Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 21-01-2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:139, 24/309 tot en met 24/312
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 21-01-2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:139, 24/309 tot en met 24/312
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 21 januari 2026
- Datum publicatie
- 6 maart 2026
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2024:143, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- 24/309 tot en met 24/312
- Relevante informatie
- Art. 3:124 Wet IB 2001, Wet IB 2001
Inhoudsindicatie
De premies voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering drukken op belanghebbende in de zin van artikel 3:124, lid 1, aanhef en letter c, Wet IB 2001, ondanks het feit dat op de polis niet is vermeld dat hij verzekeringnemer is. Het hof is immers van oordeel dat het altijd de bedoeling van contractspartijen, zijnde belanghebbende en de verzekeringsmaatschappij, is geweest om belanghebbende voor toepassing van de arbeidsongeschiktheidsverzekering als verzekeringnemer, verzekerde en begunstigde aan te merken. Toepassing Haviltex-criterium.
Uitspraak
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 24/309 tot en met 24/312
Uitspraak op het hoger beroep van
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 12 januari 2024, nummer BRE 23/13, en 23/3465 tot en met 23/3467, in het geding tussen de inspecteur en
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende.
1 Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2016 tot en met 2018 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekering (hierna: IB/PVV) opgelegd (hierna: de navorderingsaanslagen). Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht bij elk van deze navorderingsaanslagen.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 de aanslag IB/PVV (hierna: de aanslag) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 47.488. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen zowel de navorderingsaanslagen als de aanslag. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de (navorderings)aanslagen en de belastingrentebeschikkingen gehandhaafd.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft uitspraak gedaan op 12 januari 2024 en de beroepen gegrond verklaard. Deze uitspraak is naar partijen verzonden op 17 januari 2024.
De inspecteur heeft digitaal op 26 februari 2024 tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende,
en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.
2 Feiten
Belanghebbende dreef zijn onderneming in de vorm van een eenmanszaak.
Belanghebbende heeft de eenmanszaak in 2006 ingebracht in [bedrijf]
B.V. (hierna: de BV).
Met ingang van 7 mei 1998 heeft belanghebbende zich verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid. Hij heeft daartoe een arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten (hierna: de AOV) bij De Amersfoortse (onderdeel van ASR , hierna: ASR ). Het polisnummer van deze verzekering is [nummer 1] .
In 2017 heeft belanghebbende op grond van de afgesloten AOV een uitkering ontvangen. Deze uitkering is door ASR , na inhouding van loonheffing, rechtstreeks overgemaakt op een privé-bankrekening van belanghebbende.
Tot de stukken behoort met betrekking tot de AOV een polis met wijzigingsdatum 7 februari 2019, die onder meer vermeldt dat de BV de verzekeringnemer en belanghebbende de verzekerde is. Deze polis bevat geen zogeheten premieverschuldigdheidsclausule.
De premie voor de AOV is in de jaren 2016 tot en met 2019 door de BV betaald.
De accountant van de BV heeft, desgevraagd door de gemachtigde, het volgende verklaard
over de administratieve verwerking van de betaalde premies:
“Wij begrepen van u dat er vragen zijn omtrent de verwerking van de premie voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering van [belanghebbende] in de administratie van [bedrijf] B. V. Hierbij delen wij u mede dat de premie voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering van [belanghebbende] in de administratie van [bedrijf] B.V. alle jaren ten laste van de rekening courant met de directie is verwerkt.
Wij kunnen terugkijken tot en met het jaar 2014.
Deze premie is over de jaren 2014 t/m heden nooit ten laste van het resultaat gebracht maar in rekening courant met de directie verwerkt.”
De inspecteur heeft bij de aanslagregeling over het jaar 2019 aan belanghebbende vragen gesteld over de in de aangifte IB/PVV vermelde aftrek voor de premies van de AOV (hierna ook: de premies). Naar aanleiding van informatie van belanghebbende daarover heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende geen recht heeft op aftrek van de premies. Hij heeft daarom over de jaren 2016 tot en met 2018 de navorderingsaanslagen opgelegd en is bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2019 afgeweken van de over dat jaar ingediende aangifte. De (navorderings)aanslag(en) zijn opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van:
|
Jaar |
Belastbaar inkomen uit werk en woning |
|
2016 |
€ 27.877 |
|
2017 |
€ 39.592 |
|
2018 |
€ 43.711 |
|
2019 |
€ 47.488 |
ASR heeft op 6 december 2022 het volgende verklaard:
”Polis [nummer 1] (voormalig polisnummer [nummer 2] ) stond bij ons in boeken op naam van de orderneming als verzekeringnemer ( [bedrijf] B.V. met KVK nummer [KVK nummer] ). In een ver verleden is de polis omgezet van eenmanszaak als verzekeringnemer naar de B.V. van [belanghebbende] .
Echter hebben wij destijds het volgende geclausuleerd: de verzekerde is de begunstigde We hebben derhalve altijd de polis afgehandeld als ware [belanghebbende] de verzekeringnemer op de polis is. Tijdens een kortstondige arbeidsongeschiktheidsuitkering in 2017 is er netto uitgekeerd aan [belanghebbende] . [belanghebbende] verklaart de premies privé te hebben afgetrokken in de IB-aangifte. Omdat wij de tenaamstelling niet zuiver hebben geadministreerd maar dit in een aparte clausule hebben opgenomen, is er door ons niet gerenseigneerd. Dit had wel gemoeten. Voor de inspecteur van de Belastingdienst willen we graag melden dat de gerenseigneerde premies er als volgt uit hadden moeten zien:
Jaartal Type Premie naar boven afgerond in hele Euro’s
2021 PRAT 2.470
2020 PRAT 2.394
2019 PRAT 2.619
2018 PRAT 6.903
Vanaf heden zullen wij een correctie in de tenaamstelling toepassen waardoor de verzekeringnemer wordt aangepast naar [belanghebbende] als verzekeringnemer.
Vanaf de renseignering over 2022 worden de premies doorgegeven aan de Belastingdienst.”
Op 7 december 2022 heeft ASR een polisblad met als reden van afgifte ‘correctie verzekeringnemer’ afgegeven en de verzekeringnemer van de AOV gewijzigd in belanghebbende. Op dat document is als ingangsdatum 7 mei 1998 vermeld.
3 Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de navorderingsaanslagen in stand kunnen blijven en of de aanslag naar een te hoog belastbaar inkomen uit werk en woning is vastgesteld.
Daarbij spitst het geschil zich toe op het antwoord op de vraag of belanghebbende in aanmerking komt voor aftrek van de in 2016 tot en met 2019 betaalde premies voor de AOV met polisnummer [nummer 1] . Het draait daarbij met name om de vraag of sprake is van `op de belastingplichtige drukkende' premies. Dat de premiebetalingen aan de overige wettelijke voorwaarden voor aftrek bij belanghebbende voldoen is tussen partijen niet in geschil.
De inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en handhaving van de opgelegde navorderingsaanslagen, de aanslag en de daarmee samenhangende rentebeschikkingen. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
Belanghebbende heeft in zijn brief van 25 maart 2024 nog de vraag opgeworpen of het hoger beroep tijdig is ingesteld door de inspecteur. Voor zover belanghebbende hiermee heeft gesteld dat het hoger beroep op die grond niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard, heeft hij ter zitting verklaard dat dit niet meer in geschil is, dat het hoger beroep tijdig is ingesteld en daarmee naar zijn mening ontvankelijk is.
Juist is overigens dat het hoger beroep van de inspecteur ontvankelijk is.