Hoge Raad, 11-10-1989, ZC4117, 24582
Hoge Raad, 11-10-1989, ZC4117, 24582
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 11 oktober 1989
- Datum publicatie
- 9 januari 2026
- Zaaknummer
- 24582
Inhoudsindicatie
Algemene wet inzake rijksbelastingen. Administratieve rechtspraak belastingzaken. Motorrijtuigenbelasting Kwijtschelding van de verhoging bij afwezigheid c.q. geringe mate van schuld
Uitspraak
ARREST
Gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Hof te Arnhem van 11 juni 1986 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting.
1. Aanslag en bezwaar
Aan belanghebbende is voor het motorrijtuig met het kenteken 00-AA-00 een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting opgelegd, berekend over de tijdvakken van 1 maart 1983 t/m 15 sept. 1983 en van 16 dec. 1983 t/m 31 jan. 1984, ten bedrage van f 291 aan enkelvoudige belasting en f 291 aan verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de inspecteur is gehandhaafd, met het besluit geen kwijtschelding van de verhoging te verlenen.
2. Geding voor het Hof
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de inspecteur beroep ingesteld bij het hof.
Het Hof heeft als tussen partijen vaststaand aangemerkt:
'dat belanghebbende op na te melden tijdstip houder was van een motorrijtuig met kenteken 00-AA-00 en overigens de kenmerken zoals die zijn vermeld op het aanslagbiljet, waarvan een duplikaat zich bij de stukken bevindt;
dat bij ambtelijke controle is geconstateerd, dat op 13 jan. 1984 met dit motorrijtuig de weg in de gem. P is gebruikt, zonder dat vooraf de belasting was betaald;
dat de nageheven belasting is berekend over de tijdvakken van 1 maart 1983 t/m 15 sept. 1983 en van 16 dec. 1983 t/m 31 jan 1984'.
Het Hof heeft het geschil als volgt omschreven:
'dat het geschil de vragen betreft of de belasting terecht is nageheven van belanghebbende mede over een periode waarin volgens belanghebbende met het motorrijtuig niet de weg is gebruikt en of het voormelde besluit terecht is genomen'.
Het Hof heeft omtrent het geschil overwogen:
'dat, indien met een motorrijtuig de weg is gebruikt zonder dat vooraf de belasting is betaald, de na te heffen belasting ingevolge art. 16 lid 2 Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966 wordt berekend over de twaalf maanden die voorafgaan aan het einde van de maand waarin deze gebeurtenis heeft plaatsgehad, zulks onder aftrek van de belasting welke voor het motorrijtuig over die tijd reeds was betaald;
dat het aldus te berekenen bedrag van de na te heffen belasting niet wordt beïnvloed door de omstandigheid dat gedurende enig deel van het tijdvak, waarop de naheffingsaanslag betrekking heeft, met het motorrijtuig de weg niet is gebruikt;
dat voorts naar 's Hofs oordeel geen grond aanwezig is om aan te nemen dat de inspecteur zijn besluit de verhoging niet geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden op enigerlei wijze heeft genomen in strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
dat het Hof hierbij mede in aanmerking neemt dat, zoals het Hof bekend is, aan de voorlichting ter zake van de motorrijtuigenbelasting aan buitenlanders ook in de landstaal door of vanwege de belastingdienst ruimschoots aandacht wordt besteed;
dat belanghebbendes grieven dus ongegrond zijn'.
Op die gronden heeft het Hof de bestreden uitspraak en het bestreden besluit bevestigd.