Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 28-01-2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:189, 24/454
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 28-01-2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:189, 24/454
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 28 januari 2026
- Datum publicatie
- 12 februari 2026
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2024:1503, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- 24/454
Inhoudsindicatie
Lucratief belang, toepassing artikel 7.2, lid 2, onder c, en lid 3, jo. artikel 3.92b Wet IB 2001, alsmede het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen 2012.
Belanghebbende is woonachtig in Duitsland en bezit een lucratief belang in een Nederlandse vennootschap, waaruit dividenden zijn ontvangen en een vervreemdingswinst is gerealiseerd. Het hof oordeelt dat het ontvangen dividend valt onder toepassingsbereik van artikel 10 van het Verdrag. Het vervreemdingsvoordeel valt onder toepassingsbereik van artikel 13, lid 5, van het Verdrag. Het dividend en/of het vervreemdingsvoordeel valt niet (tevens) onder artikel 14, lid 1, van het Verdrag (onzelfstandige arbeidsartikel). Het hoger beroep van de inspecteur is ongegrond.
Uitspraak
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/454
Uitspraak op het hoger beroep van
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 7 maart 2024, nummer BRE 23/3013, in het geding tussen de inspecteur en
[belanghebbende] ,
wonend in [plaats] (Duitsland),
hierna: belanghebbende.
1 Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2018 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
De inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De inspecteur heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar belanghebbende.
De zitting heeft via een geluid- en beeldverbinding plaatsgevonden op 8 januari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .
Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het hof. De griffier heeft deze pleitnota doorgestuurd naar de inspecteur. Deze pleitnota wordt met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgelezen.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.
2 Feiten
Belanghebbende woonde in ieder geval sinds 24 mei 1996, en derhalve dus ook in 2018, in Duitsland en was tot en met en met 30 september 2018 in dienstbetrekking bij de in Nederland gevestigde vennootschap [Vennootschap] B.V. (hierna: de vennootschap) Belanghebbende was in 2018 fiscaal (verdrags)inwoner van Duitsland.
De aandelen in de vennootschap zijn (ten titel van beheer) in eigendom van [Stichting] B.V. Het aandelenkapitaal van de vennootschap bestaat uit gewone aandelen en cumulatief preferente aandelen:
|
Aandelensoort |
Certificaathouder |
Aantal |
Nominale waarde per aandeel |
Totaal |
|
3% cumulatief preferent |
[bedrijf] B.V. |
199 |
€ 100 |
€ 19.900 |
|
Gewone aandelen |
[belanghebbende] |
1 |
€ 100 |
€ 100 |
|
Totaal |
200 |
€ 20.000 |
Belanghebbende was tot 1 oktober 2018 houder van een certificaat van een gewoon aandeel in de vennootschap, hetgeen overeenkomt met een 0,5% belang in het totale geplaatste kapitaal van de vennootschap. Dit belang kwalificeert als een (direct gehouden) lucratief belang in de zin van artikel 7.2, lid 2, onder c, en lid 3, jo. artikel 3.92b Wet IB 2001. Het certificaat van het gewone aandeel dat belanghebbende hield was niet toerekenbaar aan een Nederlandse vaste inrichting van belanghebbende.
Belanghebbende heeft in 2018 uit het lucratief belang in totaal € 1.883.697 aan dividenden ontvangen. De vennootschap heeft hierover 15% Nederlandse dividendbelasting, derhalve een bedrag van € 282.554, ingehouden en afgedragen.
Op 1 oktober 2018 heeft belanghebbende zijn lucratief belang vervreemd aan [bedrijf] B.V. Belanghebbende heeft daarbij een vervreemdingswinst gerealiseerd van € 5.183.962.
Belanghebbende heeft op 14 februari 2020 met een C-biljet voor buitenlands belastingplichtigen aangifte IB/PVV 2018 gedaan (de aangifte). In de aangifte is het vervreemdingsvoordeel van € 5.183.962 als inkomsten uit overige werkzaamheden verantwoord en is tevens aangeven dat dit bedrag in zijn geheel niet in Nederland belastbaar is. Het dividend is in de aangifte verantwoord als Nederlandse inkomsten belast tegen een verlaagd tarief van 15%.
De inspecteur heeft op 11 augustus 2022 de aanslag IB/PVV 2018 opgelegd waarbij hij is afgeweken van de aangifte. In de aanslag IB/PVV 2018 is onder andere uitgegaan van een resultaat uit overige werkzaamheden van € 5.413.827. Het resultaat uit overige werkzaamheden bestaat uit het totale inkomen uit het lucratief belang (€ 1.883.697 dividend + € 5.183.962 vervreemdingsvoordeel = € 7.067.659) vermenigvuldigd met 76,6%, zijnde het deel van loon dat belanghebbende gedurende zijn gehele dienstverband bij de vennootschap aan loon heeft genoten en dat in Nederland belastbaar was. Op basis hiervan is de aanslag IB/PVV 2018 vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 5.685.133, en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.798. Tevens is bij beschikking € 100.132 belastingrente in rekening gebracht. De inspecteur heeft de aanslag en de rentebeschikking bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd. De rechtbank heeft de aanslag verminderd naar een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 2.155.003 en onder toepassing van het 15% tarief op het daarin begrepen dividend van € 1.883.697, met instandhouding van de overige elementen van de aanslag en heeft de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee gewijzigd. De rechtbank heeft de inspecteur voorts veroordeeld tot betaling van € 2.370 aan proceskosten aan belanghebbende en heeft bepaald dat de inspecteur het griffierecht van € 50 aan belanghebbende moet vergoeden.
3 Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de vraag welke toewijzingsbepaling(en) uit het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen 20121 (hierna: het Verdrag) van toepassing is (zijn) op het door belanghebbende genoten inkomen uit het lucratief belang.
Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. De inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot bevestiging van de uitspraak op bezwaar.