Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 24-12-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3707, 23/551

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 24-12-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3707, 23/551

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24 december 2025
Datum publicatie
11 februari 2026
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2025:3707
Formele relaties
Zaaknummer
23/551
Relevante informatie
Art. 3.53 Wet IB 2001

Inhoudsindicatie

Belanghebbende, een woningcorporatie, heeft fiscaal een voorziening gevormd voor onderhoudskosten aan door haar verhuurde wooncomplexen. In geschil is of voor de vorming van die voorziening een piekvereiste geldt. Voorts is in geschil of voor de vorming van die voorziening moet worden uitgegaan van het criterium ‘groot–onderhoud’ volgend uit het arrest van de Hoge Raad van 20 augustus 1980, BNB 1981/1.

Het hof oordeelt dat het piekvereiste niet geldt en voorts dat niet moet worden uitgegaan van het criterium ‘groot–onderhoud’ uit het arrest BNB 1981/1.

Uitspraak

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 23/551

Uitspraak op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 9 maart 2023, nummer BRE 21/628, in het geding tussen

[belanghebbende] ,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

en

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft de aanslag vennootschapsbelasting 2016 (hierna: de aanslag) opgelegd.

1.2.

Belanghebbende heeft in het bezwaarschrift gericht tegen de aanslag, de inspecteur verzocht om in te stemmen met rechtstreeks beroep op grond van het bepaalde in artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De inspecteur heeft hiermee ingestemd.

1.3.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.

1.4.

De inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De inspecteur heeft vóór de zitting een nader stuk ingediend. Dit stuk is doorgestuurd naar de andere partij. Belanghebbende heeft voorafgaand aan de zitting haar pleitnota ingediend. Deze pleitnota is doorgestuurd naar de andere partij en wordt met instemming van partijen geacht te zijn voorgelezen ter zitting.

1.6.

De zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen namens belanghebbende [naam] en haar gemachtigden [gemachtigde 1] , [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] , en, namens de inspecteur [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] , [inspecteur 4] en [inspecteur 5] .

1.7.

De inspecteur heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.

1.8.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.9.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraak de volgende feiten vastgesteld:

‘2. Belanghebbende is een woningcorporatie. Zij bezit ruim 33.000 verhuureenheden.

Het betreft ongeveer 600 complexen van woningen.

2.1.

Belanghebbende heeft in haar aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 2016

een voorziening groot onderhoud (onderhoudsvoorziening) opgenomen van € 142.669.765.

2.2.

Belanghebbende legt jaarlijks de uitgangspunten voor onder meer de (commerciële) onderhoudsuitgaven vast in een technische complexanalyse (TCA). In de TCA is opgenomen de technische kwaliteit van de woningen, de onderhoudsstrategie en met welk kwaliteitsniveau het onderhoud zal worden verricht. Deze TCA wordt per complex gemaakt en ziet enkel op planmatig (groot)onderhoud. De werkzaamheden die volgen uit de TCA worden opgenomen in het programma O-prognose. De uitgaven die volgen uit de TCA en O-prognose vormen de basis voor het bepalen van de fiscale onderhoudsvoorziening. Ook betreft dit de basis voor de meerjarenbegroting. De in 2.1 vermelde voorziening heeft betrekking op zowel dit planmatig onderhoud als extra onderhoud dat wordt verricht als huurders een woning verlaten.

2.3.

In november 2018 heeft de inspecteur een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de in de aangifte opgenomen onderhoudsvoorziening. De bevindingen

van het boekenonderzoek zijn vastgelegd in een rapport met dagtekening 20 november 2020.

2.4.

Lopende het boekenonderzoek zijn belanghebbende en de inspecteur overeengekomen dat zij de voorwaarden die gesteld moeten worden aan het vormen van een fiscaal aftrekbare onderhoudsvoorziening voor het planmatig onderhoud ter beoordeling aan de rechter voor willen leggen. Zij hebben ervoor gekozen om de feiten en omstandigheden daaraan voorafgaande vast te stellen zodat enkel het principiële geschil aan de rechter wordt voorgelegd. Daartoe hebben zij een vaststellingsovereenkomst (VSO) gesloten op 12 november 2020

[hof: hierin wordt belanghebbende aangeduid als Partij A en de inspecteur als Partij B].

2.5.

In de VSO is onder andere het volgende opgenomen:

"3. Omschrijving van het geschil/de onzekerheid

(...)

Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 26 augustus 1998, nr. 33 417, BNB 1998/409 – veelal aangeduid als het Baksteenarrest – kan een voorziening worden gevormd als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

• De oorsprong-eis

• De toerekening-eis

• De redelijke mate van zekerheid-eis

Het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 26 februari 2020, nr. 2019-129344, alsmede het memo van de Belastingdienst van 21 september 2016 (V-N 2016/57.9) geven de visie van Partij B weer over de invulling van de voorwaarden voor de vorming van de onderhoudsvoorziening.

Het besluit van 26 februari 2020 is een actualisering van het besluit van 6 augustus 2010, nr.

DGB2010/3706M. Met de tekstuele aanpassingen zijn inhoudelijk geen wijzigingen beoogd.

Partijen verschillen van mening over de uitleg en toepassing van de hierboven opgenomen eisen.

Partij B is onder andere het volgende van mening:

"Een voorziening groot onderhoud is gerechtvaardigd als de toekomstige, aftrekbare

onderhoudsuitgaven waarvoor de voorziening wordt gevormd in het jaar waarin de

onderhoudswerkzaamheden worden verricht, naar verwachting en verhoudingsgewijs aanzienlijk zullen zijn."

Dat leidt onder omstandigheden tot de volgende conclusie:

'Het is mogelijk dat de (toekomstige) onderhoudsuitgaven voor panden of (het) vastgoedcomplex(en) zich op ondernemingsniveau al gelijkmatig verdelen over de jaren. Op grond van dergelijke feiten en omstandigheden is er binnen goed koopmansgebruik geen rechtvaardiging voor de vorming van een voorziening groot onderhoud" (besluit 26 februari 2020, nr. 2019-129344).

In het Memo van de Belastingdienst van 21 september 2016 (V-N 2016/57.9) had de Belastingdienst op basis van dezelfde uitgangspunten een zelfde uitwerking gegeven. De onderbouwing van de standpunten van Partij B zullen uitgebreid worden toegelicht in het verweerschrift.

Partij A is van mening dat:

"Goed koopmansgebruik niet eist dat de vorming van een onderhoudsvoorziening op grond van de toerekening-eis en oorsprong-eis slechts mogelijk is indien de onderhoudsuitgaven in enig jaar substantieel afwijken van de normale omvang van de onderhoudsuitgaven van Partij A op ondernemingsniveau (piek–vereiste). In het Baksteen-arrest van de Hoge Raad wordt niet gesproken over een dergelijk piek–vereiste. Het piek–vereiste past ook niet bij het karakter van de onderhoudsvoorziening. Het karakter van een voorziening is juist dat de toekomstige uitgaven aan de jaren worden toegerekend die tot die toekomstige uitgaven leiden (toerekening aan slijtage/gebruik nu), hetgeen volledig in overeenstemming is met goedkoopmansgebruik. Het doel van de voorziening betreft niet de egalisatie van kosten, dat is slechts een consequentie daarvan. Het is partij A onduidelijk met welk beginsel van goedkoopmansgebruik er strijdigheid zou bestaan, indien een onderhoudsvoorziening wordt gevormd bij de aanwezigheid van een gelijkmatige verdeling van onderhoudsuitgaven voor panden over de jaren op ondernemingsniveau. De onderbouwing van de standpunten van Partij A zullen uitgebreid worden toegelicht in het beroepschrift. Voorgaande passage betreft een beknopte samenvatting van standpunt van Partij A en kan in het beroepschrift worden aangevuld of uitgebreid waar Partij A dit nodig acht."

In het kader van bovenstaande geschil stellen Partijen in deze vaststellingsovereenkomst vast wat de hoogte van de onderhoudsvoorziening is indien:

a. de rechter van mening is dat geen rekening dient te worden gehouden met het standpunt van Partij B zoals hiervoor omschreven in onderdeel 3 van deze overeenkomst:

b. de rechter van mening is dat wel rekening dient te worden gehouden met het standpunt van Partij B zoals hiervoor omschreven in onderdeel 3 van deze overeenkomst.

Aldus kan een zuivere rechtsvraag worden voorgelegd, waarbij de rechter zich niet behoeft uit te laten over de feitelijke hoogte van de onderhoudsvoorziening in 2016.

(...)

7. Gevolgen

(...)

Tussen Partijen bestaat overeenstemming over de hoogte van de voorziening voor planmatig

onderhoud indien:

a. de rechter in hoogste instantie van mening is dat geen rekening dient te worden gehouden met het standpunt van Partij B zoals omschreven in onderdeel 3 van deze overeenkomst. De voorziening voor planmatig onderhoud bedraagt in dit geval op 31 december 2016 € 54.287.525:

b. de rechter in hoogste instantie van mening is dat wel rekening dient te worden gehouden met het standpunt van Partij B zoals omschreven in onderdeel 3 van deze overeenkomst. De voorziening voor planmatig onderhoud op 31 december 2016 mag dan worden gesteld op € 280.000. Partij A heeft aangegeven om in dat geval de voorziening geheel te laten vrijvallen in de aangifte Vpb 2016, aangezien de jaarlijkse administratieve lasten voor partij A te hoog worden in verhouding tot de hoogte van de te vormen voorziening planmatig onderhoud. Conform het rapport wordt de voorziening per ultimo 2016 dan terug gebracht naar nul.”

2.6.

De definitieve aanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 2016 is opgelegd met

dagtekening 12 december 2020, waarbij het volledige bedrag aan opgenomen voorziening

groot onderhoud is gecorrigeerd.’.

2.2.

Het hof vult deze feiten aan met het volgende.

2.3.

De aanslag is vastgesteld naar een belastbaar bedrag van € 130.849.319. Tevens is bij beschikking € 89.177 belastingrente in rekening gebracht.

2.4.

In het proces–verbaal van de zitting bij de rechtbank heeft de rechtbank vastgelegd:

‘Partijen bevestigen dat enkel in geschil is of een piekvereiste geldt en alleen als deze vraag

bevestigend wordt beantwoord of dat piekvereiste op ondernemingsniveau getoetst moet

worden dan wel of dit op complexniveau mag.’

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil in hoger beroep betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Is bij het vormen van een onderhoudsvoorziening vereist dat de (verwachte toekomstige) onderhoudsuitgaven in een jaar substantieel afwijken van (hoger zijn dan) de gemiddelde, jaarlijkse omvang van de onderhoudsuitgaven (door partijen aangeduid als: het piekvereiste)?

II. Als vraag I bevestigend wordt beantwoord: dient het piekvereiste beoordeeld te worden op ondernemingsniveau of op bedrijfsmiddelniveau?

III. Moet voor de berekening van de voorziening groot–onderhoud binnen goedkoopmansgebruik worden uitgegaan van het criterium voor groot–onderhoud, volgend uit het arrest van de Hoge Raad van 20 augustus 19801 (hierna: het arrest

BNB 1981/1), zijnde “niet jaarlijks tot uitgaven leidend onderhoud, mits relatief van enige betekenis”?

3.2.

De inspecteur concludeert tot bevestigende beantwoording van de vragen I en III en tot beoordeling van het piekvereiste op ondernemingsniveau (vraag II). Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank en ontkennende beantwoording van vraag III.

4 Gronden

5 Beslissing