Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 10-12-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3540, 24/361
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 10-12-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3540, 24/361
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 10 december 2025
- Datum publicatie
- 21 januari 2026
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2024:333, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- 24/361
Inhoudsindicatie
Artikel 7, lid 4, Wet OB. Belanghebbende vormt samen met een andere vennootschap een fiscale eenheid voor de omzetbelasting. De vennootschappen zijn in financieel en organisatorisch opzicht nauw verweven en sprake is van niet verwaarloosbare economische betrekkingen.
Uitspraak
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/361
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 23 januari 2024, nummer 22/5342, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
1 Ontstaan en loop van het geding
Met toepassing van artikel 7, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) heeft de Inspecteur bij beschikking van 4 november 2020 belanghebbende, [A CV] , [B CV] en [C BV] aangemerkt als één ondernemer. De datum van ingang is 1 december 2020.
Belanghebbende heeft tegen de beschikking bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft het bezwaar gegrond verklaard en heeft de beschikking fiscale eenheid gewijzigd in die zin dat [A CV] met terugwerkende kracht tot 1 december 2020 uit de
fiscale eenheid is verwijderd.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard omdat de beschikking moet worden gewijzigd in die zin dat belanghebbende en [C BV] vanaf 1 december 2020 geen fiscale eenheid voor de omzetbelasting vormen met [B CV]
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan het hof, niet op de zitting verschenen. Belanghebbende is bij bericht, verzonden via Mijn Rechtspraak op 13 augustus 2025 onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Tegelijk met de verzending van het bericht is een kennisgeving verzonden naar het door belanghebbende opgegeven e-mailadres.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen ter beschikking wordt gesteld.
2. Feiten
Belanghebbende is een holdingmaatschappij die diverse deelnemingen houdt en investeringen verricht. [C BV] exploiteert een cafetaria en ijssalon en huurt een pand inclusief inventaris van belanghebbende.
De aandelen in belanghebbende en [C BV] zijn middellijk in handen van de
heer [naam] . De heer [naam] is (indirect) bestuurder van belanghebbende en
[C BV]
De inspecteur heeft de beschikking vastgesteld op 4 november 2020. Hiertegen heeft belanghebbende op 4 december 2020 bezwaar ingediend.
Bij de uitspraak op bezwaar van 25 juli 2022 heeft de inspecteur [A CV]
met terugwerkende kracht tot 1 december 2020 verwijderd uit de fiscale
eenheid, omdat volgens de inspecteur geen sprake was van economische verwevenheid.
Belanghebbende, [B CV] en [C BV] voldoen volgens de
uitspraak op bezwaar wel aan de vereisten voor een fiscale eenheid.
Het dossier bevat vier facturen van belanghebbende aan [C BV] voor de huur van een pand en inventaris. Op de facturen wordt hiervoor een bedrag van € 5.000 (exclusief omzetbelasting) in rekening gebracht. De facturen hebben als datum 15 mei 2020, 30 juni 2020, 17 juli 2020 en 25 augustus 2020. De omzetbelasting bedraagt per factuur € 1.050. In totaal wordt per factuur een bedrag van € 6.050 in rekening gebracht.
Het dossier bevat verder uitdraaien uit de administratie van belanghebbende. Het betreft de volgende boekingen met betrekking tot de gefactureerde huur voor het pand en inventaris (bijlage 17 bij het verweerschrift): 1 juni 2020 (factuurnummer [factuurnummer 1] ), 1 juli 2020 (factuurnummer [factuurnummer 2] ), 1 augustus 2020 (factuurnummer [factuurnummer 3] ), 1 september 2020 (factuurnummer [factuurnummer 4] ), 1 oktober 2020 (factuurnummer [factuurnummer 5] ), 1 november 2020, (factuurnummer [factuurnummer 6] ) en 1 december 2020, (factuurnummer [factuurnummer 7] ). Op elke uitdraai staat: “ BETAALD € 6.050”.
De winst- en verliesrekening over het jaar 2020 van [C BV] (bijlage 18 bij het verweerschrift) vermeldt aan de debetzijde onder “Huisvestingskosten” een bedrag van € 17.500 aan “Huur kantoor, gebouwen”. Aan de debetzijde onder “Kosten machines/inventaris” is een bedrag van € 17.500 aan “Huur inventaris” opgenomen.
Uit de stukken volgt het volgende overzicht “1300-BTW betaalt (voorbelasting)” van [C BV] :
|
Datum |
Referentie |
Omschrijving |
Boekstuknummer |
Debet |
Credit |
|
15-5-2020 |
[factuurnummer 1] |
[persoon] |
04- [nummer 1] |
1.050,00 |
|
|
30-6-2020 |
[factuurnummer 2] |
[persoon] |
04- [nummer 2] |
1.050,00 |
|
|
17-7-2020 |
[factuurnummer 3] |
[persoon] |
04- [nummer 3] |
1.050,00 |
|
|
25-8-2020 |
[factuurnummer 4] |
[persoon] |
04- [nummer 4] |
1.050,00 |
|
|
17-9-2020 |
[factuurnummer 5] |
[persoon] |
04- [nummer 5] |
1.050,00 |
|
|
15-10-2020 |
[factuurnummer 6] |
[persoon] |
04- [nummer 6] |
1.050,00 |
|
|
16-11-2020 |
[factuurnummer 7] |
[persoon] |
04- [nummer 7] |
1.050,00 |
Uit de kwartaalaangiften voor het jaar 2020 van belanghebbende volgt een omzet van € 103.051.
3 Geschil en conclusies van partijen
In hoger beroep is in geschil of de beschikking fiscale eenheid omzetbelasting ten aanzien van belanghebbende en [C BV] terecht is gegeven.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, behoudens het oordeel dat [B CV] vanaf 1 december 2020 niet meer als onderdeel van de fiscale eenheid wordt aangemerkt, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging van de beschikking. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.
Tussen partijen is, overeenkomstig het oordeel van de Rechtbank, niet (meer) in geschil dat [B CV] vanaf 1 december 2020 niet meer als onderdeel van de fiscale eenheid wordt aangemerkt.
Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van financiële verwevenheid tussen belanghebbende en [C BV]
4 Gronden
Op grond van artikel 7, lid 4, Wet OB worden de in die bepaling bedoelde personen en lichamen als één ondernemer aangemerkt indien zij in financieel, organisatorisch en economisch opzicht zodanig zijn verweven dat zij een eenheid vormen (fiscale eenheid). Deze bepaling strekt tot uitvoering van artikel 11 van Btw-richtlijn 2006 en moet worden geacht daarmee in overeenstemming te zijn. Op grond van de laatstgenoemde bepaling is een lidstaat bevoegd om personen die binnen het grondgebied van deze lidstaat zijn gevestigd en die juridisch gezien zelfstandig zijn, maar financieel, economisch en organisatorisch nauw met elkaar verbonden zijn, tezamen als één belastingplichtige aan te merken.1
Voor de heffing van omzetbelasting dienen alle geld- en goederenbewegingen en diensten binnen een fiscale eenheid buiten beschouwing te blijven.2
Bij de beantwoording van de vraag of de hiervoor bedoelde, voor een fiscale eenheid vereiste nauwe verwevenheid bestaat, moeten de banden van financiële, organisatorische en economische aard in onderlinge samenhang worden beoordeeld. Waar het om gaat is dat de betrokken personen, ondanks hun juridische zelfstandigheid, in financieel, organisatorisch en economisch opzicht zodanige banden hebben dat kan worden gezegd dat zij als eenheid - en dus als één ondernemer - een zelfstandige economische activiteit uitoefenen. De voorwaarde van nauwe verwevenheid vereist niet dat een verhouding van ondergeschiktheid bestaat. Een verhouding van ondergeschiktheid kan alleen als noodzakelijke voorwaarde voor de vorming van een btw-groep worden beschouwd in het uitzonderlijke geval waarin deze voorwaarde in een welbepaalde nationale context volgens een nationale wettelijke regeling vereist is, en bovendien nodig en geschikt is ter verwezenlijking van de doelstelling misbruik te voorkomen dan wel van de doelstelling belastingfraude of -ontwijking te bestrijden.3
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van organisatorische en economische verwevenheid tussen belanghebbende en [C BV]
Ten aanzien van de organisatorische verwevenheid voert belanghebbende het volgende aan. Hoewel de heer [naam] (indirect) bestuurder is van beide vennootschappen is geen sprake van een gezamenlijke, als eenheid functionerende leiding. Binnen [C BV] werd een snackbar annex ijssalon geëxploiteerd. Echter, door COVID-19 (en daarna detentie van de heer [naam] ) heeft geen feitelijke exploitatie binnen [C BV] plaatsgevonden. Feitelijk gezien is dan ook geen bestuur gevoerd over [C BV] , waardoor een
gezamenlijke leiding ontbreekt, aldus belanghebbende. Verder geldt dat de bestuursfuncties van de heer [naam] in beide vennootschappen compleet verschillend waren. Ook is geen sprake van ondergeschiktheid van de ene entiteit ten opzichte van de andere entiteit.
Volgens de inspecteur is sprake van organisatorische verwevenheid. De heer [naam] is via de vennootschap [D BV] indirect bestuurder van zowel
belanghebbende als [C BV] Uit jurisprudentie van de Hoge Raad
volgt dat dit voldoende is om een gezamenlijke leiding te veronderstellen bij de twee laatstgenoemde vennootschappen.
De Hoge Raad heeft in het arrest van 22 februari 1989 geoordeeld dat voor verwevenheid in organisatorisch opzicht is vereist dat de betrokken personen onder een gezamenlijke, althans als een eenheid functionerende, leiding staan, dan wel de leiding van de ene persoon ten opzichte van die van de andere persoon in een positie van feitelijke ondergeschiktheid verkeert.4
Voor ‘een gezamenlijke, althans als eenheid functionerende, leiding’ is niet vereist dat binnen de groep personen de gezamenlijke leiding bij één persoon berust. Een gezamenlijke leiding kan ook bestaan wanneer tussen de betrokken personen zodanig nauwe banden in bestuur en leiding bestaan dat zij tezamen het bestuur en de leiding voeren.5
Naar het oordeel van het hof is sprake van organisatorische verwevenheid tussen belanghebbende en [C BV] De heer [naam] is (via de vennootschap [D BV] ) bestuurder van voormelde vennootschappen. Dit brengt mee dat de vennootschappen onder leiding staan van een en dezelfde persoon, te weten de heer [naam] . Hij is degene die voor beide vennootschappen het interne beleid met betrekking tot de te volgen strategie kan maken en eigenhandig commerciële en organisatorische beslissingen kan nemen voor beide vennootschappen. Van belang hierbij is dat gesteld noch gebleken is dat andere (rechts)personen (in)direct betrokken zijn, andere dan de heer [naam] , bij de feitelijke leiding van de voormelde vennootschappen.
Ten aanzien van de economische verwevenheid voert belanghebbende het volgende aan. Ter onderbouwing van de aanwezigheid van economische verwevenheid heeft de inspecteur in beroep een tweetal producties overgelegd waaruit volgt dat belanghebbende in de periode juni tot en met september 2020 een bedrag van in totaal € 20.000 heeft gefactureerd aan [C BV] Van het over het derde kwartaal gefactureerde bedrag van € 15.000 is slechts € 1.050 overgeboekt naar belanghebbende. Dat acht keer een bedrag van € 5.000 aan [C BV] zou zijn gefactureerd (en betaald) door belanghebbende, zoals de inspecteur stelt, is niet aannemelijk aan de hand van de in beroep overgelegde producties. Gelet op de voormelde vier facturen en betaling is niet voldaan aan de omzettoets van minimaal 27,2% zoals volgt uit jurisprudentie van de Hoge Raad, aldus belanghebbende. Verder geldt dat indien een fiscale eenheid tussen [C BV] en belanghebbende wordt geconstateerd, een holdingmaatschappij nimmer een pand kan verhuren aan een dochteronderneming zonder dat een fiscale eenheid voor de omzetbelasting wordt gevormd. Dit kan niet een door de wetgever gewenst gevolg zijn.
Volgens de inspecteur is wel sprake van economische verwevenheid. Het door de Hoge Raad aangehaalde percentage van 27,2 aan onderlinge economische betrekkingen vormt geen ondergrens. Uit de jurisprudentie volgt dat sprake moet zijn van niet verwaarloosbare economische betrekkingen tussen de vennootschappen. Dit kan al aan de orde zijn bij een percentage van minder dan 1.
In dit verband voert de inspecteur verder aan dat tussen belanghebbende en [C BV] sprake is van nauwe financiële en organisatorische verwevenheid en dat sprake is van niet verwaarloosbare economische betrekkingen tussen de vennootschappen omdat belanghebbende 34% van haar omzet behaalt met prestaties aan [C BV] Ter onderbouwing wijst de Inspecteur in hoger beroep op de administratie van [C BV] waaruit volgt dat vanaf mei 2020 tot en met november 2020 maandelijks een bedrag van € 5.000 (excl. btw) gefactureerd werd aan [C BV] inzake de huur van het pand en de inventaris. Belanghebbende heeft daarmee € 35.000 omzet behaald met prestaties aan [C BV] terwijl de totale omzet € 103.051 bedraagt.
Van verwevenheid in economisch opzicht is sprake indien de activiteiten van de vennootschappen in hoofdzaak strekken tot verwezenlijking van een zelfde economisch doel, zoals de bediening van een gemeenschappelijke klantenkring, dan wel de activiteiten van de ene ondernemer in hoofzaak ten behoeve van de andere ondernemer worden uitgeoefend.6
In rechtsoverweging 3.4 van het arrest van 11 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:837, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat in een geval van financieel en organisatorisch verweven ondernemers ook economische verwevenheid kan worden aangenomen indien tussen de ondernemers onderling niet-verwaarloosbare economische betrekkingen bestaan. In dit arrest heeft de Hoge Raad voorts geoordeeld dat aan het bestaan van economische verwevenheid op deze grond niet afdoet dat de betrokken ondernemers in meer of minder belangrijke mate goederen leveren aan of diensten verlenen jegens derden. Bij de beantwoording van de vraag of de voor een fiscale eenheid vereiste verwevenheid aanwezig is, moeten de banden van financiële, organisatorische en economische aard in onderlinge samenhang worden beoordeeld. Een zodanige beoordeling brengt mee dat ondernemers die in financieel en organisatorisch opzicht nauw verweven zijn, tezamen een eenheid als bedoeld in artikel 7, lid 4, van de Wet OB vormen indien tussen deze ondernemers niet-verwaarloosbare economische betrekkingen bestaan.7
Vast staat dat belanghebbende tegen vergoeding een pand en inventaris verhuurt aan [C BV] Gelet op de door de inspecteur overgelegde stukken (2.5 tot en met 2.9) vindt het hof het aannemelijk dat belanghebbende daarmee een omzet van € 35.000 heeft behaald. Gelet op de totale omzet van belanghebbende kan wellicht niet worden gezegd dat de activiteiten van deze vennootschap in hoofdzaak ten behoeve van de andere vennootschap worden uitgeoefend, maar wel is sprake van niet-verwaarloosbare economische betrekkingen tussen de twee vennootschappen. Aangezien deze twee ondernemers in financieel en organisatorisch opzicht nauw verweven zijn, komt het hof tot de conclusie dat zij een fiscale eenheid voor de omzetbelasting vormen. Dit betekent dat de beschikking fiscale eenheid voor belanghebbende en [C BV] terecht is gegeven.
Slotsom
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.