Home

Hoge Raad, 16-01-1957, AY1535, 12 951

Hoge Raad, 16-01-1957, AY1535, 12 951

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16 januari 1957
Datum publicatie
5 april 2013
ECLI
ECLI:NL:HR:1957:AY1535
Zaaknummer
12 951
Relevante informatie
3.8 IB, 3.65 IB

Uitspraak

De Hoge Raad enz.

Gezien het beroepschrift in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van den r.v.b. te Amsterdam van 1 Juni 1956 betreffende den hem opgelegde aanslag in de ink.bel. over het jaar 1952;

Gezien...

Overwegende dat aan belanghebbende een aanslag in de ink.bel. over het jaar 1952 werd opgelegd, berekend naar een zuiver inkomen van f 27.357 welke na reclame door den Insp. werd gehandhaafd;

Overwegende dat belanghebbende zich daarop heeft gewend tot den r.v.b. doch deze de beschikking van den Insp. heeft bevestigd na te hebben overwogen:

'dat is komen vast te staan:

dat belanghebbende bij zijn benoeming in 1946 tot notaris te Z kocht het pand a-straat aldaar voor de som van f 30.000; dat genoemd pand hem, belanghebbende, dient en in 1952 diende tot woning en kantoor; dat belanghebbende dit pand per het einde van 1946 als beroepspand in zijn balans opnam; dat zulks eveneens het geval was per het einde van de jaren 1947 tot en met 1951; dat belanghebbende het onderhavige pand per het einde van 1952 aan zijn beroepsvermogen heeft onttrokken en heeft doen overgaan naar zijn privé-vermogen; dat de Insp. bij de regeling van de onderhavige aanslag het verlies bij deze onttrekking ad f 9.080, zijnde het verschil tussen de boekwaarde van het pand ad f 28.580 en de verkoopwaarde ad f 19.500, niet in mindering op belanghebbende's inkomen heeft toegelaten;

dat belanghebbende heeft aangevoerd, dat het in casu gaat over een woonhuis, waarin een paar ruimten voor de uitoefening van het beroep worden gebezigd; dat het pand in 1946 is aangekocht met het oog op de noodzaak om als notaris te gaan werken; dat het onderhavige geval speciaal beantwoordt aan dat van de belastingconsulent, behandeld bij BNB 1955-87; dat de daarin voorkomende overweging, dat hier de wil als redelijk zijnde beslist, ook in omgekeerde zin geldt, namelijk dat dezelfde wil beslist over de mogelijkheid van onttrekking; dat hier speciaal gelet moet worden op het feit, dat het hier gaat over een zg. 'willekeurig bedrijfsvermogen'; dat het toch met betrekking tot bestanddelen, die zoals het onderhavige pand, door hun aard zowel tot een bedrijfsvermogen als een privé-vermogen kunnen behoren, aan de wil van de ondernemer is overgelaten de bestemming daarvan tot het ene (zakelijke) als tot het andere (privé) vermogen te bepalen; dat met klem worde gewezen op het feit, dat in casu zijn belanghebbende's wil nog zijn verklaring vindt in het in 1952 op handen zijnde notarieel pensioenfonds; dat het in verband met genoemd fonds redelijk was de bedrijfsinkomsten, te beginnen met 1952, zo juist mogelijk te berekenen, zo dat daarin geen inkomsten en lasten zijn verwerkt, die niet noodzakelijkerwijs het beroep betreffen; dat het onttrekken van vermogensbestanddelen, mits redelijk, betreft de wijze van bedrijfsuitoefening en niet een methode van bepaling van daarmede behaalde resultaten; dat de waarde van het onttrekken pand zeker niet te laag is bepaald; dat de rijksdeskundige het onderhavige pand op de werkelijke waarde heeft getaxeerd, met inachtneming van alle factoren, die op 13 December 1952 bekend waren, ook die welke de Insp. met betrekking tot 1946 en 1951 aanhaalt; dat overigens het lijstje van den Insp. onvolledig is; dat enz.;

dat goed koopmansgebruik de ondernemer bij de berekening van zijn winst niet altijd vrij laat in de beslissing, of een bepaald bestanddeel van zijn vermogen tot het bedrijfs- dan wel tot het privé-vermogen moet worden gerekend, dat deze beslissing veelal afhankelijk is van de wijze, waarop het vermogensbestanddeel is verworven, (nl. al dan niet in de uitoefening van het bedrijf) dan wel van de feitelijke bestemming, die door de ondernemer aan het vermogensbestanddeel is gegeven, (bv. gebruik uitsluitend in de uitoefening van het bedrijf), dat hetgeen in die gevallen geldt voor de beslissing, of al dan niet van bedrijfsvermogen sprake is, ook van toepassing is ten aanzien van de beslissing, of de betrokken vermogensbestanddelen nog dan wel niet meer tot het bedrijfsvermogen behoren, zodat ook dan de ondernemer niet vrij is in zijn winstberekening, doch deze winstberekening op dit punt door bovenbedoelde factoren wordt beheerst;

dat, wanneer goed koopmansgebruik de ondernemer vrij laat in zijn keuze, of een bepaalde zaak al dan niet tot zijn bedrijfsvermogen behoort, die zelfde vrijheid niet bestaat ten aanzien van zijn beslissing, of de betrokken zaak nog dan wel niet meer tot zijn bedrijfsvermogen behoort; dat toch goed koopmansgebruik, juist wanneer het de ondernemer in de aanvang heeft vrij gelaten, hem vervolgens dwingt tot het in acht nemen van een bestendige gedragslijn, waarvan slechts mag worden afgeweken, wanneer bijzondere omstandigheden zulks rechtvaardigen; dat tussen partijen vaststaat, dat belanghebbende het onderhavige pand bij de aankoop in 1946 tot zijn beroepsvermogen rekende naar, hem vrijstaand, eigen inzicht en deze gedragslijn tot het einde van 1952 bestendig heeft gevolgd; dat van een bijzondere omstandigheid als hierboven bedoeld niet is gebleken; dat niet gesteld of gebleken is, dat wijziging in het feitelijk gebruik van het pand heeft plaats gevonden; dat belanghebbende aanvoert, dat voor de berekening van de premie ten behoeve van het op te richten notariële pensioenfonds een nauwkeurige boekhoudkundige scheiding tussen inkomsten uit arbeid en inkomsten uit vermogen gewenst was, doch wat hiervan moge zijn, de wenselijkheid van een bepaalde winstberekening voor andere dan fiscale doeleinden geen grond kan zijn de fiscale bepaling van de winst aan zulk een winstberekening aan te passen;'

Overwegende dat belanghebbende tegen de uitspraak als middelen van cassatie aanvoert:

Primair: Sch. of verk. toep. van art. 16 RvB, en de artt. 5, 6 en 7 IB '41 doordat de r.v.b.:

ten onrechte ervan is uitgegaan, dat de beslissing van de ondernemer of een bepaald bestanddeel van zijn vermogen tot zijn beroeps- dan wel tot zijn privé-vermogen behoort, uiteindelijk door het goed koopmansgebruik wordt bepaald, en dat zulks eveneens het geval is met betrekking tot de beslissing van de ondernemer of de betrokken vermogensbestanddelen nog, dan wel niet meer tot het beroepsvermogen behoren;

II. ten onrechte heeft aangenomen, dat, wanneer een ondernemer heeft beslist, en heeft kunnen beslissen, dat een zaak tot zijn beroepsvermogen behoort, het goed koopmansgebruik hem zou dwingen tot het inachtneming van een bestendige gedragslijn, waarvan slechts mag worden afgeweken, indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen;

Subsidiair: Sch. of verk. toep. van dezelfde artikelen, omdat, indien de ondernemer, wanneer hij eenmaal een keuze heeft gedaan met betrekking tot de vraag of een vermogensbestanddeel tot zijn beroeps- dan wel tot zijn privé-vermogen behoort, ingevolge het goed koopmansgebruik een bestendige gedragslijn in acht dient te nemen, waardoor hij niet meer vrij is het betrokken vermogensbestanddeel aan zijn beroepsvermogen te onttrekken, dan toch in ieder geval niet juist is 's Raads stelling, dat de te verwachten oprichting van het notarieel pensioenfonds met de daarmee gepaard gaande wenselijkheid van een boekhoudkundige scheiding tussen inkomsten uit arbeid en inkomsten uit vermogen niet een bijzondere omstandigheid vormde, welke doorbreking van de bestendige gedragslijn rechtvaardigde;

Meer subsidiair: Sch. of verk. toep. van dezelfde artikelen, omdat, wat er zij van de vrijheid van bel.pl. om het gehele pand aan zijn beroepsvermogen te onttrekken, toch in ieder geval ten aanzien van het woongedeelte de vrijheid tot onttrekking door de Raad had moeten zijn toegelaten;

Overwegende omtrent het primaire middel:

dat art. 5 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 tot het onzuiver inkomen onder meer rekent winst uit bedrijf en uit zelfstandig uitgeoefend beroep;

dat art. 6 vermeldt, dat de gezamenlijke uit bedrijf of beroep verkregen voordelen winst vormen, en art. 7 voorschrijft, dat deze winst moet worden bepaald volgens goed koopmansgebruik met inachtneming van een bestendige gedragslijn;

dat deze twee artikelen aldus de vraag beantwoorden, hoe de uit bedrijf of beroep verkregen winst moet worden berekend;

dat zij echter geen maatstaven geven voor de beantwoording van de daaraan voorafgaande vraag, welke voordelen en nadelen tot de winst en het verlies uit bedrijf of beroep moeten worden gerekend;

dat mitsdien ten onrechte de Raad van Beroep de vraag, of belanghebbendes pand tot het beroepsvermogen behoorde en het daarop volgens belanghebbende geleden verlies dus een beroepsverlies was, mede aan de hand van de in art. 7 gestelde maatstaven van goed koopmansgebruik en bestendige gedragslijn heeft beantwoord;

Overwegende dat nochtans het middel, al is het in zoverre gegrond, niet tot cassatie kan leiden;

dat toch feitelijk vaststaat, dat belanghebbende einde 1952 zijn wil tot uitdrukking heeft gebracht, het pand, hetwelk hij tot dien tot zijn beroepsvermogen had gerekend, te doen overgaan naar zijn privé-vermogen;

dat wel binnen de grenzen der redelijkheid een belastingplichtige vrij is, een vermogensbestanddeel als het onderhavige, dat belanghebbende zowel tot woning als tot kantoor dient, in zijn beroepsvermogen dan wel in zijn privé-vermogen op te nemen;

dat echter, wanneer een belastingplichtige eenmaal verkozen heeft in zijn verhouding tot den fiscus zodanig vermogensbestanddeel tot zijn privé-vermogen onderscheidenlijk zijn beroepsvermogen te rekenen, en daarmede de gevolgen heeft opgeroepen en aanvaard, welke het behoren van dat vermogensbestanddeel tot het privé-vermogen of tot het beroepsvermogen voor de belastingheffing zal hebben, het hem in redelijkheid niet vrij staat, naar willekeur op deze gevolgen in te werken door dat vermogensbestanddeel van het ene naar het andere vermogen over te brengen, doch zulk overbrengen hem slechts geoorloofd is indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen;

dat belanghebbende als enige reden voor het overbrengen van het onderhavige pand van zijn beroepsvermogen naar zijn privé-vermogen heeft opgegeven het belang van een juiste afbakening tussen inkomsten uit beroep en opbrengst van vermogen met het oog op de te verwachten premieheffing ten behoeve van het in te stellen notariële pensioenfonds;

dat hierin echter geen bijzondere omstandigheid is te zien, welke in zijn verhouding tot den fiscus dat overbrengen zou rechtvaardigen;

dat de Raad van Beroep derhalve, wat er zij van de daarvoor aangevoerde gronden, terecht den aanslag, bij de regeling waarvan met dat overbrengen en het daardoor tot uiting komende verlies geen rekening was gehouden, heeft gehandhaafd;

Overwegende dat uit het voorgaande de ongegrondheid ook van het subsidiair en van het meer subsidiair voorgedragen middel volgt;

Verwerpt het beroep.