Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 12-11-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3249, 23/1018
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 12-11-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3249, 23/1018
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 12 november 2025
- Datum publicatie
- 18 december 2025
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2023:4181, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- 23/1018
- Relevante informatie
- Art. 2.17 Wet IB 2001, Art. 19b Wet LB, Art. 16 AWR
Inhoudsindicatie
Navorderingsaanslag IB/PVV 2015. Het hof is van oordeel dat de inspecteur beschikte over het voor navordering benodigde nieuw feit. De overwegingen van de rechtbank dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de pensioenaanspraak op 31 december 2015 feitelijk voorwerp van zekerheid voor de lening is geworden en dat om die reden het beroep van de inspecteur op interne compensatie slaagt, worden door het hof bevestigd. De navorderingsaanslag IB/PVV 2015 blijft daarom in stand. Het hof komt niet toe aan het voorwaardelijk ingesteld incidentele hoger beroep van de inspecteur. Belanghebbende heeft recht op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Hoger beroep ongegrond.
Uitspraak
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 23/1018
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in Spanje,
hierna: belanghebbende,
en het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 15 juni 2023, nummer BRE 22/422, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur en
de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),
hierna: de minister.
1 Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft met dagtekening 17 april 2021 een navorderingsaanslag IB/PVV (hierna: de navorderingsaanslag) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 212.031 en een inkomen uit aanmerkelijk belang ad € 517.666 en daarmee naar een verzamelinkomen van € 729.697. Gelijktijdig is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
Belanghebbende heeft tegen de navorderingsaanslag bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de navorderingsaanslag gehandhaafd.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, en de inspecteur veroordeeld tot het betalen van een vergoeding voor immateriële schade ad € 500 en de inspecteur veroordeeld tot het betalen van een proceskostenvergoeding en vergoeding van griffierecht.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en daarbij voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld (zonder nadere motivering).
De zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] als gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .
De inspecteur heeft voorafgaand aan de zitting een pleitnota toegezonden aan het hof. De griffier heeft deze pleitnota doorgestuurd naar de gemachtigde. Deze pleitnota wordt met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgelezen.
De gemachtigde heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de inspecteur.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
2 Feiten
Belanghebbende is directeur-aandeelhouder van de in Nederland gevestigde vennootschap [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ).
[bedrijf 1] heeft leningen aan belanghebbende verstrekt die ultimo 2015 in totaal € 2.044.102 bedroegen (hierna samen: de lening). Dit bedrag is als volgt opgebouwd:
- Lening [adres 1] € 559.015
- Lening [adres 2] € 84.283
- Rekening-courantlening belanghebbende € 1.400.804
Totaal € 2.044.102
Voor de lening zijn geen leningsovereenkomsten opgemaakt, geen zekerheden verstrekt, en geen aflossingsschema’s overeengekomen. Tot en met 2009 is over de lening 4% rente berekend, en vanaf 2010 3% rente.
Op de balans van de vennootschap stond een pensioenverplichting jegens belanghebbende. Die verplichting heeft op 31 december 2015 een waarde in het economisch verkeer van € 1.008.769.
Verder hield belanghebbende de certificaten van aandelen van [bedrijf 2] B.V, die een belang van 25% hield in [bedrijf 3] B.V. Op [datum] 2015 is [bedrijf 3] B.V. failliet verklaard.
Belanghebbende heeft zich voor door derden aan [bedrijf 3] B.V. verstrekte kredietfaciliteiten borg gesteld. Omdat [bedrijf 3] B.V. haar betalingsverplichtingen tegenover die derde partijen niet meer kon nakomen, is belanghebbende in de loop van 2015 door een drietal partijen als borg aangesproken tot nakoming van zijn verplichtingen, en gesommeerd om een bedrag van in totaal circa € 1.000.000 te voldoen.
Op 4 september 2015 hebben belanghebbende en zijn zus een toegangspad en (zoals vastgesteld bij akte van rectificatie) een perceel grond gelegen in [plaats 1] die bij hen in gezamenlijk eigendom waren, toebedeeld aan de zus. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag van € 30.000 ontvangen.
Op 12 augustus 2016 heeft belanghebbende met zijn echtgenote huwelijksvoorwaarden gesloten, met terugwerkende kracht tot 31 december 2015. Daarbij zijn de woningen gelegen aan de [adres 1] en [adres 2] te [plaats 1] (en de daarbij gelegen grond) en een woning gelegen aan [adres 3] te [plaats 2] toebedeeld aan de echtgenote. Aan belanghebbende is toebedeeld 1/115e onverdeeld aandeel in eigendom van een jachthaven, het recht op gebruik van een ligplaats en 1/126e onverdeeld aandeel van mandelig vaarwater, gelegen te [plaats 2] . Belanghebbende heeft genoemd gedeelte van eigendom van de jachthaven en het recht op een ligplaats en mandelig vaarwater op 21 december 2016 verkocht voor € 5.000.
Voor het indienen van de aangifte IB/PVV voor het jaar 2015 heeft de inspecteur aan belanghebbende vier maanden uitstel verleend. Daarmee is de aanslagtermijn verlengd tot 30 april 2016. Belanghebbende heeft op 25 maart 2016 zijn aangifte IB/PVV 2015 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1), tevens verzamelinkomen, van € 208.844. Dat inkomen bestaat uit € 257.678 aan loon van [bedrijf 3] B.V. en € 44.487 negatief aan inkomsten uit eigen woning, verminderd met € 4.347 aan persoonsgebonden aftrek.
In de aangifte zijn opgenomen de volgende aan belanghebbende en zijn echtgenote per 1 januari 2015 toekomende bezittingen en schulden:
|
Bezittingen |
Schulden |
||
|
[adres 1] [plaats 1] (eigen woning) |
624.000 |
eigenwoningschuld (box 1) |
1.149.015 |
|
bank- en spaartegoeden |
23.159 |
overige hypothecaire geldleningen |
1.360.000 |
|
aandelen en obligaties |
50 |
[bedrijf 1] BV |
44.974 |
|
overige onroerende zaken: |
814.610 |
privérekening ABN AMRO bank |
1.165 |
|
- Jachthaven [plaats 2] |
5.000 |
ING Bank |
159 |
|
- [adres 3] [plaats 2] |
333.610 |
||
|
- [adres 2] te [plaats 1] |
331.000 |
||
|
- [adres 4] |
145.000 |
||
|
Totaal |
1.461.819 |
Totaal |
2.555.313 |
De aanslag IB/PVV 2015 is met dagtekening 5 april 2019 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning, tevens verzamelinkomen, van € 212.031. In de aanslag heeft de inspecteur de persoonsgebonden aftrek gecorrigeerd tot € 1.160.
Door [bedrijf 1] wordt op 2 mei 2018 aangifte gedaan voor de vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) over het jaar 2016. In de aangifte is onder meer opgenomen, de vordering op de aandeelhouder, zijnde belanghebbende. De vordering bedraagt begin van het jaar € 2.044.102 en per ultimo € 2.082.887. De vordering wordt voor het nominale bedrag opgenomen, er is niet op afgewaardeerd. De aangifte is verzorgd door het boekhoudkantoor [kantoor] te [plaats 3] (hierna: de boekhouder) dat ook de aangiften inkomstenbelasting voor belanghebbende verzorgt.
Belastingdienstmedewerker [naam 1] (hierna: [naam 1] ) stelt bij brief van 12 juli 2018 vragen gesteld aan de boekhouder van [bedrijf 1] . [naam 1] is werkzaam de Belastingdienst [plaats 4] , afdeling MKB Arbeid & Dienstverlening, team 4.
In zijn vragenbrief verwijst [naam 1] naar de vordering van [bedrijf 1] op de aandeelhouder en hij vraagt om toezending van de leningsovereenkomst, de overeenkomst waarbij zekerheden zijn vastgelegd, het aflossingsschema en een overzicht van het verloop van de vordering van aanvang af tot heden. [naam 1] vraagt voorts om een onderbouwing van het gehanteerde rentepercentage. Daarnaast stelt [naam 1] vragen over de vervreemding van een deelneming door [bedrijf 1] .
In zijn reactie geeft de boekhouder op 26 juli 2018 de volgende toelichting op de vordering op aandeelhouder:
“De R/C is fors opgelopen over een zeer lange reeks van jaren. Aflossing werd verwacht vanuit privé door de verkoop van een stuk grond waar een bestemmingsplan wijziging op zou gaan plaats vinden (lees met waardetoename). Helaas heeft er geen bestemmingsplan-wijziging plaatsgevonden en ziet het er nu niet naar uit dat er afgelost kan worden.”
Hij verwijst naar het faillissement van dochteronderneming [bedrijf 3] B.V. Als gevolg daarvan is de aandeelhouder aangesproken op diverse afgegeven borgstellingen en is belanghebbende volgens de boekhouder ‘technisch failliet’.
In zijn e-mail van 24 augustus 2018 meldt de boekhouder aanvullend:
“Puntsgewijs even een reactie op uw vragen:
1a Er is geen leningsovereenkomst, cq rekening-courant-overeenkomst opgesteld.
1b Er zijn geen zekerheden gesteld.
1c t/m 2009 is gerekend met 4% over het gemiddelde saldo, vanaf 2010 met 3% over het gemiddelde saldo. Wat ons inziens marktconform is (zelfs wellicht iets aan de hoge kant).
1d Een aflossingsschema is niet opgesteld. In vorige reactie reeds aangegeven welke oplossingsrichting was bedacht, echter heeft dat niet goed uitgepakt. [het hof begrijpt: de door belanghebbende verwachte winst als gevolg van een bestemmingswijziging op een stuk grond]
1e Zie bijlage [hof: met een uitdraai van de grootboekrekening van de vordering].
De boekhouder herhaalt zijn opvatting dat belanghebbende technisch failliet is, mede vanwege de voor [bedrijf 3] B.V. afgegeven borgstellingen aan de ABN AMRO bank, [bedrijf 4] B.V. en de Deutsche Bank.
In zijn reactie vraagt [naam 1] op 24 oktober 2018 om toezending van stukken, en nadere informatie over genoemde borgstellingen. Hij verzoekt verder om informatie over de onroerende zaken in bezit van belanghebbende en zijn partner, en om relevante stukken die betrekking hebben op het stuk grond waarop een wijziging bestemmingsplan was voorzien.
De boekhouder stuurt op 30 oktober 2018 stukken waaruit blijkt dat belanghebbende op [datum] 2015 als borg is aangesproken door [bedrijf 4] B.V. Tot de stukken behoort verder een kopie dagvaarding van 1 oktober 2015 van de Deutsche Bank en een brief van ABN AMRO van 28 oktober 2015 waarin belanghebbende wordt aangesproken op door hem afgegeven borgstellingen (aangegaan in 2011). De boekhouder meldt dat belanghebbende vanwege zijn financiële situatie de vorderingen ‘nog niet’ heeft voldaan.
In een mail van 29 november 2018 herhaalt [naam 1] zijn verzoek van 24 oktober 2018, om informatie over de onroerende zaken in bezit van belanghebbende en zijn partner, en om relevante stukken ten aanzien van het stuk grond waarop een wijziging bestemmingsplan zou plaatsvinden. De boekhouder bevestigt de ontvangst.
Op 18 december 2018 herhaalt [naam 1] zijn verzoek van 29 november 2018. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat de boekhouder hierop heeft gereageerd. In zijn reactie meldt de boekhouder:
“Ik heb de door u gevraagde gegevens opgevraagd, maar nog niet ontvangen.
Ik ga er wederom achteraan.
Ik hoop u snel te kunnen informeren.”
Op 22 januari 2019 vraagt [naam 1] (onder verwijzing naar zijn eerdere verzoeken) in een mail aan de boekhouder:
“Graag verneem ik van u of u inmiddels de stukken/informatie in uw bezit heeft inzake [ [bedrijf 1] ]/ [belanghebbende] ”.
Het dossier bevat geen aanwijzingen dat de boekhouder hierop heeft gereageerd.
Op 15 februari 2019 herhaalt [naam 1] , onder verwijzing naar zijn mail van 29 november 2018, het verzoek om informatie. Uit een mail van 5 maart 2019 volgt dat de boekhouder bij een collega navraag doet een vraagt of hij reeds contact heeft gehad met belanghebbende en [naam 1] .
Op 10 juli 2019 vraagt [naam 1] in een mail aan de boekhouder:
“Graag verneem ik van u wat de status is van uw reactie op mijn e-mail d.d. 29 november 2018. Ik ontvang ook graag van u een update inzake de borgstellingen.”
Een dag later reageert de boekhouder als volgt:
“Beste heer [naam 1] ,
Ik heb mijn collega opnieuw aangespoord contact met u op te nemen, om op uw vragen uit uw email te reageren.”
Op 15 juli 2019 stuurt de boekhouder de aktes betreffende de onder 2.7 genoemde toebedeling van een toegangspad en een perceel grond.
In zijn mail van 12 september 2019 vraagt [naam 1] (wederom) om nadere informatie over de onroerende zaken die in bezit zijn van belanghebbende en zijn partner, over de status van de voorgenomen bestemmingswijziging van een stuk grond van belanghebbende, en om informatie over de stand van zaken ten aanzien van de ingeroepen borgstellingen. In zijn mail verwijst [naam 1] naar de inmiddels ingediende aangifte Vpb 2017 van [bedrijf 1] , waaruit blijkt dat in dat jaar de vordering op de aandeelhouder met € 1.940.944 is afgewaardeerd.
In zijn reactie meldt de boekhouder op 18 november 2019 dat belanghebbende ervan uitging dat hij door een wijziging in het bestemmingsplan voor een perceel aan [adres 5] in privé een ‘forse vermogenssprong’ zou realiseren die hij zou aanwenden voor aflossing op de R/C schuld aan [bedrijf 1] . Om de R/C schuld aan [bedrijf 1] terug te brengen, is besloten om de grond over te dragen. Dit voornemen was al ‘in de jaarstukken van [bedrijf 1] tot uitdrukking gebracht’ maar de juridische levering vond nimmer plaats en de wijziging van het bestemmingsplan is uiteindelijk niet doorgegaan. Vervolgens heeft wel de onder 2.7 genoemde herverdeling met de mede-eigenaar, de zus van belanghebbende, plaatsgevonden. Het hof begrijpt dat deze verwijzing naar de jaarstukken ziet op de creditering (vermindering) per 31 december 2014 van de vordering op de aandeelhouder met € 1.500.000 (in een memoriaalpost met omschrijving: ‘Overname grond/afloss.RC’) en het terugdraaien van deze creditering per 31 december 2015 (in een memoriaalpost met omschrijving: ‘grondtrans geann.’ Door deze laatste memoriaalboeking neemt de schuld van belanghebbende weer toe met anderhalf miljoen euro. De boekhouder zegt verder toe, nog de akte van huwelijkse voorwaarden (zie onder 2.8) en de stukken over de borgstellingen toe zenden.
[bedrijf 1] heeft op 30 april 2019 aangifte gedaan voor de Vpb over het jaar 2017. In de aangifte Vpb 2017 is de vordering van [bedrijf 1] op belanghebbende onder de rubriek “Waardeverandering van vorderingen” volledig afgewaardeerd en ten laste van het resultaat gebracht.
Op grond van de tot dan ontvangen informatie van de boekhouder stelt [naam 1] zich in zijn brief van 18 september 2020 aan [bedrijf 1] op het standpunt dat in 2016 sprake is geweest van een winstuitdeling aan de aandeelhouder, zijnde belanghebbende. Hij constateert een uitdeling van de vordering (€ 2.044.102) verminderd met de pensioenaanspraak (€ 1.008.769) ultimo 2015. De brief gaat in c.c. naar belanghebbende.
Aansluitend op zijn brief met conclusies voor de vennootschapsbelasting voor [bedrijf 1] heeft [naam 1] bij brief van (eveneens) 18 september 2020 belanghebbende geïnformeerd over de gevolgen van de correctie in de vennootschapsbelasting voor de inkomstenbelasting. Hij informeert hem dat er een navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2015 zal worden opgelegd. De winstuitdeling zal worden vastgesteld op € 1.035.333 (€ 2.044.102 – € 1.008.769). Hiervan zal op grond van art. 2.17 Wet inkomstenbelasting 2001 de helft (€ 517.666), bij belanghebbende in aanmerking worden genomen als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang (box 2).
Onder verwijzing naar de aankondigingsbrief van [naam 1] van 18 september 2020 deelt Belastingdienstmedewerker [naam 2] (hierna: [naam 2] ) op 23 maart 2021 aan belanghebbende mee dat hij voornemens is bedoelde navorderingsaanslag over 2015 op te leggen. De navorderingsaanslag zal worden opgelegd naar een inkomen uit aanmerkelijk belang ad € 517.666 (de aan belanghebbende toe te rekenen uitdeling). Bij de navorderingsaanslag wordt € 23.973 aan belastingrente in rekening gebracht.
[naam 2] is werkzaam de Belastingdienst [plaats 4] , afdeling MKB Arbeid & Dienstverlening, team 2.
In bezwaar is de navorderingsaanslag gehandhaafd.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, onder toewijzing van een vergoeding voor immateriële schade (vanwege overschrijding van de redelijke termijn) en daarmee samenhangende proceskosten.
3 Geschil en conclusies van partijen
In geschil is of de navorderingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Daartoe is in hoger beroep allereerst in geschil of de inspecteur beschikte over het voor navordering benodigde ‘nieuw feit’ en zo ja, of (onder het inroepen van interne compensatie) de pensioenaanspraak terecht is aangemerkt als belast loon uit vroegere dienstbetrekking, dan wel, of (het voorwaardelijk incidenteel appel van de inspecteur) bij de navordering terecht is uitgegaan van een uitdeling.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank voor zover die ziet op de ongegrondverklaring, en tot vernietiging van de navorderingsaanslag en bijbehorende rentebeschikking. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.