Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 28-01-2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:190, 24/501

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 28-01-2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:190, 24/501

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28 januari 2026
Datum publicatie
17 maart 2026
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:190
Formele relaties
Zaaknummer
24/501
Relevante informatie
Art. 11 lid 1 onderdeel p Wet OB 1968, Art. 11 Wet OB 1968

Inhoudsindicatie

Uitspraak na verwijzing ECLI:NL:HR:2024:527. Beëindiging gewekt vertrouwen over toepassing voordrachtenvrijstelling op [vereniging] ([naam 1]).

Uitspraak

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 24/501

Uitspraak op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de rechtbank) van 26 november 2020, nummer LEE 18/104, in het geding tussen de inspecteur en

[belanghebbende] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Bij arrest van 5 april 2024 (nr. 22/02807) heeft de Hoge Raad het geding ter verdere behandeling en beslissing van de zaak naar het hof verwezen, na vernietiging van de eerdere uitspraak van het Gerechtshof Arnhem- [plaats 1] van 21 juni 2022 (nr. 21/00009) op het hoger beroep van de inspecteur tegen de uitspraak van de rechtbank. Het geding betreft het door belanghebbende voldane bedrag aan omzetbelasting over het tijdvak 1 september 2016

tot en met 30 september 2016.

1.2.

Het procesverloop tot en met het arrest van de Hoge Raad is te kennen uit dat arrest en uit voornoemde uitspraak van het Gerechtshof Arnhem- [plaats 1] van 21 juni 2022.

1.3.

Na de verwijzing door de Hoge Raad hebben beide partijen een schriftelijke conclusie ingediend.

1.4.

De zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Voor deze zitting hebben belanghebbende en de inspecteur beide laten weten niet te zullen verschijnen, zonder om verdaging te verzoeken.

1.5.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende biedt onder de naam [naam 1] , oftewel Hoger Onderwijs voor Ouderen, cursussen aan. Daarover is in de door belanghebbende uitgegeven “ Studiegids najaar 2016 ” het volgende vermeld:

“ [belanghebbende] biedt in de [aantal] [provincies] van Nederland [naam 3] aan. Deze vorm van onderwijs is bedoeld voor mensen van vijftig jaar en ouder. [belanghebbende] is gelieerd aan [aantal] instellingen voor hoger onderwijs in de provincies [vestigingsplaats] , [provincie 1] en [provincie 2] : de [universiteit] , [hogeschool 1] en [hogeschool 2] in [plaats 1] en [plaats 2] . De administratie wordt verzorgd in [vestigingsplaats] .”

2.2.

Bij brief van 31 maart 2011 heeft de inspecteur aan belanghebbende kenbaar gemaakt dat de door haar aangeboden cursussen zijns inziens van omzetbelasting zijn vrijgesteld als voordrachten in de zin van artikel 11, lid 1, letter p, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet).

2.3.

In 2015 heeft [vereniging] in Nederland (hierna: [naam 2] ), waarvan belanghebbende lid is, met de inspecteur gesproken over de behandeling van [naam 3] in het kader van de omzetbelasting. De inspecteur heeft naar aanleiding van dat overleg bij brief van 9 oktober 2015 aan [naam 2] geschreven dat [naam 3] zijns inziens niet onder de (onderwijs)vrijstelling van artikel 11, lid 1, onderdeel o, ten eerste, van de Wet valt, en dat “de Wet (…) ook overigens geen bepalingen bevat op grond waarvan de onderwerpelijke prestaties zijn vrijgesteld van btw”. De inspecteur concludeert dat “de bij [naam 2] aangesloten instellingen naar ons oordeel als ondernemer normaal btw verschuldigd [zijn] tegen het algemene tarief van thans 21% over de door hen in rekening gebrachte vergoedingen.” Bij brief van 9 november 2015 heeft de inspecteur aan [naam 2] geschreven dat de bij [naam 2] aangesloten instellingen per 1 september 2016 rekening moeten houden met zijn standpunt dat [naam 3] belast is. Daarbij is vermeld dat dit standpunt “voor sommige [naam 4]

(…) de expliciete intrekking betreffen van een eerder door de Belastingdienst ingenomen standpunt”.

2.4.

Bij brief van 14 juni 2016 heeft belanghebbende de inspecteur bericht dat zij kennis heeft genomen van zijn onder 2.3 vermelde brief aan [naam 2] van 9 november 2015 en de inspecteur verzocht te bevestigen dat zij nog steeds de vrijstelling van artikel 11, letter p, van de Wet kan toepassen.

2.5.

Met dagtekening 11 augustus 2016 heeft de inspecteur aan belanghebbende een brief gestuurd over “bevestiging ingenomen btw-standpunt [naam 3] ”, waarin onder meer het volgende is vermeld:

“Volgens mijn gegevens bent u als instelling aangesloten bij (…) [naam 2] . Door [naam 2] is uw instelling conform de met de Belastingdienst gemaakte afspraak in de vergadering van 10 november 2015 op de hoogte gesteld van het door de Belastingdienst in zijn brieven van 9 oktober en 9 november 2015 ingenomen standpunt betreffende de btwbehandeling van de cursussen, zoals die door de verschillende bij [naam 2] aangesloten instellingen aan iedereen van vijftig jaar en ouder worden aangeboden. Deze brieven van 9 oktober en 9 november 2015 zijn conform de door de Belastingdienst met [naam 2] gemaakte afspraak aan uw instelling verstrekt.

Het door de Belastingdienst in zijn brieven van 9 oktober en 9 november 2015 ingenomen btw-standpunt luidt dat de door uw instelling aangeboden [naam 1] -cursussen belast zijn tegen het algemene tarief van thans 21 %. Met [naam 2] is hierbij afgestemd en bericht (brief van 9 november 2015) dat dit btw-standpunt van de Belastingdienst geldt vanaf 1 september 2016, althans het nieuwe [naam 1] -cursusjaar 2016-2017 .

[naam 2] heeft de Belastingdienst verzocht om de competente inspecteur voor uw instelling het ingenomen btw-standpunt, waarvan u reeds op de hoogte bent, eveneens afzonderlijk te laten berichten. Aan dit verzoek kom ik in deze brief tegemoet.”

2.6.

Bij brief van 10 oktober 2016 heeft de inspecteur op de brief van belanghebbende van 14 juni 2016 (zie 2.4) gereageerd en het volgende laten weten:

“In uw brief geeft u aan dat [belanghebbende] van oordeel is dat zij, gelet op de aard en inhoud van haar activiteiten, aanspraak kan maken op de vrijstelling als bedoeld in artikel 11 lid 1, onderdeel p Wet op de omzetbelasting, zoals ook besloten in de brief van mijn collega (31 maart 2011, kenmerk joz/K12/Nrd 5e). Per 1 juli 2013 geldt de algehele vrijstelling echter niet meer voor volksuniversiteiten en andere instellingen met een vergelijkbaar aanbod. Deze BTW-goedkeuring voor volksuniversiteiten, waar ook [naam 4] gebruik van maakten (brief van 5 juli 1993, nr. WV/21/ welke verlengd is op 31 mei 1994, nr. VB 94/1631) is ingetrokken na klachten dat deze goedkeuring marktwerking en concurrentie zou verstoren. ”

2.7.

Belanghebbende heeft op 13 december 2016 € 4.525 omzetbelasting op aangifte voldaan die is begrepen in ontvangen betalingen, of althans in rekening gebrachte bedragen, voor de door haar aangeboden [naam 1] -cursussen per 1 september 2016.

2.8.

Het tegen die voldoening op aangifte gemaakte bezwaar heeft de inspecteur ongegrond verklaard. Voor het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur daarnaast bij beschikking vastgesteld dat hij een dwangsom van € 280 heeft verbeurd.

2.9.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard op de grond dat de cursussen die belanghebbende aanbiedt zouden zijn vrijgesteld op grond van artikel 11, lid 1, letter p, van de Wet en op de grond dat de inspecteur de verbeurde dwangsom tot een te laag bedrag heeft vastgesteld. De beslissing van de rechtbank luidt als volgt:

“De rechtbank:

-

verklaart het beroep gegrond;

-

vernietigt de uitspraak op bezwaar;

-

vermindert de over het tijdvak 1 september 2016 tot en met 30 september 2016 verschuldigde omzetbelasting tot nihil;

-

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

-

vernietigt de dwangsombeschikking;

-

bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom is verschuldigd van € 1.260;

-

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde dwangsombeschikking;

-

draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338 aan eiseres te vergoeden;

-

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.311.”

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

De Hoge Raad heeft het geding verwezen voor de behandeling van het door de rechtbank onbehandeld gelaten geschilpunt over het antwoord op de vraag of de inspecteur het jegens belanghebbende gewekte vertrouwen over toepassing van artikel 11, lid 1, letter p, van de Wet voor het onderhavige tijdvak (september 2016) rechtsgeldig heeft opgezegd.

3.2.

De inspecteur concludeert tot gedeeltelijke vernietiging van de bestreden uitspraak en derhalve tot gegrondverklaring van het door hem ingestelde hoger beroep. De bestreden uitspraak moet volgens de inspecteur in stand blijven voor zover het de beslissingen betreft over de dwangsombeschikking en de te vergoeden kosten voor de beroepsfase (zie het (initiële) hogerberoepschrift). Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank op de grond dat de inspecteur het in 2011 gewekte vertrouwen nog gestand moet doen, en derhalve tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4 Gronden

5 Beslissing