Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 17-12-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3620, 23/1571 en 23/1572
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 17-12-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3620, 23/1571 en 23/1572
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 17 december 2025
- Datum publicatie
- 3 februari 2026
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2023:6776, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Zaaknummer
- 23/1571 en 23/1572
- Relevante informatie
- Art. 2.17 Wet IB 2001, Art. 16 AWR, Art. 27e AWR
Inhoudsindicatie
Navorderingsaanslagen IB/PVV. Toepassing HR 13 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:26: moet prijsgeven in r.o. 3.4.3 materieel of formeel worden uitgelegd? Het hof volgt de formeel-juridische benadering en concludeert dat het ‘onzakelijk stilzitten’ onvoldoende is voor prijsgeven. Wel heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat voor wat betreft de jaarmutaties in 2012 en 2014 sprake is van een winstuitdeling. Nieuw feit / kwade trouw aanwezig. Hoger beroep gegrond. Incidentele hoger beroep ongegrond.
Uitspraak
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 23/1571 en 23/1572
Uitspraak op het hoger beroep van
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
en het voorwaardelijke incidentele hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [plaats 1] (Spanje),
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 2 oktober 2023, nummers BRE 21/2866 en 22/2415, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur
en
de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),
hierna: de minister.
1 Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft voor de jaren 2012 en 2014 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd. Gelijktijdig met de navorderingsaanslagen is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht en is voor het jaar 2012 bij beschikking een vergrijpboete opgelegd (hierna: de boetebeschikking).
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en het bezwaar betreffende de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 ongegrond en het bezwaar betreffende de boetebeschikking en de navorderingsaanslag IB/PVV 2014 gegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard.
De inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. De inspecteur heeft schriftelijk gereageerd op het voorwaardelijke incidentele hoger beroep.
De zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
Partijen hebben ieder voor de zitting nadere stukken en een pleitnota met bijlage(n) toegezonden aan het hof. De griffier heeft deze pleitnota’s doorgestuurd naar de andere partij. Deze pleitnota’s worden met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgelezen. Partijen hebben geen bezwaren geuit tegen overlegging van de bij de pleitnota van de wederpartij behorende bijlage(n).
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak is geplaatst.
2 Feiten
Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] 1949 en was gedurende de jaren 2012 en 2014 gehuwd. Belanghebbende is directeur en enig aandeelhouder van de in Nederland gevestigde vennootschap [bedrijf] B.V. (hierna: de B.V.).
Belanghebbende woonde tot 19 maart 2014 in Nederland en is sindsdien woonachtig in Spanje.
De B.V. heeft aan belanghebbende de volgende leningen verstrekt:
- -
-
in 1998 ƒ 1.490.000 (€ 676.133) voor de aankoop van een woning in [plaats 2] , [adres 1] ;
- -
-
in 2000 ƒ 785.000 (€ 356.217) voor de aankoop van een woning in Spanje;
- -
-
in 2001 ƒ 903.521 (€ 410.000) voor de aankoop van effecten; en
- -
-
tevens is er een rekening-courantvordering (hierna tezamen ook: de vorderingen).
Belanghebbende heeft leningsovereenkomsten overgelegd betreffende de lening voor de aankoop van de woning in [plaats 2] , [adres 1] , de lening voor de aankoop van de woning in Spanje en de lening voor de aankoop van de effecten. Van de rekening-courantvordering is geen overeenkomst overgelegd.
De vorderingen bedroegen eind 2011 € 2.100.627, eind 2012 € 2.191.978, eind 2013 € 2.263.655 en eind 2014 € 2.379.139. De mutatie over 2012 bedraagt € 91.351. De mutatie over 2014 bedraagt € 115.484. De winstreserves van de B.V. bedroegen ultimo 2012 € 2.002.143, ultimo 2013 € 2.022.908 en ultimo 2014 € 2.056.985.
Belanghebbende en zijn echtgenote hebben de schulden aangegeven als box 3-vermogen in de aangiften IB/PVV 2007 tot en met 2013. Belanghebbende en zijn echtgenote beschikken blijkens de aangiften IB/PVV 2012 en 2013 ultimo 2012 over vermogen van € 711.946 en ultimo 2013 over € 512.410. Dit betreffen een tweede woning in Spanje ter waarde van € 500.000, bank- en spaartegoeden in Nederland en (in 2012) ‘overige vorderingen en contant geld’ van € 205.935. In de emigratieaangifte IB/PVV 2014 is geen box 3-vermogen (meer) vermeld.
In de brief van 17 december 2014 heeft de B.V. naar aanleiding van een vragenbrief van de inspecteur inzake de aangifte Vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) 2012 het volgende geantwoord:
“- Lening u/g [belanghebbende] € 351.133,--: betreft de in 2013 verkochte eigen woning waarvan een afrekening aan u is toegezonden. Vordering dekt de waarde van de eigen woning niet (meer). Aflossing niet te verwachten.
- Lening u/g [belanghebbende] € 518.717,--: betreft de woning in Spanje. De waarde dekt de vordering. Aflossing bij verkoop te verwachten.
- Lening u/g [naam 1] € 74.171,--: betreft een aan zoon verstrekte lening waarvan de aflossing in 2015 start. Aflossing te verwachten.
- Lening u/g [naam 2] € 6.402,--: na 2012 geheel afgelost.
- Leningen effecten divers; deze leningen worden door de waardedalingen van de effecten niet meer gedekt door waarden van effecten,
- Rekening-courant [belanghebbende] : deze rekening-courant zal op termijn worden ingelost.”
Belanghebbende heeft de nota van afrekening overgelegd betreffende de verkoop in 2013 van een woning op het adres [adres 2] in [plaats 2] . Hieruit blijkt dat deze woning is verkocht voor € 485.000 en dat daarop nog een hypothecaire lening bij ING-bank van € 452.081,25 rustte. De overwaarde (na kosten) bedroeg € 32.439,67. Deze overwaarde is niet door belanghebbende aangewend ten behoeve van aflossing van zijn schulden aan de B.V.
Naar aanleiding van de aanslagregeling Vpb bij de B.V. voor het jaar 2012 heeft de inspecteur in zijn brief van 14 januari 2015, gericht aan de gemachtigde van belanghebbende, het standpunt ingenomen dat de vorderingen het vermogen van de B.V. blijvend hebben verlaten en dat een winstuitkering van de B.V. aan belanghebbende in aanmerking moet worden genomen. De reden hiervoor was de brief van 17 december 2014 (zie onder 2.6) en het telefoongesprek op 14 januari 2015, waarin duidelijk werd dat de B.V. en belanghebbende desgevraagd geen acties zullen en/of kunnen ondernemen om de vorderingen in te lossen dan wel te zorgen voor voldoende zekerheden zodat de vorderingen volledig gedekt zijn. Dit leidt tot een bruto winstuitkering van € 2.231.015. Omdat de winstreserves van de B.V. ultimo 2012 € 2.002.143 bedroegen, heeft de Vpb-inspecteur de bruto winstuitkering op dat bedrag gesteld.
Met dagtekening 15 januari 2015 heeft de inspecteur aan de belastingadviseur van belanghebbende een brief gericht, met kopie aan belanghebbende, waarin voor zover relevant staat:
“De aanslagregeling Vennootschapsbelasting 2012 is inmiddels ter hand genomen en daaruit blijkt nu dat de aangifte Inkomstenbelasting gecorrigeerd moet worden. Door de geautomatiseerde verwerking van aangiften is deze inmiddels afgedaan zonder dat de correctie die voortvloeit uit de vennootschapsbelasting daarin is opgenomen. Deze definitieve aanslag Inkomstenbelasting wordt binnenkort aan uw cliënt gezonden en deze is onjuist. Als de aangifte vennootschapsbelasting is afgerond is ook duidelijk welke gevolgen dit heeft voor de inkomstenbelasting van uw client. Als dit zover is deel ik dat nog aan u mede en leg is een navorderingsaanslag op waarin de correctie is opgenomen.”
Met dagtekening 27 maart 2015 is een nihilaanslag IB/PVV 2012 aan belanghebbende opgelegd. De aanslag IB/PVV 2012 is geautomatiseerd conform de ingediende aangifte IB/PVV 2012 opgelegd.
Vervolgens heeft de inspecteur bij brief van 19 mei 2015 het voornemen kenbaar gemaakt over het jaar 2012 inkomstenbelasting te willen navorderen bij belanghebbende in verband met de winstuitdeling. Tevens is bij die brief een vergrijpboete aangekondigd. De inspecteur heeft de winstuitdeling voor 2012 vastgesteld op € 2.002.143. De inspecteur heeft de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 met dagtekening 25 juli 2015 opgelegd en dit bedrag als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang (box 2) aangemerkt en € 39.187 aan belastingrente in rekening gebracht. Gelijktijdig met de navorderingsaanslag is een vergrijpboete van € 249.251 opgelegd.
Belanghebbende heeft op 24 augustus 2015 bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 en de rente- en boetebeschikking. Het bezwaar tegen de boetebeschikking is bij uitspraak van 4 juni 2021 gegrond verklaard. Het bezwaar tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 en de rentebeschikking bij diezelfde uitspraak ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft op 11 juli 2016 aangifte IB/PVV 2014 gedaan. Daarin is aangegeven dat belanghebbende per 19 maart 2014 is geëmigreerd naar Spanje. Op 4 mei 2018 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de aanslagregelaar IB/PVV en de gemachtigde van belanghebbende. Onderwerp van dit gesprek is de aangifte IB/PVV 2014 en de fiscale gevolgen van de emigratie naar Spanje. In verband met de emigratie is met dagtekening 22 juni 2018 conform de ingediende aangifte IB/PVV 2014 een conserverende aanslag aan belanghebbende opgelegd met betrekking tot het jaar 2014 ter zake van een te conserveren inkomen in box 2 van € 2.281.071, zijnde het eigen vermogen van de B.V. zoals aangegeven in de aangifte Vpb 2014. Met dagtekening 22 juni 2018 is tevens de aanslag IB/PVV 2014 opgelegd.
De inspecteur heeft per e-mailbericht van 12 november 2020 het voornemen kenbaar gemaakt over het jaar 2014 inkomstenbelasting te willen navorderen bij belanghebbende in verband met de winstuitdeling. De navorderingsaanslag IB/PVV 2014 is gebaseerd op de hoogte van de winstreserves van de B.V. ultimo 2013. Met dagtekening 29 december 2020 wordt de navorderingsaanslag IB/PVV 2014 opgelegd. In de navorderingaanslag IB/PVV 2014 heeft de inspecteur een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang in aanmerking genomen van € 2.022.908 en € 106.167 aan belastingrente in rekening gebracht.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2014 en de rentebeschikking. Dit bezwaar is bij uitspraak van 30 maart 2022 gegrond verklaard. De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2014 gelet op artikel 2.17 Wet Inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) verminderd tot een aanslag naar een inkomen uit aanmerkelijk belang van € 1.011.454. De rentebeschikking is dienovereenkomstig verminderd.
De rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 en de bijbehorende rente- en boetebeschikking vernietigd, de navorderingsaanslag IB/PVV 2014 en de bijbehorende rentebeschikking vernietigd, de inspecteur veroordeeld tot het betalen van een immateriële schadevergoeding van € 6.500 aan belanghebbende, bepaald dat de inspecteur het griffierecht van, in totaal, € 99 voor de behandeling van de beroepen aan belanghebbende moet vergoeden en de inspecteur veroordeeld tot betaling van € 2.266 aan proceskosten aan belanghebbende.
3 Geschil en conclusies van partijen
In geschil is of de navorderingsaanslagen IB/PVV 2012 en 2014 terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Meer specifiek is in geschil het antwoord op de volgende vragen:
- -
-
i) Heeft belanghebbende de vereiste aangiften IB/PVV 2012 en 2014 gedaan?
- -
-
ii) Heeft de inspecteur terecht een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang in aanmerking genomen in de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 omdat in 2012 sprake was van een winstuitdeling van de B.V. aan belanghebbende?
- -
-
iii) Zo nee, heeft de inspecteur terecht een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang in aanmerking genomen in de navorderingsaanslag IB/PVV 2014 omdat in 2014 sprake was van een winstuitdeling van de B.V. aan belanghebbende?
Indien het hof tot bevestigende beantwoording komt van vraag (ii) of vraag (iii), is gelet op het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van belanghebbende in geschil (iv) of de inspecteur bevoegd was om na te vorderen.
Partijen zijn het er in hoger beroep over eens dat de rechtbank de boetebeschikking terecht heeft vernietigd, zodat deze geen onderdeel van het geschil in hoger beroep is.
De inspecteur concludeert in principaal hoger beroep tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank voor zover het de beslissing omtrent de navorderingsaanslagen IB/PVV 2012 en 2014 betreft, primair tot vermindering van de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 tot een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 1.001.071, dan wel bevestiging van de uitspraak op bezwaar tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2014, subsidiair tot vermindering van de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 tot een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 676.615, dan wel vermindering van de navorderingsaanslag IB/PVV 2014 tot een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 686.997 en meer subsidiair tot vermindering van de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 tot een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 45.675, dan wel vermindering van de navorderingsaanslag IB/PVV 2014 tot een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 57.742.
Belanghebbende concludeert in principaal hoger beroep tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.