toekennen schadevergoeding. Hoger beroep ongegrond.
Uitspraak
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 23/1171
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
statutair gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 20 juli 2023, nummer BRE 22/3443, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1 Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft een naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2017 tot en met 31 december 2019 (hierna: de naheffingsaanslag) opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht en is bij beschikking een verzuimboete opgelegd.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . De gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde] , heeft telefonisch deelgenomen aan de zitting.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
2 Feiten
Belanghebbende is opgericht op 5 september 2016. Bij de inschrijving in de Kamer van Koophandel is vermeld dat haar doelstelling is het beheren van vermogensbestanddelen op haar naam maar voor rekening en risico van derden. Haar enige activiteit in de jaren 2017 tot en met 2019 is het verstrekken van een rentedragende hypothecaire lening aan een derde.
Naar aanleiding van een namens de inspecteur ten aanzien van belanghebbende in 2017 uitgevoerd derdenonderzoek, is belanghebbende opgevoerd als aangifteplichtige ondernemer voor de omzetbelasting (hierna: OB) per 5 september 2016.
In een interne notitie van de Belastingdienst d.d. 19 oktober 2017, dat is opgesteld naar aanleiding van het onder 2.2 vermelde derdenonderzoek, is het volgende vermeld:
“Belastingplicht VPB en OB:
De stichting is door de Belastingdienst aangemerkt als niet-belastingplichtig voor de Vpb en OB en als zodanig opgenomen, terwijl deze volgens mij wel degelijk belastingplichtig is. Ik heb de stichting daarom met ingang van de oprichtingsdatum (5 september 2016) voor beide middelen als belastingplichtig op laten nemen.”
Deze interne notitie is destijds niet met belanghebbende gedeeld.
Met dagtekening 19 oktober 2017 is door de inspecteur een brief ‘Vaststelling belastingplicht’ naar belanghebbende gestuurd. In de brief is vermeld dat de inspecteur heeft beoordeeld dat belanghebbende belastingplichtig is voor de OB en dat (kwartaal)aangiften OB moeten worden gedaan.
Belanghebbende is vanaf 1 januari 2017 tot 30 juni 2021 uitgenodigd tot het doen van aangiften voor de omzetbelasting. Belanghebbende heeft aangiften omzetbelasting ingediend over de tijdvakken gelegen in de periode 1 januari 2017 tot en met 31 december 2019. Belanghebbende heeft in deze aangiften in totaal € 2.277 aan voorbelasting teruggevraagd. In geen van de aangiften is omzet aangegeven.
Op 4 mei 2021 heeft de inspecteur schriftelijk medegedeeld voornemens te zijn over het tijdvak 1 januari 2017 tot en met 31 december 2019 een naheffingsaanslag met verzuimboete op te leggen.
De naheffingsaanslag is opgelegd op 27 mei 2021 naar een bedrag van € 2.277, zijnde het bedrag van de teruggevraagde (en terugbetaalde) voorbelasting. Tevens is bij beschikking € 187 belastingrente in rekening gebracht en bij beschikking een betaalverzuimboete van € 227 opgelegd. De inspecteur heeft de naheffingsaanslag, de rentebeschikking en de boetebeschikking bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.
Per 30 juni 2021 – naar aanleiding van het bezwaar tegen de naheffingsaanslag – is belanghebbende aangemerkt als ondernemer voor de OB met enkel vrijgestelde prestaties. Vanaf het derde kwartaal van 2021 zijn geen aangiften omzetbelasting meer klaargezet.
3 Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
-
Heeft de inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?
-
Is de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag opgelegd? Meer specifiek is daarbij in geschil of de inspecteur heeft gehandeld in strijd met het vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel.
-
Is de belastingrentebeschikking terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?
-
Is de boetebeschikking terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?
-
Heeft belanghebbende recht op een schadevergoeding?
De (hoogte van de) naheffingsaanslag als zodanig is niet in geschil.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vernietiging van de naheffingsaanslag, de belastingrentebeschikking en de boetebeschikking en toekenning van een schadevergoeding.
De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.