Hoge Raad, 22-02-1977, AC5899, 68630
Hoge Raad, 22-02-1977, AC5899, 68630
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 22 februari 1977
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 68630
Uitspraak
Op het beroep van de Proc.-Gen. bij het Hof te 's-Hertogenbosch, req. van cassatie tegen een arrest van het Hof te 's-Hertogenbosch van 27 sept. 1976, waarbij in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de PR in de Rb. te Maastricht van 26 febr. 1976 - Sophia Elisabeth Maria S., geboren te Heerlen op 20 sept. 1936, wonende te Maastricht, is vrijgesproken van hetgeen haar bij inleidende dagvaarding is telastegelegd.
De Hoge Raad, enz.;
Gelet op het middel van cassatie, door de req. voorgesteld bij schriftuur, luidende:
'Schending van het recht, in het bijzonder van de artt. 350, 352, 358, 359, 415, 422 en 423 Sv., doordien het Hof, het veroordelend vonnis van de PR in de Rb. te Maastricht vernietigend en in hoger beroep de verdachte vrijsprekend van het te laste gelegde, niet op de grondslag van de telastelegging heeft beraadslaagd en beslist, en aldus heeft vrijgesproken van iets anders dan was te laste gelegd, aangezien het Hof de in de telastelegging voorkomende woorden 'hebbende ... vermeld' op een onjuiste wijze heeft uitgelegd.
Toelichting.
Er bestaat met betrekking tot het te laste gelegde een sterke gelijkenis tussen het begrip 'vermelden' in de onderhavige zaak en het begrip 'invullen' in de zaak, waarin Uw Raad bij arrest van 10 juni 1975, NJ 1975, 461, het cassatieberoep (van verdachte) heeft verworpen.
In dit arrest overwoog Uw Raad o.m., 'dat immers ook van 'invullen' sprake kan zijn wanneer, in het geval dat gegevens moeten worden verstrekt aan een hulpverlenende instantie, zoals een gemeentelijke sociale dienst, i.v.m. een mogelijke uitkering, door het ontkennen of het niet gewagen van inkomsten de ambtenaar het door de aanvrager te onderkennen formulier op bepaalde plaatsen niet van de juiste gegevens voorziet, omdat dit openlaten pleegt te worden verstaan als een ontkenning van zekere feiten waarmee de dienst bekend wenst te worden ter toekenning of vaststelling van de hoogte van de uitkering'.
In de onderhavige zaak overweegt het Hof, dat onder 'vermelden' naar algemeen Nederlands spraakgebruik verstaan wordt 'gewag maken van, berichten, noemen', dus enige activiteit, gericht op het te kennen geven van het bestaan of niet bestaan van enig feit'. Impliciet lees ik in deze overweging, dat het Hof deze 'activiteit' hier niet aanwezig heeft geacht. Daarbij verliest het Hof, mijns inziens, uit het oog, dat - nog daargelaten, of het woord 'vermelden' in het algemeen alleen in zo 'positieve' en 'actieve' zin mag worden verstaan als door het Hof is geschied - in de telastelegging de woorden 'hebbende vermeld' (mede) in verband staan met de enkele regels verder voorkomende woorden 'en hebbende zij, verdachte, toen daar deze (dit) aldus ingevulde formulier (en) met haar, verdachtes, handtekening ondertekend'.
Evenals het 'invullen' in de zaak, waarin het bovenvermelde arrest is gewezen, kan - zo zou ik willen stellen - het 'vermelden' in de onderhavige zaak niet los worden gezien van de telastelegging in haar geheel, en van de strekking van het verwijt, tot de verdachte gericht, (in beide gevallen) hierop neerkomende, dat door middel van valsheid in geschrift aan de betreffende dienst de door deze gevraagde gegevens worden onthouden dan wel niet ter kennis worden gebracht.
Het is, naar mij voorkomt, een kwestie van woorden, of in gevallen als deze de woorden 'vermelden' en 'invullen' worden verstaan als 'te kennen geven' of 'opgave doen', dat geen inkomsten zijn genoten, of als 'niet te kennen geven' of 'geen opgave doen', dat (wel) inkomsten zijn genoten. Het achterwege laten van gegevens is immers in dit verband een 'te kennen geven' of een 'opgave doen omtrent' (Van Dale, tiende geheel opnieuw bewerkte en zeer vermeerderde druk, door dr. C. Kruyskamp, 1976) en daarop komt het aan in het kader, en de samenhang met het overige gedeelte, van de telastelegging.
Deze betekenis van 'vermelden' heeft het Hof, naar mijn mening, gezien in het licht van het arrest van Uw Raad van 1975, ten onrechte niet aangenomen, waardoor de grondslag van de telastelegging is verlaten';
Gehoord de Adv.-Gen. Kist, enz.;
Overwegende dat bij inleidende dagvaarding aan gereq. is telastegelegd:
'dat zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks het tijdvak van 1 aug. 1975 t/m 30 sept. 1975 in de gemeente Maastricht een of meer formulieren 'inkomstenformulier' aan haar vanwege de gemeente Maastricht ter invulling verstrekt ter uitvoering van de Algemene Bijstandswet, zijnde dit (deze) formulier(en) geschriften als bedoeld in art. 225 Sr., (telkens) opzettelijk valselijk heeft opgemaakt of vervalst, hebbende zij toen daar opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid op de formulieren over de maanden aug. en sept. 1975, in elk geval op een of meer formulieren vermeld althans doen vermelden, dat zij geen inkomsten uit hoofde van werkzaamheden had genoten, zulks terwijl zij, verdachte, vanaf 28 juli 1975 ten behoeve van de heer Zeguers, huishoudelijk werk had verricht, tegen een wekelijkse vergoeding van f 135 en hebbende zij, verdachte, toen daar deze (dit) aldus ingevulde formulier(en), als zijnde overeenkomstig de waarheid ingevuld met haar, verdachtes, handtekening ondertekend en doen toekomen aan het gemeentebestuur van de gemeente Maastricht, met het oogmerk om deze (dit) aldus valselijk opgemaakte of vervalste formulier(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, terwijl uit dat gebruik nadeel kon ontstaan';
Overwegende dat het Hof bij het bestreden arrest de gegeven vrijspraak van dit telastegelegde heeft doen steunen op de navolgende overwegingen:
'dat, na hernieuwd onderzoek in hoger beroep, het Hof niet bewezen acht, dat de verdachte het haar telastegelegde feit heeft begaan, zodat het beroepen vonnis, waarbij dat feit is bewezen verklaard en verdachte te dier zake is veroordeeld, behoort te worden vernietigd en zij alsnog moet worden vrijgesproken van het telastegelegde;
dat het Hof met name niet bewezen acht, dat verdachte op de in de dagvaarding bedoelde formulieren 'heeft vermeld' dat zij geen inkomsten uit hoofde van werkzaamheden had genoten, nu verdachte op die formulieren blijkt in het geheel niets daaromtrent vermeld te hebben;
dat immers, daargelaten dat zij aldus in gebreke bleef het formulier behoorlijk in te vullen, onder 'vermelden' naar algemeen Nederlands spraakgebruik verstaan wordt: 'gewag maken van, berichten, noemen', dus enige activiteit, gericht op het te kennen geven van het bestaan of niet bestaan van enig feit';
Overwegende omtrent de ontvankelijkheid van het cassatieberoep, nu dit tegen een vrijspraak is gericht:
dat indien, ter verkrijging van een uitkering krachtens de Algemene Bijstandswet, aan een gemeentelijke instantie aangifte moet worden gedaan van uit hoofde van werkzaamheden genoten inkomsten, en de aanvrager van die uitkering een hem te dien einde van gemeentewege verstrekt 'inkomstenformulier', als zijnde overeenkomstig de waarheid ingevuld met zijn handtekening ondertekend, aan die instantie doet toekomen, terwijl hij dit formulier op de voor het aangeven van zodanige inkomsten bestemde plaats oningevuld heeft gelaten, zulks in het maatschappelijk verkeer pleegt te worden opgevat als een vermelden door de aanvrager dat hij dergelijke inkomsten niet heeft genoten;
dat in verband daarmee de in de telastelegging voorkomende woorden 'hebbende zij ... vermeld, althans doen vermelden, dat zij geen inkomsten uit hoofde van werkzaamheden had genoten' onder de telastegelegde omstandigheden bezwaarlijk anders kunnen worden verstaan dan dat daaronder is begrepen een oningevuld laten als vorenbedoeld ter ontkenning van de feiten waarmee de betrokken gemeentelijke instantie bekend wenste te worden ter toekenning of vaststelling van de hoogte der uitkering;
dat mitsdien, blijkens de vorenweergegeven overwegingen van het bestreden arrest, het Hof bij zijn beraadslaging en beslissing is uitgegaan van een onjuiste betekenis van het in de telastelegging voorkomende woord 'vermeld', gelijk dit in het geheel van de telastelegging wordt gebezigd;
dat het Hof bij het geven van zijn beslissing derhalve de grondslag van de telastelegging heeft verlaten en aldus heeft vrijgesproken van iets anders dan was telastegelegd, zodat die vrijspraak niet is een zodanige als waarop in art. 430, eerste lid, Sv. wordt gedoeld en req. in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen;
Overwegende omtrent het middel:
dat de gegrondheid daarvan uit het voren-overwogene voortvloeit;
Vernietigt het bestreden arrest;
Verwijst de zaak naar het Hof te Arnhem ten einde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.