Home

Hoge Raad, 29-06-1983, AW9439, 21 435

Hoge Raad, 29-06-1983, AW9439, 21 435

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29 juni 1983
ECLI
ECLI:NL:HR:1983:AW9439
Zaaknummer
21 435

Inhoudsindicatie

-

Uitspraak

29 juni 1983.

Nr. 21.435

AdJ.

De Hoge Raad der Nederlanden,

Gezien het beroepschrift in cassatie van [X] te [Z] tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 17 maart 1982 betreffende de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1976;

Gezien de conclusie van de Advocaat-Generaal Van Soest van 1 februari 1983, strekkende tot verwerping van het beroep;

Gezien de stukken;

Overwegende dat aan belanghebbende een aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1976 is opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 99.056,--, waarvan een gedeelte groot f 78.455,-- is belast op de voet van artikel 57, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (naar een tarief van 22%), welke aanslag, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd, waarna belanghebbende van die uitspraak in beroep is gekomen bij het Hof;

Overwegende dat het Hof vooreerst heeft overwogen:

‘’dat belanghebbende als grief aanvoert dat de Inspecteur ten onrechte een bedrag van f 78.455,67 heeft belast zijnde een gedeelte van na te noemen door belanghebbende in 1976 ontvangen uitkering ter zake van een hem in 1968 overkomen ongeval en de Inspecteur het belastbare inkomen niet heeft vastgesteld op het in zijn, belanghebbendes, aangifte vermelde bedrag van f 20.600,52, terwijl de Inspecteur concludeert tot handhaving van de uitspraak;'';

Overwegende dat het Hof als vaststaande heeft aangemerkt:

‘’Aan belanghebbende, die sedert 1949 in dienstbetrekking was bij de besloten vennootschap [A] B.V. te [Z] ([A] B.V.), laatstelijk als allround autorichtspecialist, is op 24 april 1968 in de werkplaats van zijn werkgeefster een ongeval overkomen waarvan de toedracht de volgende is geweest:

Terwijl belanghebbende in de in die werkplaats aanwezige werkkuil in de uitoefening van zijn dienstbetrekking aan het werk was, deed zich in die kuil een explosie voor welke werd gevolgd door brand. Als gevolg van deze explosie en deze brand heeft belanghebbende ernstige brandwonden en verminkingen opgelopen; hij is vele malen in het ziekenhuis opgenomen geweest en geopereerd.

Belanghebbende is door dit ongeval volledig arbeidsongeschikt geworden en hij heeft thans een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.

De explosie is ontstaan doordat benzinedampen die zich in de werkkuil hadden verzameld, zijn ontbrand door een defect aan de verlichtingsinstallatie van de werkkuil.

Belanghebbende heeft zijn werkgeefster bij dagvaarding van 25 september 1970 gedaagd voor de Arrondissementsrechtbank te [Z] en haar veroordeling gevorderd tot vergoeding van de kosten, schade en interessen, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de Wet, ter zake van het hem op 24 april 1968 overkomen ongeval, alsmede tot betaling van de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding tot die van de algehele voldoening. Deze eis is toegewezen bij vonnis van 19 september 1974, in welk vonnis is beslist dat het ongeval uitsluitend te wijten is geweest aan de schuld van [A] B.V. en dat zij volledig aansprakelijk is voor de gevolgen daarvan. Nadat het tegen dit vonnis gerichte hoger beroep van [A] B.V. bij arrest van dit Hof van 25 februari 1975 niet-ontvankelijk was verklaard, heeft Expertisebureau [B] te [Q] in opdracht van belanghebbende de door hem geleden en nog te lijden schade berekend, welke berekening samengevat luidt als volgt:

a. materiële schade

f 6.255,--

b. inkomstenderving

f 47.795,--

c. extra uitgaven in verband met invaliditeit

f 16.595,--

d. belasingschade

f 9.060,--

e. smartegeld

f 45.000,--

Totale schade

f 124.705,--.

Delta Lloyd Autoverzekering n.v., bij welke vennootschap belanghebbendes werkgeefster zich tegen wettelijke aansprakelijkheid had verzekerd, heeft de schade van belanghebbende becijferd als volgt:

1. smartegeld

f 50.000,--

2. materiële schade

f 3.500,--

3a. vergoeding van geleden inkomensschade tot en met december 1974

f 8.670,--

3b. toekomstschade (contante waarde voor verloren arbeidscapaciteit ten gevolge van verminderde validiteit)

f 36.235,--

4. lump sum als bijdrage in de kosten van vervanging voor eigen werkzaamheid in huis, tuin en keuken

f 5.000,--

5. wettelijke rente

f 30.516,64

6. belastingschade

f 3.034,03

Totale schade (afgerond)

f 137.500,--.

Na verdere onderhandelingen zijn [A] B.V. (contractante sub I, 1) en Delta Lloyd (contractante sub I, 2) als haar W.A.-assuradeur met belanghebbende (contractant sub II) bij wijze van dading op 10 november 1976 schriftelijk overeengekomen als volgt:

‘’ ‘’1. contractante sub I, 2 betaalt aan of ten behoeve van contractant sub II, onder aftrek van een reeds betaald voorschot ad f 15.000,--, een bedrag van f 122.500,-- ten titel van zaakschade, smartegeld en verlies aan arbeidsvermogen; betaling zal plaatsvinden voor of uiterlijk op 15 november 1976;

2. partijen doen afstand van het recht om ontbinding van deze overeenkomst te vorderen overeenkomstig de artikelen 1302 en 1303 van het Burgerlijk Wetboek.

3. de partijen voornoemd verklaren het tussen hen gerezen geschil aldus naar wederzijds genoegen te hebben opgelost, zodat zij ter zake voormeld niets meer van elkaar te vorderen hebben en elkaar deswege volledige en algehele kwijting verlenen'' ''.

Genoemde contractanten hebben hierbij in aanmerking genomen:

‘’ ‘’dat zich op 24 april 1968 in het bedrijf van contractante sub I, 1 een bedrijfsongeval heeft voorgedaan, waarvoor contractanten sub I zich ten gronde aansprakelijk achten;

dat ten gevolge van voormeld ongeval contractant sub II ernstige immateriële en materiële schade, daaronder begrepen financieel nadeel als gevolg van het verlies van arbeidsvermogen uit hoofde van invaliditeit, alsmede zaakschade, heeft geleden en in de toekomst nog zal lijden;

dat partijen verdeeld zijn over de vraag naar de omvang van de door contractant sub II geleden schade;

dat partijen met elkaar te rade zijn gegaan en besloten hebben het onderhavige geschil in der minne te regelen'' ''.

Het in de overeenkomst van dading genoemde voorschot van f 15.000,-- is in 1975 aan belanghebbende uitbetaald en partijen hebben ter zitting eensluidend verklaard dat, voor zover dat van belang mocht blijken te zijn, van het door belanghebbende op grond van deze dading ontvangen bedrag in het onderhavige kalenderjaar niet meer dan f 122.500,-- belastbaar is en dat indien de totale schade-uitkering van f 137.500,-- is opgebouwd uit de elementen, zoals die zijn vermeld in de schadeberekening van Delta Lloyd (hetgeen de Inspecteur stelt, maar belanghebbende betwist) het bedrag van het voorschot ponds-pondsgewijze moeten worden toegerekend aan elk van die elementen.

De bij de uitspraak, waarvan beroep, gehandhaafde aanslag is berekend als volgt:

Aangegeven belastbaar inkomen

f 20.600,52

Bij: belastingschade

f 3.034,03

Verminderd arbeidsvermogen

f 44.905,--

Wettelijke rente

f 30.516,64

f 78.455,67

f 99.056,19;’’;

Overwegende dat het Hof het standpunt van belanghebbende heeft weergegeven als volgt:

‘’1. dat de Inspecteur ten onrechte aanneemt dat in de uitkering van f 137.500,-- een bedrag van f 3.034,03 is begrepen voor belastingschade en een bedrag van f 30.516,64 voor wettelijke rente,

2. dat - anders dan de Inspecteur voorstaat - de schade-uitkering, voor zover betrekking hebbende op verminderd arbeidsvermogen noch als loon uit dienstbetrekking, noch uit andere hoofde belastbaar is,

3. dat de Inspecteur ten onrechte stelt dat de aanslag op een te laag bedrag is vastgesteld, aangezien hij ten onrechte aanneemt dat hetgeen voor zaakschade en smartegeld is begrepen in de schade-uitkering, belastbaar is;'';

Overwegende dat het Hof voorts omtrent de standpunten van partijen heeft vermeld:

‘’dat partijen elk hun standpunten hebben doen steunen op hetgeen zij daarvoor in de van hen afkomstige stukken hebben aangevoerd en belanghebbende daarvan ter zitting - zakelijk weergegeven - nog heeft toegevoegd:

ad 1:

Hij handhaaft dat in de van Delta Lloyd ontvangen schade-uitkering geen bedragen zijn begrepen voor belastingschade en wettelijke rente. De door de FIOD in de administratie van Delta Lloyd aangetroffen specificatie waarop de Inspecteur zich baseert voor zijn stelling dat belanghebbende wel een bedrag voor belastingschade en een bedrag voor wettelijke rente heeft ontvangen, is niet meer dan een intern stuk waaraan geen bewijs met betrekking tot de samenstelling van de schade-uitkering mag worden ontleend.

Belanghebbende die op basis van het rapport-Pals een schadevergoeding van f 124.705,-- exclusief rente claimde, was het niet eens met de diverse in het aanbod van Delta Lloyd begrepen schadeposten. Toen echter in de loop van de onderhandelingen bleek dat Delta Lloyd niet meer dan in totaal f 137.500,-- wilde betalen, is belanghebbende daar ter vermijding van een schadestaatprocedure uiteindelijk mee accoord gegaan, ook al ontving hij dan minder dan hij verlangde namelijk naast de door hem aanvaarde hoofdsom geen wettelijke rente. Dit blijkt ook uit de in het geding gebrachte akte van dading: belanghebbende heeft de schade-uitkering namelijk uitsluitend ontvangen ter zake van zaakschade, smartegeld en verlies van arbeidsvermogen, te specificeren als volgt: voor zaakschade f 6.255,--, voor smartegeld f 50.000,-- en voor verminderd arbeidsvermogen f 81.245,--.

ad 2 en 3:

Zoals in het beroepschrift reeds is opgemerkt, wordt aan een uitkering wegens verminderd arbeidsvermogen haar karakter niet ontnomen indien ter kwantificering daarvan acht wordt geslagen op concrete inkomensgegevens en de positie van de belanghebbende. Van een uitkering wegens gederfde of te derven inkomsten is in elk geval geen sprake.

De stelling van de Inspecteur dat de door belanghebbende genoten uitkering belast is omdat zij voortspruit uit de dienstbetrekking, wordt, zoals reeds betoogd is in het beroepschrift, bestreden op deze grond, dat in rechterlijke uitspraken is beslist dat uitkeringen als de onderhavige niet aan een bepaalde bron van inkomen kunnen worden toegerekend. Dat zulks wel voor de winstsfeer zou gelden en niet voor de loonsfeer, is onjuist.

Zou niettemin een onderscheid moeten worden gemaakt - hoe onlogisch ook - dan nog dienen de door belanghebbende genoten uitkeringen wegens verminderd arbeidsvermogen en immateriële schade buiten de heffing van inkomstenbelasting te blijven aangezien zij niet uit belanghebbendes dienstbetrekking bij [A] B.V. worden genoten.

Dezerzijds wordt gesteld dat de uitkeringen hun oorzaak vinden in een onrechtmatige daad welke belanghebbendes werkgever heeft begaan, hierin bestaande, dat hij er niet voor heeft gezorgd dat een lokaliteit, waarin zich ook anderen dan personeelsleden kunnen bevinden, veilig is. De verplichting tot vergoeding van de hierdoor veroorzaakte schade vloeit derhalve voort uit een verbintenis uit de wet (artikel 1401 en volgende van het Burgerlijk Wetboek). Dat het arbeidsrecht in ruime zin een aparte bepaling kent (artikel 1638x van het Burgerlijk Wetboek) welke op de werkgever als zodanig zekere verplichtingen legt, bij welker niet-nakoming een schadeplicht ontstaat, doet daarbij niet ter zake. De gelaedeerde werknemer heeft immers - voor zover beide wettelijke bepalingen samenlopen - de keuze om zich op de een dan wel op de ander bij zijn actie tot schadevergoeding te beroepen. Zou in een geval als het onderhavige die keuze bepalen of de uitkering uit de dienstbetrekking wordt genoten of niet, dan zou een verschil in belastingheffing ontstaan dat door het enkele bestaan van die keuze niet gemotiveerd casu quo gerechtvaardigd kan worden.

Aangezien een derde, die in de betrokken ruimte aanwezig zou zijn geweest, bij schade de garagehouder had kunnen aanspreken op grond van onrechtmatige daad, en een alsdan ontvangen uitkering onbelast zou zijn geweest, moet worden geconcludeerd dat belanghebbendes vordering tot schadevergoeding niet voortspruit uit de dienstbetrekking doch uit de onrechtmatige daad, waarbij - indien deze conclusie niet zou mogen worden getrokken - evenzeer een verschil in belastingheffing zou ontstaan dat nimmer op grond van de overigens bestaande rechtsverhouding (dienstbetrekking) of de afwezigheid daarvan kan worden gegrond.

De Inspecteur beroept zich bij de uiteenzetting van zijn standpunt op enige rechterlijke uitspraken. Uit het hierna volgende moge echter blijken dat deze uitspraken veeleer het standpunt van belanghebbende schragen.

In B.N.B. 1972/236 wordt door het Hof Amsterdam uitvoerig overwogen dat de aan de belanghebbende in die procedure gedane uitkering tot het loon werd gerekend ‘’’’omdat hij zich bij de uitoefening van zijn dienstbetrekking zou hebben schuldig gemaakt aan grove onachtzaamheid en oneerlijkheid en dat hij dus bij de uitvoering van de hem opgedragen taak ernstig verwijtbare handelingen of verzuimen heeft gepleegd; dat immers niet is gebleken dat voormelde beschuldiging betrekking heeft op gedragingen van belanghebbende die met de dienstbetrekking niets te maken hebben'' ''.

Zie evenzo Hoge Raad 6 september 1978, B.N.B. 1979/208: ‘’’’dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat een vergoeding voor immateriële schade wegens de onrechtmatige aantasting van de persoon van de werknemer en van diens geestelijke gezondheid, indien de oorzaak daarvan is gelegen in het niet naleven door de werkgever van diens op de wet of op de overeenkomst berustende verplichtingen uit hoofde van de dienstbetrekking, tot de inkomsten uit dienstbetrekking moet worden gerekend'' ''.

Uit deze rechterlijke uitspraken blijkt dat de rechter in fiscale zaken - anders dan de Inspecteur in deze procedure - slechts dan een oorzakelijk verband tussen de uitkering en de dienstbetrekking aanneemt indien de werkgever als zodanig zijn verplichtingen (als werkgever) niet is nagekomen dan wel de schade (het leed enzovoorts) van de werknemer uitsluitend in de uitoefening van de dienstbetrekking is kunnen ontstaan. In het onderhavige geval is niet bij uitsluiting de dienstbetrekking de oorzaak van de schade geweest doch het ongeval. Immers dit ongeval had een ieder bij aanwezigheid in het garagebedrijf kunnen overkomen, zodat een ieder de eigenaar van dat bedrijf had kunnen aanspreken vanwege de schade die door het ongeval is veroorzaakt.

In dit opzicht verschilde belanghebbendes positie in geen enkel opzicht van die van een willekeurige derde. Dat belanghebbende de keuze had tussen een actie op grond van artikel 1638x van het Burgerlijk Wetboek en artikel 1401 en volgende van het Burgerlijk Wetboek is niet relevant, nog daargelaten dat zulks - weergegeven de door de Arrondissementsrechtbank te Maastricht vastgestelde feiten - geen enkel verschil in omvang en aard van de schadevergoeding zou hebben uitgemaakt.

De opmerking van de Inspecteur dat een willekeurige derde geen schade zou hebben kunnen claimen, is in strijd met de tegenover derden geldende zorgplicht die op de eigenaar van de garage rust, en tegen de financiële risico's waarvan die eigenaar zich dan ook verzekerd heeft.

Ten slotte moge nog worden verwezen naar de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 6 oktober 1978, FED I.B. 1964: artikel 22 : 150, waarin de aan een werknemer toegekende vergoeding wegens een in de uitoefening van zijn dienstbetrekking overkomen ongeval onbelast werd gelaten wegens onvoldoende oorzakelijk verband met de dienstbetrekking. Dat deze uitkering werd ontvangen van een derde (een afnemer van belanghebbendes werkgever) kan voor deze onbelastbaarheid niet worden aangevoerd; de belastbaarheid als loon uit dienstbetrekking van prestaties van derden vereist slechts een oorzakelijk verband en niet dat arbeid is of zal worden verricht. Voor de belastbaarheid van vergoedingen wegens verminderd arbeidsvermogen en smartegeld verkregen van de werkgever is niet voldoende dat het ongeval of de oorzaak van het leed zich heeft voorgedaan in de uitoefening van de dienstbetrekking maar is vereist dat de schade uitsluitend aan de werknemer als zodanig heeft kunnen opkomen en de werkgever als zodanig tot vergoeding van die schade gehouden is. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake;'';

Overwegende dat het Hof vervolgens heeft overwogen:

‘’dat belanghebbende ter zitting - voor het geval zijn hierboven onder 2 vermelde standpunt wordt verworpen - heeft ingestemd met de stelling van de Inspecteur dat de in de schade-uitkering begrepen vergoeding voor verminderd arbeidsvermogen is een uitkering wegens invaliditeit van de werknemer ten gevolge van ongeval, als bedoeld in artikel 57, lid 1, letter h, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zodat ingevolge het vierde lid van dat artikel daarop een bijzonder tarief van 20% van toepassing is in plaats van 22%, waarvan ten onrechte bij de berekening van de aanslag is uitgegaan;'';

Overwegende dat het Hof omtrent het geschil heeft overwogen:

‘’dat belanghebbende heeft gesteld en ter zitting nader gepreciseerd dat de uitkering ad f 137.500,--, die hij van de W.A.-assuradeur van zijn voormalige werkgeefster [A] B.V. heeft ontvangen als vergoeding voor de door hem als gevolg van het hierboven onder de vaststaande feiten omschreven ongeval geleden schade, bestaat uit een bedrag van f 6.255,-- voor zaaksschade, een bedrag van f 50.000,-- als smartegeld en een bedrag van f 81.245,-- wegens verlies van arbeidsvermogen;

dat de Inspecteur heeft gesteld dat de uitkering van f 137.500,-- is samengesteld als volgt:

1. materiele schade (afgerond)

f 4.000,--

2. belastingschade

f 3.034,03

3. smartegeld

f 50.000,--

4. vergoeding wegens verminderd arbeidsvermogen

f 44.905,---

5. lump sum

f 5.000,--

6. wettelijke rente

f 30.516,64

totaal (afgerond)

f 137.500,--;

dat de Inspecteur de onder 2, 4 en 6 genoemde bedragen ad in totaal f 78.455,67 in afwijking van belanghebbendes aangifte tot diens belastbare inkomen heeft gerekend, en hij heeft gesteld, dat indien zou komen vast te staan dat overeenkomstig belanghebbendes stelling in de schade-uitkering niets is begrepen voor belastingschade en wettelijke rente, noch deze omstandigheid, noch de omstandigheid dat het hiervoor onder 4 genoemde bedrag is belast naar een tarief van 22% in plaats van een van 20% tot vernietiging van de uitspraak waarvan beroep, en vermindering van de daarbij gehandhaafde aanslag kan leiden, omdat hij, Inspecteur, bij de aanslagregeling - achteraf bezien - ten onrechte niet het smartegeld van f 50.000,-- en de lump sum van f 5.000,-- heeft belast;

dat indien zowel het (door de Inspecteur op f 44.905,-- gestelde) bedrag wegens verminderd arbeidsvermogen als het (door ieder van partijen op f 50.000,-- gestelde) bedrag wegens vergoeding voor immateriële schade belastbaar is - hetgeen de Inspecteur stelt en belanghebbende betwist -, de tussen partijen in geschil zijnde vraag of in de schade-uitkering iets is begrepen voor wettelijke rente en belastingschade, onbesproken kan blijven, omdat - zoals de Inspecteur terecht heeft aangevoerd - de aanslag in dat geval niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld;

dat het Hof met betrekking tot het aan belanghebbende overkomen ongeval aan de hand van het tot de gedingstukken behorende vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Maastricht van 19 september 1974 het volgende vaststelt:

In de werkkuil, waar belanghebbende bezig was met het aftappen van benzine, toen de hierboven onder de vaststaande feiten vermelde explosie zich voordeed, bevond zich een installatie die ter beveiliging van het werken in de werkkuil als afzuiginstallatie kon worden gebruikt. Deze installatie was ook als verwarmingsinstallatie bedoeld en placht alleen daarvoor te worden gebruikt.

Het bij het aftappen door belanghebbende van de benzine gevormde benzinedamp-luchtmengsel is geëxplodeerd door een vonk ontstaan door een defect aan de t.l.-verlichting in die werkkuil, bestaande in het ontbreken van het schutglas aan een van de t.l.-armaturen, hetwelk belanghebbendes werkgever had nagelaten tijdig te vervangen. De ontploffing zou zich weliswaar niet hebben voorgedaan als belanghebbende de in de werkkuil aanwezige installatie in werking zou hebben gesteld om het benzinedamp-luchtmengsel af te voeren, maar van het achterwege laten hiervan kan hem geen verwijt worden gemaakt; niet alleen heeft zijn werkgever het personeel nimmer enige instructie over het gebruik van de installatie als afzuiginstallatie bij het werken in de werkkuil gegeven, maar ook was aan het personeel niet bekend dat die installatie ook als afzuiginstallatie was bedoeld en niet uitsluitend als verwarmingsinstallatie, terwijl de werkgever aan belanghebbende ook niet had verboden benzine boven de werkkuil af te tappen;

dat [A] B.V. als werkgeefster tegenover belanghebbende als haar werknemer verplicht was de werkplaats, waarin zij de arbeid liet verrichten, zo in te richten en te onderhouden en omtrent het verrichten van de arbeid zodanige regelingen te treffen en aanwijzingen te geven dat de werknemer tegen gevaar voor lijf, eerbaarheid en goed zover beschermd is als redelijkerwijs in verband met de aard van de arbeid kon worden gevorderd;

dat het Hof uit hetgeen het in de voorlaatste alinea met betrekking tot het aan belanghebbende overkomen ongeval heeft vastgesteld, afleidt dat [A] B.V., niet aan deze verplichtingen heeft voldaan;

dat belanghebbende als gevolg van het niet nakomen door [A] B.V. van deze verplichtingen schade heeft geleden in de uitoefening van zijn dienstbetrekking, welke schade hem door [A] B.V. is vergoed, die daartoe gehouden was nu niet is komen vast te staan dat de niet-nakoming was te wijten aan overmacht van [A] B.V. of de schade aan (mede) schuld, laat staan in de belangrijke mate mede aan grove schuld van belanghebbende;

dat nu uit het vorenoverwogene volgt dat de door belanghebbendes werkgever betaalde vergoeding van f 137.500,-- is gegeven voor schade waarvan de oorzaak was gelegen in het niet naleven door de werkgever van bovenvermelde op hem rustende verplichtingen uit hoofde van de dienstbetrekking, die vergoeding tot de inkomsten uit belanghebbendes dienstbetrekking moet worden gerekend;

dat - anders dan belanghebbende heeft gesteld - voor de vraag of de door belanghebbende van zijn werkgever ontvangen schadevergoeding tot de inkomsten uit dienstbetrekking moet worden gerekend, niet van belang is of de werknemer die als gevolg van het niet naleven door zijn werkgever van de op deze uit hoofde van de dienstbetrekking rustende verplichtingen, schade heeft geleden, tegen de werkgever ter realisering van zijn aanspraken op schadevergoeding ageert uit artikel 1638x van het Burgerlijk Wetboek of uit artikel 1401 en volgende van het Burgerlijk Wetboek;

dat voor het antwoord op die vraag ook niet van belang is of een derde de werkgever van belanghebbende met succes zou hebben kunnen aanspreken voor vergoeding van schade door die derde geleden als gevolg van hetzelfde feit als waardoor belanghebbende schade heeft ondervonden;

dat voorts nu blijkens (onder meer) de arresten HR 6 september 1978 en 4 april 1979, B.N.B. 1979, 208 en 209, de belastbaarheid als loon uit dienstbetrekking van hetgeen de belastingplichtige van zijn werkgever of vroegere werkgever ontvangt als vergoeding voor immateriële schade, hiervan afhangt of die vergoeding zijn grond vindt in de dienstbetrekking, aangenomen moet worden dat hetzelfde geldt voor hetgeen wordt vergoed ter zake van verlies van arbeidskracht in het algemeen en dat voor de belastbaarheid van die vergoedingen het karakter daarvan niet van betekenis is;

dat dan ook de stelling van belanghebbende dat hetgeen hem ter zake van immateriële schade en verlies van arbeidsvermogen is vergoed, onbelast is, moet worden verworpen;

dat nu tussen partijen in confesso is dat het door belanghebbende voor vergoeding van immateriële schade van zijn werkgeefster ontvangen bedrag f 50.000,-- beloopt en het wegens verminderd arbeidsvermogen ontvangen bedrag ten minste f 44.905,-- bedraagt, derhalve tezamen f 94.905,-- en nu - naar hierboven is vastgesteld - deze beide vergoedingen belastbaar zijn als loon uit dienstbetrekking, terwijl de Inspecteur van de door belanghebbende van zijn werkgeefster ontvangen schadevergoeding slechts een bedrag van f 78.455,67 tot het belastbare inkomen van belanghebbende heeft gerekend, niet is komen vast te staan dat de aanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld, ook niet bij ponds-pondsgewijze toerekening van de hiervoor als belast aangemerkte bedragen aan het in 1975 uitbetaalde voorschot ad f 15.000,--, en de grieven van belanghebbende verder geen bespreking behoeven, aangezien zij niet tot vernietiging van de aanslag kunnen leiden;'';

Overwegende dat het Hof op die gronden de uitspraak van de Inspecteur heeft bevestigd;

Overwegende dat belanghebbende het volgende middel van cassatie aanvoert:

‘’Schending, althans verkeerde toepassing van de wet, doordat het Hof heeft beslist dat de door de belanghebbende van zijn werkgever ontvangen vergoeding moet worden gerekend tot de inkomsten uit belanghebbendes dienstbetrekking doordat de vergoeding is gegeven voor schade waarvan de oorzaak was gelegen in het niet naleven door de werkgever van op hem rustende verplichtingen uit hoofde van de dienstbetrekking, zulks ten onrechte, aangezien in de eerste plaats de vergoeding er een is voor immateriële schade en voor het verlies van arbeidsvermogen, welke vergoeding daardoor niet op een concrete bron van inkomsten kan worden betrokken en in de tweede plaats de schade niet uitsluitend is ontstaan door het niet naleven door de werkgever van op hem rustende verplichtingen uit hoofde van de dienstbetrekking doch door een aan deze toe te rekenen nalatigheid, welke in strijd is met de zorgvuldigheid welke heel in het algemeen in het maatschappelijk verkeer bestaat'',

welk middel als volgt is toegelicht:

‘’In het arrest HR 23 februari 1972, B.N.B. 1972/140 met noot van J. van Soest, alsmede in de uitspraken van het Hof te Leeuwarden van 22 december 1976, B.N.B. 1978/100 en 23 december 1977, B.N.B. 1979/34 werden vergoedingen wegens verlies van arbeidsvermogen buiten de inkomstensfeer gelaten. In zijn noot onder het hiervoor vermelde arrest van de Hoge Raad geeft J. van Soest - terecht - als zijn mening dat de bronnentheorie ten grondslag ligt aan de leer dat schadevergoedingen belastingvrij blijven, indien zij betrekking hebben op het teloorgaan van arbeidskracht in het algemeen. Aangezien vergoedingen als deze derhalve niet aan een bron van inkomen kunnen worden toegerekend valt niet in te zien waarom een zodanige vergoeding wel aan de bron dienstbetrekking zou kunnen worden toegerekend.

Met een verwijzing naar de arresten HR 6 september 1978 en 4 april 1979, B.N.B. 1979/208 en 209 stelt het Hof dat daaruit blijkt dat de belastbaarheid als loon uit dienstbetrekking van hetgeen de belastingplichtige van zijn werkgever of vroegere werkgever ontvangt als vergoeding voor immateriële schade, hiervan afhangt of die vergoeding zijn grond vindt in de dienstbetrekking.

In het arrest van 6 september 1978 werd overwogen dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat een vergoeding voor immateriële schade wegens de onrechtmatige aantasting van de persoon van de werknemer en van diens geestelijke gezondheid, indien de oorzaak daarvan is gelegen in het niet naleven door de werkgever van diens op de wet of op de overeenkomst berustende verplichtingen uit hoofde van de dienstbetrekking, tot de inkomsten uit dienstbetrekking moet worden gerekend. Naar belanghebbendes mening heeft de Hoge Raad met deze omschrijving een afbakening willen maken voor vergoedingen die wel en die welke niet belastbaar zijn op grond van de bron dienstbetrekking door als criterium aan te leggen de omstandigheid dat de schade uitsluitend bij de uitoefening van de dienstbetrekking kan ontstaan. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake.

Ook uit de jurisprudentie van de Hoven blijkt dat een zodanig criterium wordt gehanteerd bij de vraag naar de belastbaarheid van vergoedingen als de onderhavige. Belanghebbende moge verwijzen naar onder meer Hof Amsterdam, 2 december 1971, B.N.B. 1972/236, Hof Arnhem 6 oktober 1978, FED IB '64 art. 22:150 en Hof Leeuwarden 27 oktober 1978 BNB 1979/256.

Nu in het onderhavige geval niet de dienstbetrekking de conditio sine qua non van de schade was, is er voor de vraag naar de belastbaarheid van de vergoedingen onvoldoende oorzakelijk verband met de dienstbetrekking.'';

Overwegende dienaangaande:

dat het middel de vraag aan de orde stelt of de door belanghebbende van zijn werkgever ontvangen vergoeding ter zake van door hem als gevolg van een ongeval geleden immateriële schade en verlies aan arbeidskracht moet worden aangemerkt als loon uit dienstbetrekking als bedoeld in artikel 22 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964;

dat door een werkgever op grond van diens aansprakelijkheid voor een aan zijn werknemer overkomen ongeval aan deze werknemer betaalde vergoedingen voor immateriële schade en verlies aan arbeidskracht - behoudens bijzondere omstandigheden, zoals bepaalde afspraken in de arbeidsovereenkomst, waaromtrent te dezen echter niets is vastgesteld -niet zo zeer hun grond vinden in de dienstbetrekking dat zij als daaruit genoten moeten worden aangemerkt;

dat het Hof derhalve ten onrechte heeft geoordeeld dat hetgeen belanghebbende ter zake van immateriële schade en verlies van arbeidskracht is vergoed als loon uit dienstbetrekking moet worden aangemerkt;

dat het middel mitsdien gegrond is;

Overwegende dat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven en verwijzing moet volgen;

Vernietigt de uitspraak van het Hof;

Verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest.

Gedaan bij de Heren Van Dijk, Vice-President, Van Vucht, Van der Vorm, Bloembergen en Baardman, Raden, en door de Vice-President voornoemd uitgesproken ter Raadkamer van de negen en twintigsten juni 1900 drie en tachtig, in tegenwoordigheid van de waarnemend-griffier Niessen.