Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 24-12-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3712, 22/1144 en 22/1145

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 24-12-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3712, 22/1144 en 22/1145

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24 december 2025
Datum publicatie
11 februari 2026
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2025:3712
Formele relaties
Zaaknummer
22/1144 en 22/1145
Relevante informatie
Wet op de dividendbelasting 1965 [Tekst geldig vanaf 01-01-2025] art. 4, Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, Parijs, 20-03-1952 [Tekst geldig vanaf 01-11-1998] art. 1

Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslagen dividendbelasting (2015 en 2017) zijn terecht en tot de juiste bedragen opgelegd aan belanghebbende (inhoudingsplichtige) omdat op de dividenduitkeringen ten onrechte de inhoudingsvrijstelling van artikel 4, lid 2, Wet op de dividendbelasting 1965 is toegepast. De dividenduitkeringen zijn namelijk niet gedaan aan de uiteindelijk opbrengstgerechtigde. Op grond van het Unierechtelijk misbruikbeginsel alsmede artikel 4, lid 4, Wet op de dividendbelasting 1965 heeft de inspecteur terecht nageheven. Dat de inspecteur de naheffingsaanslagen aan de opbrengstgerechtigde had dienen op te leggen, wordt door het hof verworpen evenals de stelling dat aan belanghebbende navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting in plaats van de onderhavige naheffingsaanslagen dividendbelasting hadden moeten zijn opgelegd. Het hof acht geen beginselen van behoorlijk bestuur geschonden en evenmin leidt de toepassing van artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM tot de vernietiging van de naheffingsaanslagen. Het hoger beroep is gegrond vanwege het feit dat te veel belastingrente in rekening is gebracht.

Uitspraak

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummers: 22/1144 en 22/1145

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

gevestigd in [vestigingsplaats] (Luxemburg),

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 4 mei 2022, nummers BRE 21/2426 en 21/3748, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft voor de jaren 2015 (dagtekening 23 december 2020) en 2017 (dagtekening 28 mei 2021) naheffingsaanslagen dividendbelasting (hierna ook: de naheffingsaanslagen) opgelegd. Tevens zijn bij beschikkingen verzuimboeten opgelegd. Daarnaast is belastingrente in rekening gebracht. Gespecificeerd naar jaar betreft dit (exclusief de verzuimboeten) de volgende bedragen:

2015: naheffingsaanslag dividendbelasting € 3.367.362; belastingrente € 641.753;

2017: naheffingsaanslag dividendbelasting € 14.520.035; belastingrente € 1.807.421.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft de beroepen voor zover deze de verzuimboeten betreffen gegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Bij beslissing van 20 december 20231 heeft de geheimhoudingskamer van het hof geoordeeld dat de door de inspecteur aangevoerde redenen voor geheimhouding van (delen van) de aan de geheimhoudingskamer overgelegde stukken (a) tot en met (d) gerechtvaardigd zijn.

1.6.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.

1.7.

De zitting heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen namens belanghebbende, [naam] , en [gemachtigde 1] , [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] , als gemachtigden van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] en [inspecteur 4] .

1.8.

De inspecteur heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het hof. De griffier heeft deze pleitnota doorgestuurd naar belanghebbende. Deze pleitnota wordt met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgelezen.

1.9.

Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota (met 1 bijlage) voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij. De inspecteur heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota behorende bijlage.

1.10.

Nadat partijen in de gelegenheid zijn gesteld ieder nog een schriftelijk stuk in te dienen heeft het hof aan het einde van de zitting het onderzoek geschorst.

1.11.

De inspecteur heeft op 28 augustus 2024 en belanghebbende op 20 september 2024 een nader stuk ingediend. Ter zitting van het hof is afgesproken dat partijen bij of na indiening van deze schriftelijke stukken konden aangeven of zij een nadere zitting wensten. Aangezien partijen niet gevraagd hebben om een nadere zitting en het hof daartoe ook geen aanleiding ziet is aan partijen medegedeeld dat het onderzoek is gesloten.

2 Feiten

2.1.

De naheffingsaanslagen hebben betrekking op rechtshandelingen van [A BV] ( [A BV] ). Na een fusie is [A BV] opgegaan in de verkrijgende vennootschap [A S.à.r.l.] . Deze vennootschap is op haar beurt, na een fusie, opgegaan in belanghebbende.

2.2.

[A LLC] ( [A LLC] ) is een Amerikaanse private equity onderneming. In 2007 heeft [A LLC] met haar fonds [A LP] ( [A LP] ) circa $ 12 mld. aan te beleggen vermogen verkregen van beleggers. [A LP] is gevestigd op de Kaaimaneilanden en is een naar het recht van de Kaaimaneilanden aangegane limited partnership. [A LP] is op haar beurt limited partner van [B LP] ( [B LP] ). [A Ltd] is de general partner van [B LP] . Ook [B LP] is gevestigd op de Kaaimaneilanden en is een naar het recht van de Kaaimaneilanden aangegane limited partnership.

2.3.

In 2007 heeft [B LP] samen met onder meer [Investments BV] (Coop NL) opgericht, met als doel het gezamenlijk investeren in Nederlandse ( [aanbieder 1] ) en Belgische ( [aanbieder 2] ) [aanbieders van activiteit X] . [B LP] had een belang van 52,8% in Coop NL. Coop NL houdt indirect diverse belangen in Nederlandse vennootschappen.

2.4.

Vanaf 30 maart 2007 kan de structuur, voor zover hier van belang, als volgt worden weergegeven:

2.5.

Op 1 november 2013 zijn [B LP] , [A LP] , Coop NL en de Belastingdienst een Advance Tax Ruling (ATR) overeengekomen. Daarin is onder meer bepaald dat [B LP] voor de toepassing van de Nederlandse belastingwet kwalificeert als transparant lichaam en dat ten aanzien van winstuitkeringen van Coop NL aan [B LP] geen dividendbelasting is verschuldigd op grond van artikel 1, lid zeven, in samenhang met artikel 1, lid 1, Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet DB).

2.6.

Op 9 juli 2014 hebben de leden van Coop NL besloten tot verkoop van [A BV] aan de Franse private equity onderneming [Franse onderneming] . [Franse onderneming] heeft, omdat zij onbekend was met de branche, bedongen dat [B LP] en [Investments BV] nog minimaal twee jaar als minderheidsaandeelhouder verbonden zouden blijven aan [A BV] .

2.7.

Op 30 september 2014 heeft Coop NL 69,33% van de aandelen in [A BV] geleverd aan [B S.à.r.l.] , een tussenhoudster van [Franse onderneming] . Eveneens op 30 september 2014 heeft Coop NL de resterende aandelen in [A BV] uitgedeeld aan haar leden. Vanaf 30 september 2014 hield [B LP] rechtstreeks 15,37% van de aandelen in [A BV] . Vanaf 30 september 2014 kan de structuur, voor zover hier van belang, als volgt worden weergegeven:

2.8.

Op 30 september 2014 hebben de aandeelhouders in [A BV] een aandeelhoudersovereenkomst gesloten. De tekst van de aandeelhoudersovereenkomst luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

Initial Board

4.7

At Completion, the Board will consist of the following nine (9) Directors:

(a) Joël Lacourte as chairman of the Board and as [Franse onderneming] Director;

(b) [persoon 2] , [persoon 3] , [persoon 4] and [persoon 5] as [Franse onderneming] Directors;

(c) [persoon 6] and [persoon 7] as [A] Directors; and

(d) [persoon 8] and [persoon 9] as [Investments BV] Directors.

(…)

Board decisions to be taken by a majority

4.14

Resolutions of the Board shall be passed:

(a) at a duly convened and quorate meeting, by a simple majority of the Directors present or represented (…)

(…)

Tax matters

(…)

6.9

The Parties agree to discuss in good faith the structure of the investment by each of [Franse onderneming] , [A] , [Investments BV] and the Coop in the Group, having regard to the tax and economic implications for each of the Parties arising from such investment.

(…)

Intention to achieve an Exit

9.1

The Parties confirm their intention and commitment to work to achieve an Exit at an appropriate time in the future. Each Investor and the Company agrees to consult together with a view to determining a suitable time to effect an Exit. Subject to the other provisions of the Agreement, no Exit may take place without the prior written consent of [Franse onderneming] , and [Franse onderneming] shall, subject to its other obligations in this Clause and the Lock-in Period, generally determine any process initiated with a view to achieving an Exit, (…).

14 MINORITY LIQUIDITY RIGHT

14.1

After the Lock-in Period, [A] or [Investments BV] may, by notice in writing to the Company and the other Investors (a “Liquidity Notice” ), require [Franse onderneming] and the Company to comply with Clause 14.2 in respect of all of the relevant Investor’s Shares and that relevant Investor’s Coop Proportion of the Coop’s Shares (together, the “Liquidity Shares” ). Following receipt of a Liquidity Notice from the other Investor, [A] or [Investments BV] (as applicable) may, by notice in writing to the Company and the other Investors delivered within 10 Business Days of the date of such Liquidity Notice (a “Participation Notice” ), elect to require [Franse onderneming] and the Company to comply with Clause 14.2 in respect of all of the relevant Investor’s Liquidity Shares. (…)

(…)

14.2

During the Liquidity Period, each of [Franse onderneming] and the Company shall use alle reasonable efforts to procure a Liquidity Event to be effected at the Relevant Price. Such Liquidity Event may include:

(a) procuring the acquisition by another person of the Liquidity Shares at the Relevant Price;

(b) to the extent legally permissible, causing the Group to undertake a buyback, redemption or dividend payment in respect of the Liquidity Shares at the Relevant Price, including without limitation by causing the Group to undertake a refinancing or incur additional indebtedness to fund such buyback, redemption or dividend. Following such event, each Party shall do all such acts and things as are necessary to put the Parties in the position they would have been in had such event been a buyback of all of the relevant part of (as determined by reference to the proceeds received by each holder of Liquidity Shares as a result of such Liquidity Event) the Liquidity Shares at the Relevant Price; or

(c) causing the Group to undertake an Initial Public Offering at such a price that will, immediately following completion thereof, imply a valuation of the Liquidity Shares equal to at least their Relevant Price (and each Shareholder which is not a Relevant Investor irrevocably and unconditionally agrees that each holder of Liquidity Shares shall have priority with regard to the allocation of Shares to be sold on completion of such Initial Public Offering),

provided that: (a) if the Group has indebtedness of less than 5.0x TTM EBITDA at the relevant time, [Franse onderneming] and the Company shall use all reasonable efforts to procure that the Group undertakes a refinancing or incurs additional indebtedness (provided that the Group will not be required to have total indebtedness of more than 5.0x TTM EBITDA at the time of completion of such refinancing or incurrence of indebtedness) to finance a buyback, redemption or dividendpayment in respect of the Liquidity Shares at the Relevant Price in priority to any other possible Liquidity Event; and (b) if a Liquidity Event is proposed and a Relevant Investor has concerns as to its tax efficiency, the Parties shall consult together in good faith (and take into account the

reasonable comments of the Relevant Investor) with a view to agreeing an alternative Liquidity Event.”

Bijlage 6 bij de aandeelhoudersovereenkomst geeft een overzicht van de in die overeenkomst gehanteerde definities. Daarin staat onder meer:

“Lock-in Period” the period of 24 months commencing on the date of Completion;

“Completion” the completion of this Agreement, (…)”

2.9.

Begin 2015 verzoekt [Franse onderneming] de overige aandeelhouders in [A BV] om akkoord te gaan met een dividenduitkering door [A BV] van € 6.100.000. Op 3 februari 2015 heeft de heer [persoon 10] , CFO van [A BV] , in dit verband een e-mailbericht gestuurd aan [persoon 7] en [persoon 11] , beiden werkzaam bij [A] (de heer [persoon 11] is volgens de website van [A] “Managing Director, responsible for European tax restructuring and compliance”), waarin staat:

“Please have a look at the minutes and calculation of the dividend distribution via [A BV] .

I guess we need to withhold for all DR’s.

Agree?”

De heer [persoon 11] heeft op 3 februari 2015 onder meer geantwoord:

“One point on the withholding though, as we now own direct from [B LP] , we would also have a 15% withholding. We had always planned to introduce a new holding company and were on the way to doing this but did not expect a dividend quite so early.

If it’s ok I will look into putting this in place in the next few days but will also check the requirements on withholding (to see if it is required).”

Op 9 februari 2015 heeft de heer [persoon 11] een e-mailbericht aan de heer [persoon 10] gestuurd waarin staat:

“We always intended to put in place a Lux entity to hold our interest in CDS [A BV] and if the timing works we will try and do that now (so as soon as possible, should be early next week).

If we do this then there should not be any withholding tax on the dividend payment to [D] .”

2.10.

[B LP] heeft op 12 februari 2015 [C S.à.r.l.] ( [D] ) opgericht. [D] is een vennootschap naar Luxemburgs recht en is in Luxemburg gevestigd. Als eerste leden van het bestuur van [D] zijn vier personen benoemd, waarvan er twee in dienst waren van [A] , de heer [persoon 11] en de heer [persoon 12] (volgens de website van [A] “Director, Taxation”).

2.11.

Vanaf de oprichting was [D] gevestigd op het adres van een trustkantoor. Op 15 december 2015 is [D] verhuisd naar een zogenoemd verzamelgebouw, een gebouw waarin verschillende bedrijven zijn gehuisvest. In de jaarrekeningen 2015 tot en met 2017 van [D] zijn geen huisvestingskosten opgenomen.

2.12.

Bij notariële akte van 2 maart 2015 heeft [B LP] haar aandelen in [A BV] geleverd aan [D] . Als tegenprestatie heeft [D] letteraandelen uitgereikt en Preferred Equity Certificates (PEC’s) uitgegeven aan [B LP] . In de jaarrekening 2015 van [D] zijn de aandelen [A BV] gewaardeerd op € 50.014.883. Daarvan is € 15.000.000 toegerekend aan de letteraandelen en € 35.014.883 aan de PEC’s. Vanaf 2 maart 2015 kan de structuur, voor zover hier van belang, als volgt worden weergegeven:

2.13.

Op 11 maart 2015 heeft [A BV] een dividend uitgekeerd van € 6.100.000, waarvan € 937.299 aan [D] (dividend 1). Op de uitkering aan [D] is geen dividendbelasting ingehouden en afgedragen. In een door [A BV] gedane aangifte dividendbelasting is melding gemaakt van de uitkering aan [D] .

2.14.

Op 9 april 2015 is het bestuur van [A BV] akkoord gegaan met herfinanciering van een bankschuld en een dividenduitkering van € 140.000.000. Het aandeelhoudersbesluit tot de dividenduitkering is genomen op 28 juli 2015. Bij de dividenduitkering op die dag is € 21.511.778 uitgekeerd aan [D] (dividend 2). Op de uitkering aan [D] is geen dividendbelasting ingehouden en afgedragen. In een door [A BV] gedane aangifte dividendbelasting is melding gemaakt van de uitkering aan [D] .

2.15.

In de loop van 2015 heeft [D] aan [B LP] € 569.014 rente betaald op de PEC’s en daarop € 20.930.986 afgelost (tezamen betaling 1). Deze betalingen zijn gedaan uit de gelden verkregen met dividend 2.

In 2016 heeft [D] aan [B LP] € 76.853 rente betaald op de PEC’s en daarop € 723.147 afgelost (tezamen betaling 2). Het totaal van betaling 1 en betaling 2 bedraagt 99,3 percent van het totaal van dividend 1 en dividend 2.

2.16.

Op 9 maart 2017 heeft [D] een Liquidity Notice gestuurd aan onder meer [A BV] . Daarin staat, voor zover hier van belang:

“Pursuant to clause 14 (Minority Liquidity Right) of the Shareholders’ Agreement, we hereby serve this notice on you as a Liquidity Notice and request that [Franse onderneming] and the company accordingly comply with clause 14.2 of the Shareholders’ Agreement in respect of all of [A] ’s Liquidity Shares.”

Op 20 maart 2017 heeft ook [Investments BV] een Liquidity Notice uitgevaardigd.

2.17.

Op 22 december 2017 is uitvoering gegeven aan het Minority Liquidity Right. Het totale geplaatste aandelenkapitaal van [A BV] is gewaardeerd op € 630.000.000 (€ 3.500 per aandeel). In totaal heeft [A BV] € 175.999.471 betaald onder de noemer ‘Distribution’, waarvan € 96.800.234 toekomt aan [D] (betaling 3). In het aandeelhoudersbesluit van [A BV] van 22 december 2017 staat, voor zover hier van belang:

2 Background

(…)

2.5

It is proposed to declare a distribution from the freely distributable reserves to [A] , [Investments BV] , [persoon 10] and [persoon 13] on the Shares in the aggregate amount of EUR 175,999,471.30 ( Distribution )

2.6

It is further proposed to reduce the issued and outstanding capital of the Company by means of a cancellation (intrekking) of the Shares ( Cancellation ) against a payment on the Shares of the aggregate amount of EUR 5,028.70 ( Repayment ).

2.7

The Company shall pay the Distribution and Repayment, as follows:

(a) to [A] - EUR 96,803,000 (EUR 2,765.80 as repayment and EUR 96,800,234.20 as distribution);

(…)

3 Resolutions

3 1 The General Meeting resolves to the Distribution, the Cancellation and the Repayment and to:

(a) have the Company declare the Distribution. The Distribution will be payable as per the date thereof; and

(b) hereby reduce the issued and outstanding share capital of the Company by means of a cancellation of the Shares as per the date hereof. (…)”

Het bestuursbesluit van 22 december 2017 vermeldt onder meer:

2 Background

(…)

2.5

The general meeting of shareholders intends to declare a distribution from the freely distributable reserves to [A] , [Investments BV] , [persoon 10] and [persoon 13] on the Shares in the aggregate amount of EUR 175,999,471.30 (Distribution) .

2.6

The general meeting of the Company further intends to reduce the issued and outstanding capital of the Company by means of a cancellation (intrekking) of the Shares (Cancellation) against a payment on the Shares of an aggregate amount of EUR 5,028.70 (Repayment) .

2.7

The Company shall pay the Distribution and Repayment, as follows:

(a) to [A] : EUR 96,803,000 (EUR 2,765.80 as repayment and EUR 96,800,234.20 as distribution);

(…)

3 Resolutions

3.1

The Board approves the Distribution, Cancellation and the Repayment in accordance with Sections 2:208 paragraph 6 and 2:216 of the Dutch Civil Code, (…).”

2.18.

Op 28 december 2017 heeft [D] aan [B LP] € 2.393.037 rente voldaan op de PEC’s en daarop het restant van € 13.360.750 afgelost. Verder heeft [D] de letteraandelen ingekocht voor € 81.011.175 en vervolgens ingetrokken. De feitelijke betalingen hebben plaatsgevonden op 2 januari 2018. Het totaalbedrag van rente, aflossing en inkoop beloopt dus € 96.764.962 (doorbetaling 3).

2.19.

Ter zake van de betalingen onder de noemer ‘Distribution’ aan [Investments BV] , [persoon 10] en [persoon 13] heeft [A BV] op 17 januari 2018 aangifte dividendbelasting gedaan. In het aangifteformulier is ter zake van de betaling aan [Investments BV] een vrijstelling geclaimd en is ter zake van de betalingen aan de twee andere aandeelhouders gemeld dat 15 percent dividendbelasting wordt ingehouden en is daarbij aangevinkt dat het gaat om inkoop van eigen aandelen. Op betaling 3 aan [D] is geen dividendbelasting ingehouden en afgedragen. Ter zake van deze betaling is op 17 januari 2018 – als bijlage bij de aangifte dividendbelasting – een ‘Opgaaf dividendbelasting Vrijgestelde uitkeringen aan buitenlandse gerechtigden in deelnemingssituaties’ gedaan. In deze opgaaf kan niet worden vermeld wat de aard van de dividenduitkering is. In de opgaaf wordt namens de uitkerende vennootschap verklaard dat aan de voorwaarden van artikel 4, leden 2, 3 en 4, Wet DB is voldaan.

2.20.

Dividend 1 en 2 en betaling 3 belopen tezamen € 119.249.311. Betaling 1 en 2 en doorbetaling 3 belopen tezamen € 119.064.962. Het verschil bedraagt € 184.349. In totaal is dus 99,84 percent van de door [D] ontvangen bedragen doorbetaald aan [B LP] .

2.21.

Volgens de jaarrekeningen 2015 tot en met 2017 van [D] bedroegen haar kosten, afgezien van de rentebetalingen op de PEC’s, in die jaren:

2015

€ 81.359

2016

€ 27.681

2017

€ 67.507

Totaal

€ 176.547

Voor 2015 gaat het om ‘notary fees’, ‘legal fees’, ‘tax advisor fees’, ‘bank fees’, ‘COC’ en ‘tax license fees’.

Voor 2016 gaat het om ‘legal fees’, ‘tax advisor fees’, ‘bank fees’, ‘register of commerce’, ‘administrative expenses’, ‘wages’ (€ 10.975), ‘social security costs’ (€ 1.513), ‘director fees’ (€ 2.200) en ‘registration fees’.

Voor 2017 gaat het om ‘notary fees’, ‘legal fees’, ‘tax advisor fees’, ‘bank fees’, ‘liquidation fees’, ‘register of commerce’, ‘administrative expenses’, ‘wages’ (€ 13.716), ‘social security costs’ (€ 1.786) en ‘director fees’ (€ 2.590).

2.22.

[B LP] heeft op 18 oktober 2018 [D] geliquideerd. De enige activiteiten die [D] gedurende haar bestaan heeft ontplooid zijn het houden van aandelen [A BV] , het ontvangen van bedragen van [A BV] en het doorbetalen van deze bedragen aan [B LP] .

2.23.

Volgens de inspecteur is [D] louter tussengeschoven om dividendbelasting te besparen. Hij heeft dit als volgt schematisch weergegeven:

Omdat volgens de inspecteur [A BV] de inhoudingsvrijstelling ten onrechte heeft toegepast ter zake van dividend 1 en 2 en betaling 3 aan [D] , heeft hij de in 1.1 bedoelde naheffingsaanslagen opgelegd en boete- en rentebeschikkingen (af)gegeven.

2.24.

Tot het dossier behoort een vonnis van de rechtbank Amsterdam (civiel recht) van 23 februari 20232. Hierin wordt belanghebbendes verhaalvordering op [B LP] , in verband met de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen, afgewezen. Belanghebbende heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Voormelde rechtbank heeft onder andere het volgende overwogen (waarbij [belanghebbende] de belanghebbende in deze procedure betreft):

“5.10. Het beroep van [B LP] op de kwijtingsbepaling is niet onaanvaardbaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. De meeste van de omstandigheden die [belanghebbende] in dat verband heeft aangevoerd heeft de rechtbank in het voorgaande al besproken. Het klopt dat het [B LP] is geweest die eerst [D] ertussen heeft geschoven en vervolgens na de uitkering van het dividend in 2017 de tussengeschoven vennootschap direct heeft afgewikkeld. Daar had [belanghebbende] geen invloed op. Zij was echter wel bekend met de door [B LP] en [D] gehanteerde constructie. Haar grootaandeelhouder [Franse onderneming] investeerde ook door middel van ‘een [D] ’. Beide partijen waren ermee bekend dat zo’n constructie slechts geldig was indien de Luxemburgse entiteit voldoende substance had. [belanghebbende] heeft echter geen navraag gedaan over de wijze waarop [D] aan dat vereiste zou voldoen. [B LP] en [D] hebben daarover ook geen uitlatingen gedaan waarop [belanghebbende] heeft vertrouwd. De e-mails van [B LP] uit februari 2015 zijn slechts algemene aankondigingen dat [B LP] ‘een [D] ’ wil inzetten. Pas na het arrest T Danmark is duidelijk geworden dat deze constructie misbruik van recht opleverde. De rechtbank Zeeland-West Brabant heeft immers geoordeeld dat het standpunt dat ter zake van de dividenduitkeringen aan [D] geen dividendbelasting hoefde te worden ingehouden en afgedragen tot dat arrest een pleitbaar standpunt was. Al deze omstandigheden zijn dan ook onvoldoende om te oordelen dat het beroep van [B LP] op de kwijtingsbepaling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.”

2.25.

De rechtbank heeft het beroep in de zaak met zaaknummer 21/2426 (zaaknummer hof: 22/1144) gegrond verklaard, maar alleen voor zover het de boete betreft. De rechtbank heeft de uitspraak op bezwaar tegen de boete vernietigd, de boetebeschikking vernietigd, de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 2.435,50 en gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 360 zal vergoeden.

2.26.

De rechtbank heeft het beroep in de zaak met zaaknummer 21/3748 (zaaknummer hof: 22/1145) gegrond verklaard, maar alleen voor zover het de boete betreft. De rechtbank heeft de uitspraak op bezwaar tegen de boete vernietigd, de boetebeschikking vernietigd, de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 2.435,50 en gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 360 zal vergoeden.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

In geschil is of de onderhavige naheffingsaanslagen terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. In het bijzonder zijn de antwoorden op de volgende vragen in geschil:

  1. Heeft de inspecteur terecht de naheffingsaanslagen opgelegd omdat belanghebbende ( [A BV] ) in strijd met het Unierechtelijk misbruikbeginsel de inhoudingsvrijstelling van artikel 4, lid 2, Wet DB heeft toegepast?

  2. Indien het antwoord op vraag 1 ontkennend luidt. Heeft de inspecteur terecht de naheffingsaanslagen opgelegd omdat belanghebbende in strijd met de dividendstrippingregels heeft gehandeld?

  3. Indien het antwoord op vraag 1 en 2 ontkennend luidt. Heeft de inspecteur terecht de naheffingsaanslagen opgelegd omdat belanghebbende in fraudem legis heeft gehandeld?

  4. Indien het antwoord op vraag 1 of 3 bevestigend luidt. Dienen de naheffingsaanslagen te worden vernietigd omdat de inspecteur in plaats van de naheffingsaanslagen, navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting aan [D] had dienen op te leggen?

  5. Indien het antwoord op vraag 1 of 3 bevestigend luidt. Dient de naheffingsaanslag 2017 te worden vernietigd omdat de inspecteur een ambtelijk verzuim heeft begaan?

  6. Indien vraag 2 of 3 bevestigend en vraag 4 ontkennend dienen te worden beantwoord. Dienen de naheffingsaanslagen te worden vernietigd omdat de inspecteur niet bij belanghebbende maar bij [D] de naheffingsaanslagen had moeten opleggen?

  7. Indien de naheffingsaanslagen terecht aan belanghebbende zijn opgelegd, zijn deze dan tot de juiste bedragen opgelegd?

  8. Is de belastingrente 2015 tot het juiste bedrag in rekening gebracht?

  9. Leidt de toepassing van het gelijkheids- en vertrouwensbeginsel tot de vernietiging van de naheffingsaanslagen?

  10. Leidt de toepassing van artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM (EP) tot vernietiging van de naheffingsaanslagen?

3.2.

Ter zitting van het hof heeft belanghebbende haar stellingen tegen de uitspraak van de geheimhoudingskamer van de rechtbank ingetrokken.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot een gegrond hoger beroep en vernietiging, dan wel vermindering, van de naheffingsaanslagen en de beschikkingen belastingrente. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank voor zover het de naheffingsaanslagen betreft en tot vermindering van de in rekening gebrachte belastingrente voor het jaar 2015.

4 Gronden

5 Beslissing