Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 10-12-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3463, 23/370

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 10-12-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3463, 23/370

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10 december 2025
Datum publicatie
16 december 2025
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2025:3463
Formele relaties
Zaaknummer
23/370
Relevante informatie
Art. 4 AWR, Art. 4.6 Wet IB 2001, Art. 12a Wet LB, Art. 8 EVRM, Art. 55 AWR, Art. 6 EVRM

Inhoudsindicatie

Het hof is van oordeel dat belanghebbende in 2015 naar nationaal recht in Nederland woonde en binnenlands belastingplichtig is. Toepassing van belastingverdragen staat daar niet aan in de weg. De aanslag IB/PVV 2015 is te laag vastgesteld; de inspecteur heeft zich terecht op interne compensatie beroepen. Verder is een groot aantal grieven van formele aard aan de orde, te weten: vooringenomenheid van de rechtbank, recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, op de zaak betrekking hebbende stukken, onrechtmatig verkregen bewijs, vertrouwensbeginsel en vergoeding van immateriële schade.

Uitspraak

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 23/370

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

domicilie kiezend in [plaats 1] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 15 februari 2023, nummer BRE 19/5998, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

en

de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),

hierna: de minister.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2015 en de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) opgelegd. Tevens is bij beschikkingen belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep met nummer BRE 19/5998, betreffende de aanslag IB/PVV 2015, ongegrond verklaard en het beroep met nummer BRE 19/5999 gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de aanslag Zvw 2015 en de aanslag Zvw 2015 vernietigd. Tevens heeft de rechtbank nevenbeslissingen gegeven met betrekking tot de vergoeding van immateriële schade, de proceskostenvergoeding en het griffierecht.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof, bij het hof bekend onder nummers 23/370, betreffende de aanslag IB/PVV 2015, en 23/371, betreffende de aanslag Zvw 2015. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Partijen hebben vóór de regiezitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.

1.6.

De regiezitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en haar gemachtigde [gemachtigde] (hierna: [gemachtigde] ), en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] . Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaken en de zaken met nummers 23/372 tot en met 23/384 en 23/398.

1.7.

Belanghebbende heeft tijdens de regiezitting twee pleitnota’s voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.

1.8.

Tijdens de regiezitting heeft belanghebbende het hoger beroep met nummer 23/371 ingetrokken.

1.9.

Het hof heeft het onderzoek op de zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Vervolgens heeft het hof partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en/of stukken in te zenden. Partijen hebben stukken ingezonden.

1.10.

Van de regiezitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan partijen is verzonden.

1.11.

De inspecteur heeft stukken ingezonden en daarbij een beroep gedaan op artikel 8:29 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

1.12.

Het hof heeft de onderhavige zaak in handen gesteld van de geheimhoudingskamer van het hof.

1.13.

De geheimhoudingskamer heeft tussenuitspraak gedaan op 30 juli 2025. De geheimhoudingskamer verstaat dat de door de inspecteur aangevoerde redenen voor geheimhouding van delen van de aan de geheimhoudingskamer overgelegde stukken gerechtvaardigd is en heeft de zaak verwezen naar de kamer die de hoofdzaak behandelt.

1.14.

Partijen hebben vóór de zitting van 25 september 2025 nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.

1.15.

Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het hof. De griffier heeft deze pleitnota doorgestuurd naar de inspecteur. Deze pleitnota wordt met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgelezen.

1.16.

De zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2025 in ’sHertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende, haar gemachtigde [gemachtigde] , tot bijstand vergezeld van [naam 2] (hierna: [naam 2] ), en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] en [inspecteur 4] . Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaken met nummers 23/372, 23/374 tot en met 23/384 en 23/398.

1.17.

Op de in 1.16 bedoelde zitting zijn achtereenvolgens als getuigen gehoord [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ) en [getuige 2] . De ondertekende getuigenverklaringen zijn aan partijen verzonden.

1.18.

De inspecteur heeft tijdens de in 1.16 bedoelde zitting, onder bezwaar van de andere partij, een kopie overgelegd van e-mailverkeer tussen [gemachtigde] en de inspecteur.

1.19.

De in 1.16 bedoelde zitting is voortgezet op 26 september 2025 in ’sHertogenbosch. Toen zijn verschenen belanghebbende en haar gemachtigde [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] en [inspecteur 4] . Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaken met nummers 23/372, 23/374 tot en met 23/384 en 23/398.

1.20.

Op de in 1.19 bedoelde zitting zijn achtereenvolgens als getuige gehoord [getuige 3] , [getuige 4] (hierna: [getuige 4] ), [getuige 5] (hierna: [getuige 5] ) en [getuige 6] . De ondertekende getuigenverklaringen zijn aan partijen verzonden.

1.21.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.22.

Van de in 1.16 en 1.19 bedoelde zittingen is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende (hierna tevens: [belanghebbende] ) is geboren op [datum 1] 1956 in [plaats 2] in Taiwan. Zij heeft zowel de Taiwanese als de Nederlandse nationaliteit. De Nederlandse nationaliteit heeft zij verkregen door in 1982 in [plaats 3] (Zweden) te trouwen met een “Zweedse Nederlander”; dit huwelijk heeft zeven maanden geduurd.

2.2.

Belanghebbende is in Nederland niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen.

2.3.

Belanghebbende heeft in of omstreeks 1975 [naam 2] voor het eerst ontmoet en is vanaf 1989 zaken met hem gaan doen.

2.4.

[naam 2] is geboren op [datum 2] 1936 en heeft de Nederlandse nationaliteit. Hij is gehuwd geweest met [naam 3] en heeft over dit huwelijk verklaard dat hij in Duitsland formeel van haar is gescheiden.1 Hij is in 1979 uitgeschreven uit Nederland.

2.5.

Belanghebbende en [naam 2] zijn op 29 februari in 1992 in [plaats 4] ( [Staat] , Verenigde Staten) met elkaar getrouwd. Het huwelijk is in 2007 ontbonden.

2.6.

Belanghebbende is in 2015 directeur van [bedrijf 4] B.V. (hierna: [bedrijf 4] ). [bedrijf 4] is op [datum 3] 1989 opgericht naar Nederlands recht, is statutair gevestigd in [plaats 5] en is in 2015 feitelijk gevestigd aan [adres 2] in [plaats 1] (hierna: het bedrijfspand of het bedrijfsadres). [bedrijf 4] exploiteert een handelsonderneming die met name actief is op het terrein van handel in - vooral militaire - voertuigen en onderdelen daarvan. Belanghebbende is vanaf de oprichting van [bedrijf 4] enig directeur. Zij hield vanaf de oprichting tot 22 januari 2013 aandelen in [bedrijf 4] .2 Vanaf 22 januari 2013 houdt [naam 2] middellijk alle aandelen in [bedrijf 4] .3

2.7.

Belanghebbende is in 2015 directeur van [bedrijf 5] B.V. (hierna: [bedrijf 5] ). De aandelen in [bedrijf 5] worden sinds 19 augustus 2008 middellijk gehouden door [naam 2] .4

2.8.

De eigendom van het bedrijfspand berust sinds 30 augustus 2001 bij [bedrijf 5] . Op het bedrijfsadres zijn naast [bedrijf 4] ook [bedrijf 5] en [bedrijf 6] (hierna: [bedrijf 6] ) gevestigd. Het bedrijfspand bestaat uit een kantoor en een loods ter grootte van 14.020 m2. In het bedrijfspand bevindt zich een verblijfsruimte met een zit-, slaap- en badkamer; deze verblijfsruimte was al als zodanig aanwezig toen [bedrijf 5] het bedrijfspand op 30 augustus 2001 verwierf.5 Belanghebbende en [naam 2] verblijven jaarlijks gedurende de periode van maart/april tot augustus/september een of meerdere werkdagen in het bedrijfspand; belanghebbende heeft verklaard (zie 2.24) dat zij ongeveer 80 dagen in [plaats 1] verbleef.

2.9.

Belanghebbende is sinds 1998 eigenaar van een Duitse vakantiewoning, gelegen aan de [adres 1] in [plaats 6] , bestaande uit een benedenwoning en een bovenwoning. Belanghebbende en [naam 2] verblijven, indien zij niet in het bedrijfspand verblijven, jaarlijks in deze vakantiewoning in de periode van maart/april tot augustus/september van donderdag tot maandag. Belanghebbende verblijft dan in de benedenwoning en [naam 2] in de bovenwoning. In Duitsland heeft belanghebbende verder een bankrekening bij de Commerzbank.

2.10.

Belanghebbende heeft in Taiwan drie appartementen in eigendom. Ter zake van deze appartementen voldoet belanghebbende alle eigenaars- en gebruikerskosten. In Taiwan is belanghebbende ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Verder heeft belanghebbende in Taiwan een bankrekening bij de Hua Nan Bank, een telefoon- en internetabonnement, een auto, een ziektekostenverzekering en pensioenverzekering. Ook woont een zus van belanghebbende in Taiwan.

2.11.

Belanghebbende en [naam 2] hebben in februari 2014 gezamenlijk de eigendom van twee appartementen op de Filipijnen gekocht. Deze appartementen zijn aan belanghebbende en [naam 2] geleverd op 10 december 2014. De appartementen zijn verbouwd van mei 2015 tot januari 2016, in die zin dat zij zijn samengevoegd tot één appartement. In april 2016 is het samengevoegde appartement opgeleverd aan belanghebbende en [naam 2] .

2.12.

In het door de Taiwanese autoriteiten verstrekte paspoort van belanghebbende is het bedrijfsadres vermeld als “foreign address” en is een vast telefoonnummer, beginnend met het netnummer van [plaats 1] , opgenomen.

2.13.

[naam 2] heeft op 12 april 1994 in Hong Kong een onderneming - zijnde een eenmanszaak - opgericht onder de naam [bedrijf 7] (hierna: [bedrijf 7] ). [bedrijf 7] is op dezelfde datum ingeschreven in de ‘Business Registration Office’ van Hong Kong. [bedrijf 7] is gevestigd op het kantooradres van [kantoor] , een accountantskantoor in Hong Kong, en is actief op het gebied van de in- en verkoop van met name gebruikte legergoederen. [bedrijf 7] heeft geen personeel of opslagruimte.

2.14.

[bedrijf 7] beschikte tot medio 2014 over twee bankrekeningen bij de Standard Chartered Bank in Hong Kong; [naam 2] had belanghebbende gemachtigd voor beide bankrekeningen. Nadat de Standard Chartered Bank [naam 2] had bericht dat beide bankrekeningen zouden worden opgezegd, hebben belanghebbende en [naam 2] een gezamenlijke bankrekening geopend bij de HSBC Bank in Hong Kong; belanghebbende en [naam 2] hebben beiden bedragen opgenomen van deze bankrekening.

2.15.

Belanghebbende houdt vanaf 4 februari 2013 alle aandelen in [bedrijf 8] Limited (hierna: [bedrijf 8] ). [bedrijf 8] is opgericht op [datum 4] 1997 en statutair gevestigd in Hong Kong. [bedrijf 8] leent grote geldbedragen tegen relatief hoge rentevergoeding en op onderpand van hypotheek uit aan (rechts)personen in met name Nederland die lastig of niet aan reguliere bancaire leningen kunnen komen. Op de balans 2015 van [bedrijf 8] is, onder de lange termijn schulden, een schuld in rekening-courant aan belanghebbende vermeld ten bedrage van € 30.217.017 per 31 december 2014 en € 30.313.993 per 31 december 2015. Tevens volgt uit de resultatenrekening 2015 van [bedrijf 8] dat [bedrijf 8] in 2015 in totaal € 2.287.336 aan rente heeft betaald.

Aangifte en aanslagen

2.16.

De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 5 april 2018 uitgenodigd om aangifte IB/PVV en Zvw 2015 te doen. De inspecteur heeft een aangiftebiljet voor een binnenlandse belastingplichtige uitgereikt.

2.17.

Belanghebbende heeft op 18 september 2018 aangifte IB/PVV 2015 gedaan en een verzamelinkomen van nihil aangegeven.

2.18.

De inspecteur heeft bij brief van 2 april 2019 aangekondigd af te wijken van de ingediende aangifte. In de brief is onder meer het volgende vermeld:

“Uit gegevens die ik onder meer heb gekregen uit het strafrechtelijk onderzoek dat jegens u en anderen werd ingesteld, en de door u persoonlijk aangeleverde gegevens (rapport Reiser) tijdens de bezwaarbehandeling van de aanslagen vennootschapsbelasting 2005-2015 ten name van [bedrijf 4] BV, heb ik de voorlopige conclusie getrokken dat aan u een aanslag inkomstenbelasting/premieheffing volksverzekeringen 2015 moet worden opgelegd. Het betreft een zogenaamde aanslag “ter behoud van rechten”, omdat de bevoegdheid voor het opleggen van een aanslag over 2015 op korte termijn verloopt. In een later stadium kan de aanslag worden aangepast indien nieuwe feiten naar voren komen.

Toelichting

In het bedrijfspand te [plaats 1] is bij strafrechtelijk onderzoek een volledig ingerichte woonruimte aangetroffen met slaapkamer, badkamer en zit/woonkamer. Op 2 augustus 2018 heb ik mij er ook persoonlijk van mogen overtuigen dat u aldaar adequate woon en slaapgelegenheid hebt. Tevens is vastgesteld dat u ook zeer regelmatig aldaar verblijft, ook tijdens de nachtelijke uren. U hebt dit voor het eerst in 2010/2011 medegedeeld tijdens een gesprek tussen u en mijn collega [naam 4] en mijzelf. Ook jegens andere collegae van de Belastingdienst hebt u dit verklaard. Door de FIOD is bij het strafrechtelijk onderzoek uw verblijf te [plaats 1] eveneens feitelijk vastgesteld. Daarnaast hebt u vele zakelijke en persoonlijke banden met Nederland, en hebt u de Nederlandse nationaliteit. Deze feiten deden zich ook in 2015 voor.

Ik ga er daarom voorlopig van uit dat de banden met Nederland dermate sterk zijn dat uw fiscale woonplaats op grond van artikel 4 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in Nederland ligt. Dat houdt in dat u onder de Nederlandse inkomstenbelasting valt.

U bent bestuurder bij [bedrijf 5] B.V. en [bedrijf 4] B.V. waaruit u Nederlands inkomen geniet c.q. dient te genieten. Of dit als loon is geformaliseerd doet niet ter zake. Uw beloning kan ook op andere wijze verkregen worden.

Daarnaast was u in 2015 directeur bij [bedrijf 10] te Frankrijk en 100% aandeelhouder(aanmerkelijk belanghouder op grond van artikel 4.6 Wet inkomstenbelasting 2001) van [bedrijf 8] Ltd. te Hong Kong
Vastgesteld is inmiddels via strafrechtelijk onderzoek dat [bedrijf 8] Ltd geen énkele materiele bedrijfsuitoefening in Hong Kong verricht. Ook is er in Hong Kong geen personeel in dienst, noch worden er anderszins ondernemingsactiviteiten verricht. Er is slechts een inschrijving bij een accountantsfirma. Vanuit Nederland daarentegen worden de activiteiten verricht op het gebied van het verstrekken van financieringen.

De activiteiten van [bedrijf 8] Ltd vinden geheel vanuit Nederland plaats en betreffen Nederlandse zakenrelaties en Nederlandse vastgoedfinanciering. Als AB houder dient u in principe BOX2 inkomsten aan te geven voor de heffing van de inkomstenbelasting alsmede een gebruikelijk loon te ontvangen (artikel 12a Wet op de loonbelasting 1964).

In het kader van de aanslag ter behoud van rechten reken ik daarom voorlopig aan u toe een inkomen van € 100.000 Box 1 en een BOX 3 vermogen van €35.000.000.”.

2.19.

De aanslag IB/PVV 2015 is met dagtekening 15 april 2019 vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 100.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.400.000; tevens is bij beschikking € 47.853 belastingrente in rekening gebracht. De inspecteur heeft de aanslag en de rentebeschikking bij uitspraken op bezwaar gehandhaafd.

Strafrechtelijk onderzoek en strafrechtelijke procedure

2.20.

Eind november 2015 is een strafrechtelijk onderzoek gestart onder de naam [onderzoek] (hierna: het strafrechtelijk onderzoek). In het aanvangsproces-verbaal6 zijn belanghebbende, [naam 2] en [bedrijf 8] als verdachten aangemerkt. In dit proces-verbaal is vermeld dat het redelijk vermoeden is ontstaan dat belanghebbende, [naam 2] en [bedrijf 8] “zich vermoedelijk schuldig hebben gemaakt aan het witwassen c.q. gewoonte witwassen van crimineel verkregen gelden”. In het aanvangsproces-verbaal is onder meer het volgende vermeld:

Nader onderzoek naar de personen [ [naam 2] ] en [ [belanghebbende] ]

[ [naam 2] ] en [ [belanghebbende] ] zijn beide al tientallen jaren geleden uitgeschreven uit de GBA in Nederland. In de bestanden van de Belastingdienst zijn ook weinig gegevens bekend. Wat wel bekend is (…) van de betreffende personen is het volgende:

(…)

1. [ [naam 2] ] (…)

In september 2011 heeft [naam 2] aan de belastingdienst een tweetal certificaten afgegeven, gedateerd op resp 10 en 11 augustus 2011 waaruit blijkt dat hij ingeschreven staat in [plaats 7] op de Filipijnen en dat hij vrij mag in -en uitreizen. Voorts is een kopie van zijn paspoort gemaakt dat in 2007 is afgegeven door de Nederlandse Ambassadeur in [plaats 7] .

(…)

Ten aanzien van zijn vestigingsadres op de Filippijnen verklaart [naam 2] in een gesprek op 6 september 2011 met de Belastingdienst [plaats 8] het volgende: “ca. 30 a 40 dagen verblijft hij in Nederland; hij overnacht dan niet in Nederland, maar net over grens in een hotel in [plaats 11] in Duitsland. Hij verblijft naar schatting per saldo een half jaar op de Filippijnen. Hij heeft geen woning in Nederland.

In Duitsland verblijft hij in totaal ongeveer 70 a 80 dagen, dit is inclusief de nachten tijdens het juist genoemde verblijf in Nederland. Hij verblijft naar schatting 3 a 4 maanden in Europa.”

(…)

2. [ [belanghebbende] ] (…)

[ [belanghebbende] ] verklaart bij het bezoek van de controlerende ambtenaren van de Belastingdienst [plaats 8] op 6 september 2011 onder andere het volgende: “Zij is ca. 2 dagen per week op de zaak in [plaats 1] , slaapt op de bank, de resterende dagen zit zij in Duitsland waar zij een vakantiewoning heeft.

In juli 2011 is zij ca één maand op Taiwan geweest bij haar familie. Ook gaat zij binnenkort weer 1,5 maand naar Taiwan. Zij zegt geen sociale contacten te hebben.”.

(…)

Resumé redelijk vermoeden [bedrijf 8] , [naam 2] en [belanghebbende]

Uit het voorgaande komt het volgende naar voren:

 [bedrijf 8] is niet terug te vinden (behoudens Kamer van Koophandel in Hong Kong) in openbare bronnen als zijnde een investeerder en financier van onroerend goed;

 Het bedrijf heeft geen website en maakt geen reclame voor haar activiteiten;

 Het vestigingsadres van [bedrijf 8] is een Secretary (Trustkantoor) in een bedrijfsverzamelgebouw in Hong Kong;

 alle ‘Annual return’ formulieren zijn gedagtekend op de datum ‘ 16 april ’ van alle betreffende jaren dit doet vermoeden dat er in Hong Kong alleen sprake is van beheersactiviteiten;

 [bedrijf 8] is een offshore company uit Hong Kong, waar de jaarstukken niet hoeven te worden gedeponeerd;

 [bedrijf 8] dient, gezien de uitstaande financieringen, een goede administratie te voeren. Gezien het voorgaande punt is er geen duidelijkheid waar de daadwerkelijke administratie gevoerd wordt van [bedrijf 8] en/of de andere aan [naam 2] en [belanghebbende] gelieerde buitenlandse ondernemingen;

 [naam 2] en [belanghebbende] zijn betrokken bij een groot aantal buitenlandse rechtspersonen, met name off shore companies;

 [naam 2] en [belanghebbende] zijn beide al jaren geleden uitgeschreven uit Nederland. Het is onbekend wat zij sinds dat moment hebben gedaan c.q. wat de herkomst van hun vermogen is;

 Op een drietal facturen van [bedrijf 8] (…) is een Nederlands mobiel telefoonnummer vermeld als contact, er is geen telefoonnummer van [bedrijf 8] in Hong Kong vermeld. Wel is de naam en het telefoonnummer vermeld van de accountant in Hong Kong;

 Op deze facturen van [bedrijf 8] is als contact email adres vermeld: [email adres 1] , dit bedrijf heeft zichtbaar geen enkele relatie met [bedrijf 8] . Kennelijk beschikt [bedrijf 8] niet over een eigen e-mailadres en/of internetdomein;

 Op deze drie facturen van [bedrijf 8] is een postadres vermeld in [plaats 1] Nederland. Dit adres in [plaats 1] is tevens het vestigingsadres van een drietal ondernemingen, die direct of indirect zijn gelieerd aan [naam 2] en [belanghebbende] ;

 In [plaats 1] is o.a. [bedrijf 4] gevestigd, dit is een onderneming in tweede hands legermaterialen. Mw. [belanghebbende] runt deze onderneming;

 De website van [bedrijf 4] linkt door naar een website met Chinese kunst;

 [ [belanghebbende] ] verklaard tegen de Belastingdienst dat zij twee dagen per week op deze zaak in [plaats 1] is en dan slaapt op de bank. De resterende dagen zou zij verblijven in Duitsland in een vakantiewoning;

 [ [naam 2] ] verklaard tegen de Belastingdienst dat hij 30 tot 40 dagen per jaar in Nederland verblijft en dan slaapt in een hotel in Duitsland, een halfjaar op de Filippijnen en 3 tot 4 maanden in Europa;

 Bij het passeren van een hypotheek akte rijden [naam 2] en [belanghebbende] in een BMW met Duits kenteken op naam van de Duitse mevrouw [naam 5] ;

 Zowel [belanghebbende] als [naam 2] verklaren aan de Belastingdienst niet over verblijf/aanwezigheid in Hong Kong;

 [ [naam 2] ] verklaard aan de Belastingdienst dat hij gebruik maakt van zowel een Nederlands als een Hong Kongs mobiel telefoonnummer;

 [ [naam 2] ] verklaard voorts aan de Belastingdienst dat hij gebruik maakt van de emailadressen: [email adres 2] , [email adres 3] en [email adres 4] . Opmerkelijk hierbij is dat geen van deze ondernemingen kennelijk beschikt over een eigen domeinnaam, maar gebruik maakt van een algemeen e-mailadres;

 [ [belanghebbende] ] maakt gebruik van e-mailadressen van [bedrijf 4] en derhalve niet van [bedrijf 8] ;

 [ [belanghebbende] ] maakt gebruik van een Nederlands mobiel telefoonnummer;

 De leningen worden verstrekt aan ondernemingen/personen die op een reguliere wijze (in Nederland geregistreerde financiers) geen dan wel zeer moeilijk financieringen kunnen verkrijgen omdat zij reeds in een niet rooskleurige financiële positie verkeren en/of in onderzoek zijn bij de justitiële autoriteiten;

 De overeengekomen rentepercentages liggen tussen de 7% en 10%. Dit is opmerkelijk hoger dan het reguliere percentage dat Nederlandse financiële instellingen rekenen;

 Een van deze personen is [naam 6] . [naam 6] zegt in een tapgesprek uit 2014 dat hij besprekingen over de financiering door [bedrijf 8] heeft gevoerd met [naam 2] en [belanghebbende] in [plaats 1] , dat er een fonds zou zijn van 180 miljoen dat beschikbaar is om risicovol uitgeleend te worden;

 Bij de financiering genoemd onder de nummers 1, 2, 6, 9 en 10 bestaan directe en/of indirecte relaties met de personen [naam 7] en/of [naam 8] , terwijl deze personen zichtbaar geen enkele relatie hebben met de financier [bedrijf 8] of het gefinancierde onroerend goed.”.

2.21.

Tijdens het strafrechtelijk onderzoek naar de drie in het aanvangsproces-verbaal vermelde verdachten is informatie naar voren gekomen die leidde tot een vermoeden van fiscale fraude met betrekking tot de aangiften vennootschapsbelasting over de jaren 2007 tot en met 2015 van [bedrijf 4] . In het “PROCES-VERBAAL VAN VERDENKING FISCALE FRAUDE EN VALSHEID IN GESCHRIFT DOOR [bedrijf 4] B.V.”7 (hierna: proces-verbaal [nummer 6] ) is [bedrijf 4] voor het eerst als verdachte aangemerkt.

2.22.

Op 19 maart 2017 heeft een heimelijke doorzoeking plaatsgehad van het bedrijfspand. Tijdens de doorzoeking zijn onder andere foto’s en scans gemaakt van in het bedrijfspand aangetroffen administratieve bescheiden.8

2.23.

Op 10 oktober 2017 heeft een inval van de FIOD plaatsgevonden in het bedrijfspand. Tijdens de inval is een verblijfsruimte in het bedrijfspand aangetroffen. Belanghebbende en [naam 2] zijn die dag aldaar aangehouden op verdenking van onder meer witwassen, valsheid in geschrift en fiscale fraude. Op die datum heeft de FIOD onder meer de administratie van [bedrijf 4] in beslag genomen. Verder is in het bedrijfspand de handtas van belanghebbende aangetroffen, met daarin haar laptop en telefoon en de bedrijfsstempels van [bedrijf 7] en [bedrijf 8] . In het kader van het strafrechtelijk onderzoek is beslag gelegd op het vermogen van belanghebbende en [naam 2] en de met hen verbonden vennootschappen.

2.24.

Belanghebbende heeft tijdens haar verhoren onder meer het volgende verklaard, waarbij in elk “PROCES-VERBAAL VAN VERHOOR” “V” staat voor vraag verbalisanten, “A” voor antwoord van de verdachte of de getuige, “O” voor opmerking en “N” voor noot verbalisanten:

“V: Wat is uw eerste reactie op deze verdenkingen?

A: Ik weet echt niet wat wij hebben fout gedaan. Inmiddels zijn wij al 30 jaar in Nederland actief. Wij hebben regelmatig onderzoek gehad van de Belastingdienst. Wij hebben tot nu toe geen problemen gehad.

(…)

V: Waar woont u feitelijk?

A: Door mijn werk verblijf ik overal, soms verblijf ik in Duitsland, Nederland, Taiwan, Italië, Frankrijk. Afgelopen twee weken ben ik in Italië en Zwitserland geweest, maar dit was eigenlijk vakantie, maar ik was ook aan het werk. Maar feitelijk woon ik in Taiwan op het genoemde adres. Als ik in Europa ben, dan ben ik in de weekenden in Duitsland, in mijn weekendhuis. Op donderdagmiddag ga ik naar mijn weekendhuis in Duitsland. Op maandagavond ga ik terug naar Nederland, naar [plaats 1] . Als ik in Europa ben, dan ben ik ongeveer 80 dagen in [plaats 1] . Verder ben ik ook in Frankrijk Griekenland, Zwitserland, Italië.

V: Bent u heel het jaar in Nederland?

A: Nee, ik ben drie of vier maanden per jaar in Taiwan, soms in de Filipijnen en soms in Hong Kong om allerlei zaken te regelen. Ik vlieg soms ook naar Korea en Thailand. De meeste reizen zijn zakelijk, alleen China is niet zakelijk.

V: Wanneer bent u van plan om terug te gaan naar Azië?

A: Begin 2017 heb ik al geboekt om eind november terug te gaan. Meestal komen we dan eind maart en begin april weer terug naar Nederland.

V: Kunt u uw werk ook vanuit Azië doen?

A: Ja, ik kan alles vanaf mijn laptop doen.

(…)

V: Als u in Nederland verblijft, verblijft u dan in [plaats 1] ?

A: Ja, dan verblijven we in het bedrijfspand in [plaats 1] . Als [ [naam 2] ] in Nederland is dan verblijft hij ook in het bedrijfspand, maar hij verblijft soms ook weleens bij zijn zus in [plaats 9] . Dit denk ik, maar dit weet ik niet zeker. Dit is de enige familie die hij heeft. Eigenlijk wil ik zeggen dat we niet altijd samen in Nederland verblijven.

V: Mag u daar wel wonen?

A: Nee, je mag daar niet wonen. Wij wonen er ook niet, we verblijven er alleen.”9

en

“V: Hoe komt [bedrijf 8] aan de gelden die nodig zijn voor de bedrijfsactiviteiten?

A: Dit geld is van mij persoonlijk.

(…)

V: Wat is, ruw geschat, de omvang van de uitstaande financieringen geweest sinds [bedrijf 8] daarmee is begonnen in Nederland?

A: Het uitstaande saldo is gemiddeld denk ik € 10.000.0000. In 2013 is het bedrag omhoog gelopen, maar momenteel gaat het bedrag weer naar beneden.

(…)

V: Wie verzorgde en verzorgt de administratie van [bedrijf 8] ?

A: Ik verzorg de administratie van [bedrijf 8] . Dit heb ik altijd al gedaan.

V: Wie maakt de facturen?

A: Ik.

V: Hoe worden de facturen gemaakt en verzonden?

A: Ik maak deze op mijn laptop en deze verstuur ik per mail.

V: Welk email gebruikt u om de facturen te versturen?

A: [email adres 1] . Dit is eigenlijk het emailadres van meneer [naam 2] . [ [bedrijf 7] ] is zijn firma.”10

en

“V: Binnen het onderzoek is langere tijd met twee camera's het bedrijfspand in [plaats 1] geobserveerd. Op de camerabeelden is onder andere te zien dat in veel weken u op maandagavond met [ [naam 2] ] aankomt in de BMW en op donderdagmiddag met hem in de BMW wegrijdt. Komt deze vaststelling volgens u overeen met de werkelijkheid?

A: Ja, dat is voor mij vaster dan voor [ [naam 2] ].

(…)

V: De woonruimte in [plaats 1] en de woning aan het [adres 1] in [plaats 6] zijn vorige week doorzocht. Daarbij zagen onze collega’s dat op de beide slaapkamers een 2-persoonsbed stond, in [plaats 1] volledig beslapen. In [plaats 1] stond een kledingkast die zowel mannen- als vrouwenkleding en -schoenen bevatte. Beide soorten kleding en schoenen werden ook aangetroffen in een inloopkast naast de slaapkamer in [plaats 6] .

Wat kunt u verklaren over deze constateringen?

A: Wij delen die woonruimte. [ [naam 2] ] heeft zijn gedeelte en ik de mijne.

(…)

De verdachte wil nog iets toevoegen aan haar verklaring:

“Ik ben altijd druk. Ik werk dag en nacht. Ik heb echt geen tijd voor romantiek. Ik ben echt altijd druk, of ik werk of ik slaap. Iedereen weet hoe hard ik werk. Ik werk echt dag en nacht. Niet dat ik hou van werken, maar ik kan het niet laten liggen. Anders wordt het steeds meer. Ik heb ook geen tijd voor mijn eigen familie in Taiwan. Ik heb geen tijd voor andere vriendschappen, geen zakelijke vriendschappen. Ik heb daar geen tijd voor. Ik regel heel de dag zaken, voor iedereen waarmee ik te maken heb. (…)”11

en

[ [bedrijf 8] ]

V: [getuige 1] heeft het volgende verklaard in relatie tot [bedrijf 8] :

“V: Wat waren uw werkzaamheden binnen [ [bedrijf 8] ]?

A: in 2012 begon [ [belanghebbende] ] grote bedragen uit te lenen. Dit deed ze helemaal zelf. In 2014 werd het haar iets te veel en vroeg ze aan mij of ik dit wilde bijhouden in een kladboekhouding maar dit heb ik in het Minox boekhoudprogramma bijgehouden omdat ik dat beheers. Vanaf medio 2014 ben ik dit gaan doen in Minox. In eerste instantie regelde [ [belanghebbende] ] alles via haar eigen bankrekening, het was een onderneming zonder bankrekening. Volgens mij ergens medio 2014 was er ook een bankrekening bij HSBC en die kon ik dan ook bijhouden in Minox. Alle andere betalingen waarvan [ [belanghebbende] ] zei dat gedaan waren, werden in rekening-courant verhouding met [ [belanghebbende] ] verrekent. Twee weken geleden vertelde zij mij dat ze in Hong Kong ook een belastingaangifte moest indienen en dat ze hiervoor een jaarrekening moest hebben.

Ik ben toen aan de slag gegaan om de jaarstukken op te maken. Ik heb de jaarstukken van [bedrijf 8] opgemaakt voor de jaren 2013, 2014, 2015, 2016 en 2017, die zitten in de computer.”

Klopt het dat [getuige 1] de boekhouding doet voor [bedrijf 8] ?

A: Ja en nee. Meneer [getuige 1] doet alleen de cijfers intoetsen in de computer. Verder doet hij niets administratiefs. Om mij te helpen met openstaande posten, dan ben ik op de hoogte dat er betaald moet worden. De binnenkomende betalingen, waarvan ik moet weten dat die nog niet betaald zijn.

V: Klopt het dat [bedrijf 8] in het begin geen eigen bankrekening had?

A: [bedrijf 8] heeft vanaf het begin af aan een eigen bankrekening gehad.

V: Hoe komt het dan dat [getuige 1] dan verklaart dat in eerste instantie alles via uw eigen bankrekening liep?

A: in 2013 kan het zijn dat [bedrijf 8] die bankrekening van de Standard Chartered Bank niet meer had. Daarna heeft [bedrijf 8] bij de HSBC wel een bankrekening gekregen. Als [bedrijf 8] geen bankrekening had, dan liep alles via mijn eigen bankrekening.

V: Heeft u [getuige 1] opdracht gegeven voor het maken van de jaarrekeningen van [bedrijf 8] vanaf 2013?

A: Nee, ik heb geen opdracht gegeven om de jaarrekeningen te maken. Ik heb gezegd om het concept op te maken, ik kan deze dan controleren. Hierna kan ik deze doorsturen naar de accountant in Hong Kong. Hij heeft alle cijfers en kan die samenvatten.

(…)

V: Heeft [bedrijf 8] ooit ruimte gehuurd in Hong Kong?

A: Nee. Ik betaal wel de accountant voor ons gedeelte van het kantoor.

V: U zegt dat [bedrijf 8] alleen klanten in Nederland heeft.

Heeft [bedrijf 8] inderdaad uitsluitend klanten in Nederland?

A: Meestal wel. Nu ook in Frankrijk voor [bedrijf 10] .

(…)

V: Wie heeft de bankrekeningen van [bedrijf 8] geopend?

A: Bij de Standard Charted Bank weet ik niet wie. Bij HSBC en DBS is dat [ [naam 2] ] geweest. Hij was de directeur en dus de enige die de bankrekeningen kan openen.

(…)

V: Wie houdt de mutaties op deze rekeningen bij?

A: Ik.

V: Op welke manier komt die informatie binnen?

A: Via de bankafschriften. Tegenwoordig is het steeds meer gebruikelijk dat je een email of een sms krijgt.

V: Is er internetbankieren mogelijk voor de rekeningen van [bedrijf 8] ?

A: Ja.

V: Wie doet dat?

A: Ik.

V: Nog anderen?

A: Nee.

V: Wie mag overboekingen doen vanaf de bankrekeningen?

A: Ik als enige.

V: Op welke manier worden die overboekingen gedaan?

A: Via het internetbankieren.”.12

2.25.

[getuige 1] heeft tijdens zijn verhoor als getuige onder meer het volgende verklaard:

“V: Wie is uw leidinggevende binnen [bedrijf 4] ?

A. [ [belanghebbende] ], ze is alleen heerser, ze regelt alles. (…)

V: Wie was uw leidinggevende binnen de vennootschappen van [ [naam 2] ]?

A. In de jaren 70 was [naam 2] mijn leidinggevende, sinds de komst van [ [belanghebbende] ] is [ [belanghebbende] ] de leidinggevende geworden. Ze heeft letterlijk gezegd: Ik ben de baas.

(…)

V: Waar verblijven [ [belanghebbende] ] en [ [naam 2] ] gedurende het gehele jaar? (Azië, Duitsland, Nederland)

A: Ze wonen in Duitsland, daar wonen ze in het weekend van donderdag tot maandag en van maandag tot en met donderdag zijn ze in [plaats 1] . Dit is al jaren zo, zolang we in [plaats 1] zitten. Ze gaan in de winter vier maanden naar Azië toe, volgens mij om te overwinteren. Ze hebben verschillende plekken in Azië waar ze naartoe gaan. Hun basis is volgens mij in Taiwan. Ze vertellen hier weinig over.

(…)

[ [bedrijf 8] ]

V. Wat kunt u verklaren over [ [bedrijf 8] ]? (wie is [bedrijf 8] , wat waren de bedrijfsactiviteiten, vestigingsplaats)

A: Is het zelfde als [bedrijf 11] een financieringsfirma uit Hong Kong. Zij hebben de leningen van [bedrijf 11] overgenomen van [bedrijf 4] en van [bedrijf 5] . Ze maken renterekeningen op aan [bedrijf 4] en [bedrijf 5] . Omdat er wat verschillen in de leningsbedragen zaten tussen de boekhouding van [bedrijf 8] en [bedrijf 4] is door [ [belanghebbende] ] besloten dat [bedrijf 4] zelf de renterekeningen opmaakt namens [bedrijf 8] aan [bedrijf 4] . Aan het einde van de periode gaf ik of iemand anders van de boekhouding aan dat er een bedrag aan rente opstond welke [bedrijf 4] moest voldoen aan [bedrijf 8] en dan maakte of [ [belanghebbende] ] of iemand van de boekhouding een rekening op voor dit rentebedrag. Dit waren geen dagrentes maar een gemiddelde van de maand, dit veroorzaakte vaak die eerdergenoemde verschillen. Deze rekeningen worden nu per drie maanden opgemaakt.

V: Wat waren uw werkzaamheden binnen [bedrijf 8] ?

A: in 2012 begon mevrouw [belanghebbende] grote bedragen uit te lenen. Dit deed ze helemaal zelf. In 2014 werd het haar iets te veel en vroeg ze aan mij of ik dit wilde bijhouden in een kladboekhouding maar dit heb ik in het Minox boekhoudprogramma bijgehouden omdat ik dat beheers. Vanaf medio 2014 ben ik dit gaan doen in Minox. In eerste instantie regelde [ [belanghebbende] ] alles via haar eigen bankrekening, het was een onderneming zonder bankrekening. Volgens mij ergens medio 2014 was er ook een bankrekening bij HSBC en die kon ik dan ook bijhouden in Minox. Alle andere betalingen waarvan [ [belanghebbende] ] zei dat gedaan waren, werden in rekeningcourant verhouding met [ [belanghebbende] ] verrekent. Twee weken geleden vertelde zij mij dat ze in Hong Kong ook een belastingaangifte moest indienen en dat ze hiervoor een jaarrekening moest hebben. Ik ben toen aan de slag gegaan om de jaarstukken op te maken. Ik heb de jaarstukken van [bedrijf 8] opgemaakt voor de jaren 2013, 2014, 2015, 2016 en 2017, die zitten in de computer.

V: Wie geeft leiding binnen [ [bedrijf 8] ]?

A: Alles wat betrekking heeft op [bedrijf 8] hoor ik via [ [belanghebbende] ].”.13

2.26.

In een proces-verbaal met nummer [nummer 1] , opgemaakt op 19 december 2018, betreffende “PV fiscaal delict (art. 69 lid 2 AWR) en valsheid in geschrift (art. 225 lid 1 WvSr)” (hierna: proces-verbaal [nummer 1] ) is onder meer het volgende vermeld:

Levensloop [ [naam 2] ] en [ [belanghebbende] ] samen

De levensloop van [ [naam 2] ] en [ [belanghebbende] ] samen start rond 1989. [ [naam 2] ] en [ [belanghebbende] ] leerden elkaar eerder kennen. Dat was in 1975, vermoedelijk tijdens een zakenreis van [ [naam 2] ] in Taiwan.

[hof: passage zwart gelakt]

[ [naam 2] ] verklaarde in zijn zevende verhoor dat hij in 1990 slechts enkele maanden getrouwd is geweest met [ [belanghebbende] ].

Zoals eerder vermeld beschikt het onderzoeksteam over een uittreksel van het Taiwanees bevolkingsregister waarop een huwelijk staat vermeld tussen 1992 en 2007.

De Taiwanese autoriteiten hebben dit huwelijk bevestigd in een informatieverstrekking en gesteld dat de echtscheiding tussen [ [naam 2] ] en [ [belanghebbende] ] vermoedelijk vals (“fake”) is.

[hof: passage zwart gelakt] nemen zij hun intrek in de in opdracht van [ [naam 2] ] gebouwde woning op het adres [adres 1] te [plaats 6] , Duitsland.

Op 30 augustus 2001 wordt er een bedrijfspand gekocht op [adres 2] te [plaats 1] voor de vestiging van [ [bedrijf 4] ].

Uit het onderzoek is gebleken dat er een woonruimte is gecreëerd in dit pand waar [ [belanghebbende] ] en [ [naam 2] ] gebruik van maken als zij in Nederland verblijven. Tijdens hun aanhouding was deze woonruimte door hen als zodanig in gebruik. Het gebruik van dergelijke woonruimte is overigens in strijd met het aldaar geldende bestemmingsplan. (…)

Er is vastgesteld dat [ [naam 2] ] en [ [belanghebbende] ] de afgelopen jaren afwisselend in Nederland en Duitsland verblijven en dat hierin een patroon valt vast te stellen. Daarnaast is gebleken dat zij enkele maanden per jaar (wintermaanden) in Azië verblijven.

[hof: passage zwart gelakt]

[ [belanghebbende] ] en [ [naam 2] ] verklaren dat ze gezamenlijk eigendom hebben van 2 samengevoegde appartementen op de Filipijnen en daar periodiek (gezamenlijk) verblijven. [ [naam 2] ] verklaarde dat hij sinds 1979 op de Filipijnen woonachtig is en daar ook zijn belastingaangifte doet. [ [naam 2] ] verklaarde dat hij echter over zijn verdiensten buiten de Filipijnen geen belasting hoeft te betalen en dus geen belasting betaalt op de Filipijnen. Tot slot verklaarde [ [naam 2] ] hierover dat hij in de winter op de Filipijnen is en in de zomer in Europa.”.

2.27.

Bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 23 december 2021 is belanghebbende strafrechtelijk veroordeeld voor onder meer het feitelijk leiding geven aan het (mede)plegen van witwassen van grote geldbedragen door [bedrijf 8] en [bedrijf 5] en het feitelijk leiding geven aan het onjuist en/of onvolledig doen van aangiften vennootschapsbelasting van [bedrijf 4] over de jaren 2010 tot en met 2013 en 2015. Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld.

2.28.

Bij vonnis van 4 juli 2023 heeft de rechtbank Oost-Brabant onder meer geoordeeld dat het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat wordt vastgesteld op € 12.781.826, dat aan belanghebbende de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van een geldbedrag van € 9.883.573,50 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel en dat wordt bepaald dat belanghebbende en medeveroordeelde(n) voor een deel hoofdelijk aansprakelijk zijn voor deze betalingsverplichting.

2.29.

In het kader van de strafprocedure heeft belanghebbende [adviseur] (hierna: [adviseur] ), een Duitse adviseur verbonden aan [adviseur] Consulting UG, opdracht gegeven een reconstructie te maken van het door haar gegenereerde vermogen in de periode 1975 tot en met 2017. [adviseur] heeft van het onderzoek een notitie opgemaakt “interne uiteenzetting” met dagtekening 11 juni 2018 en een rapport met dagtekening 13 augustus 2018 (hierna tezamen: het rapport Reiser). Uit het rapport Reiser blijkt een door belanghebbende gegenereerd vermogen van € 35.041.929 en een door [naam 2] gegenereerd vermogen van € 12.948.446.

Getuigenverklaringen

2.30.

[getuige 1] , thans gepensioneerd en voorheen boekhouder en administrateur bij [bedrijf 4] , heeft als getuige ter zitting van het hof van 25 september 2025 onder meer het volgende verklaard:

“Op de vraag van de gemachtigde wie de leidinggevende van [bedrijf 4] was, antwoord ik:

Dat was mevrouw [belanghebbende] .

(…)

Op de vraag van de gemachtigde of ik de bedrijfsadministratie van [bedrijf 8] wel eens heb gezien in het kantoorpand in [plaats 1] , antwoord ik:

Nee, die administratie heb ik nooit gezien. Ook niet van andere firma’s.

(…)

Op de vraag van de voorzitter wat er gebeurde binnen [bedrijf 4] als mevrouw [belanghebbende] er niet was, antwoord ik: Ik kan het me niet meer goed herinneren. Maar ik had telefonisch contact en per mail en fax. Alles wat gebeurde was in opdracht van [ [belanghebbende] ].

Op de vraag van de voorzitter of, in de maanden dat [ [belanghebbende] ] en [ [naam 2] ] bij [bedrijf 4] waren, zij er dan samen waren, antwoord ik:

Ik kan niet zeggen dat ze altijd samen waren, omdat [ [naam 2] ] periodes niet aanwezig was. Ik weet niet waar hij dan was. Ik denk op verschillende plaatsen in Europa. Thuis noem ik het huis in [plaats 6] .

Ik weet niet meer exact gedurende welke periodes dat was. Ik had geen contact met [ [naam 2] ]. Wat ik hoorde was via [ [belanghebbende] ].”.

2.31.

[getuige 4] , voormalig inspecteur bij de Belastingdienst, heeft als getuige ter zitting van het hof van 26 september 2025 onder meer het volgende verklaard:

“Op de vraag van de gemachtigde of ik in 2011 aan mevrouw [belanghebbende] heb gevraagd of in [plaats 1] een slaapgelegenheid was, antwoord ik:

Dat heb ik op dat moment niet gevraagd.

Op de vraag van de gemachtigde of ik kan aangeven hoe ik in augustus 2018 toegang heb gekregen tot de overnachtingsfaciliteit in het bedrijfspand in [plaats 1] , antwoord ik:

Ik heb aan mevrouw [belanghebbende] , die werd vergezeld door advocaat [naam 10] , gevraagd of wij de bedrijfsruimte mochten zien. Dat was akkoord. Ik heb gebruik gemaakt van de mogelijkheden die de wet mij geeft en ik heb gezien dat zich er een slaapkamer, badkamer en woonkamer en gang bevond. Die was gestoffeerd. Er lagen badjassen en ik kon zien dat er iemand woonde.

Op de vraag van de gemachtigde of ik toestemming heb gevraagd om die ruimte te mogen betreden en toestemming heb gekregen, antwoord ik:

Ja. Er was geen discussie. Het was duidelijk bij mij en mijn collega dat ik dat mocht zien.

Op de vraag van de gemachtigde of ik daarbij ben begeleid door mevrouw [belanghebbende] en/of haar advocaat, antwoord ik:

Dat weet ik niet meer.

Ter verduidelijk van het antwoord op deze vraag, antwoord ik:

Uitdrukkelijk heb ik toestemming gekregen. Mevrouw [belanghebbende] en/of advocaat [naam 10] zijn mee gegaan. Want wij wisten de weg niet. Wij hebben ons niet eigenmachtig de toegang verschaft.

Na diverse opmerkingen vul ik mijn antwoord als volgt aan:

Er is mij de weg gewezen naar de privévertrekken in het pand. Ik weet niet meer of mevrouw [belanghebbende] dan wel advocaat [naam 10] mij daarbij hebben vergezeld.

(…)

Op de vraag van de oudste raadsheer of, toen ik stopte met mijn werkzaamheden, ik alle op de zaak betrekking hebbende stukken heb overgedragen aan mijn opvolger, antwoord ik:

Ja.

Op de vraag van de gemachtigde of ik een selectie heb gemaakt van de over te dragen stukken, antwoord ik:

Nee.”.

2.32.

[getuige 5] , ten tijde van het strafrechtelijk onderzoek opsporingsambtenaar bij de FIOD en thans werkzaam bij de Belastingdienst, heeft als getuige ter zitting van het hof van 26 september 2025 onder meer het volgende verklaard:

“De gemachtigde houdt mij voor dat in proces-verbaal [nummer 6] document [nummer 7] (‘ [naam 9] ’) wordt gebruikt in het kader van de verdenking van belastingfraude.

Op de vraag van de gemachtigde of ik heb geconstateerd dat document [nummer 7] niet is voorzien van een briefhoofd, een naam of een handtekening, en heb geconstateerd dat de herkomst van het document daarom niet verifieerbaar is, antwoord ik:

ik kan mij niet herinneren of ik het geverifieerd heb.

(…)

De gemachtigde houdt mij voor dat, nadat ik negen sets facturen had samengesteld, ik de heer [getuige 3] op 18 december 2017 wederom heb gesproken. Uit het verslag van deze bespreking (document [nummer 8] ) volgt dat volgens de heer [getuige 3] ‘er duidelijke aanwijzingen zijn voor het afromen van winst en dus het ontduiken van vennootschapsbelasting’, namelijk:

 het langdurig gebruiken van deze vormen van transacties (‘6 varianten’);

 het structureel verliesgevend zijn van [bedrijf 4] ;

 een nauwe zakelijke relatie tussen [naam 2] en [belanghebbende] en de bedrijven waarvan zij eigenaar en bestuurder zijn, waardoor deze in feite als één geheel functioneren;

 een relatief groot aandeel van de verkopen aan [bedrijf 7] in de totale omzet van [bedrijf 4] , zowel in aantal transacties als in omzetbedragen;

 wetenschap bij zowel [belanghebbende] als [naam 2] over de winsten die aan [bedrijf 4] en [bedrijf 7] zijn toegekomen;

 afhankelijkheid bij [bedrijf 4] van de financiering door [bedrijf 8] Limited als [bedrijf 8] een rechtspersoon is die door [belanghebbende] en/of [naam 2] beheerst wordt;

 een significant lagere bruto-winst voor [bedrijf 7] bij de transacties zonder [bedrijf 4] (inkoop van derden) ten opzichte van transacties met inkoop bij [bedrijf 4] ;

 het realiteitsgehalte van [bedrijf 7] : wat voegt deze eenmanszaak toe en waarom koopt [bedrijf 4] in voor [bedrijf 7] ?

De gemachtigde houdt mij voor dat het verslag afsluit met de mededeling: ‘Deze aanwijzingen kunnen nader worden beoordeeld aan de hand van de resultaten van het strafrechtelijk onderzoek. Vanuit de Belastingdienst kan een ambtsedige verklaring worden opgesteld of aan een getuigenverhoor (deskundige) worden meegewerkt.’

Op de vraag van de gemachtigde hoe ik heb vastgesteld dat [bedrijf 4] structureel verliesgevend is, antwoord ik:

Dat zal uit de aangifte vennootschapsbelasting zijn gebleken.

Op de vraag van de gemachtigde of ik het van belang acht dat [bedrijf 4] structureel verliesgevend is voor het vermoeden van winstafroming, antwoord ik:

Ja, dat is een element.

Op de vraag van de gemachtigde hoe ik heb vastgesteld dat sprake is van een relatief groot aandeel van de verkopen aan [bedrijf 7] in de totale omzet van [bedrijf 4] , zowel in aantal transacties als in omzetbedragen, antwoord ik:

Dat kan ik mij niet meer herinneren.

Op de vraag van de gemachtigde of ik voor het vermoeden van winstafroming van belang achtte dat de handel met [bedrijf 7] voor een relatief groot aandeel uitmaakt van de totale handel van [bedrijf 4] , stelt het hof een vervolgvraag:

Op de vraag van de jongste raadsheer wie de afweging heeft gemaakt dat er aanwijzingen zijn voor het afromen van winst, antwoord ik:

Dat was de heer [getuige 3] .

De jongste raadsheer concludeert dat dergelijke vragen daarom niet beantwoord kunnen worden door de getuige.

Op de vraag van de gemachtigde hoe ik heb vastgesteld dat sprake is van een significant lagere brutowinst voor [bedrijf 7] bij de transacties zonder [bedrijf 4] (inkoop van derden) ten opzichte van transacties met inkoop bij [bedrijf 4] , antwoord ik:

Dat weet ik niet.”.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

  1. Is de rechtbank vooringenomen?

  2. Heeft de inspecteur gehandeld in strijd met het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer?

  3. Heeft de inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?

  4. Is sprake van onrechtmatig verkregen bewijs en, zo ja, moet dat bewijs in de onderhavige zaak worden uitgesloten?

  5. Is belanghebbende in 2015 woonachtig in Nederland in de zin van artikel 4, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR)?

  6. Is belanghebbende in 2015 op grond van verdragstoepassing inwoner van Nederland?

  7. Indien vraag e ontkennend wordt beantwoord: moet belanghebbende in 2015 worden aangemerkt als buitenlands belastingplichtige?

  8. Dient de bewijslast te worden omgekeerd en verzwaard, omdat belanghebbende niet de vereiste aangifte IB/PVV 2015 heeft gedaan?

  9. Heeft de inspecteur de aanslag gebaseerd op een redelijke schatting?

  10. Heeft belanghebbende overtuigend aangetoond dat en in hoeverre de aanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld?

  11. Is de aanslag tot een te hoog bedrag vastgesteld omdat deze op grond van het vertrouwensbeginsel moet worden vernietigd dan wel verminderd?

  12. Kan de inspecteur zich met succes beroepen op interne compensatie?

  13. Heeft belanghebbende recht op vergoeding van immateriële schade?

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en hetgeen zij hieraan ter zittingen hebben toegevoegd. Tijdens de regiezitting hebben partijen verklaard dat stukken en standpunten die in één of meer van de in 1.16 en 1.19 genoemde zaken zijn ingebracht geacht worden ook onderdeel uit te maken van de dossiers in die andere zaken. Een uitzondering heeft te gelden voor het bericht van 1 mei 2025 en de daarbij gevoegde bijlagen; deze stukken zijn uitsluitend ingediend in de zaken 23/374 tot en met 23/384.

3.3.

Belanghebbende heeft in paragraaf 10.1.4 van het hogerberoepschrift gesteld dat geen sprake is van een nieuw feit. Nadat het hof op de regiezitting heeft voorgehouden dat de aanslag IB/PVV 2015 in geschil is, die geen navordering betreft, heeft belanghebbende die stelling bij bericht van 14 mei 2025 ingetrokken.

3.4.

In hoger beroep is niet langer in geschil dat de inspecteur uitsluitend beschikt over proces-verbaal [nummer 1] zoals dat in geschoonde vorm - namelijk met een groot aantal zwart gelakte passages - tot de gedingstukken behoort. De inspecteur beschikt dus niet over een ongeschoonde versie van proces-verbaal [nummer 1] .

3.5.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de aanslag. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

5 Beslissing