Hoge Raad, 19-01-1996, ZC1963, 15829
Hoge Raad, 19-01-1996, ZC1963, 15829
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 19 januari 1996
- Datum publicatie
- 9 januari 2026
- ECLI
- ECLI:NL:HR:1996:ZC1963
- Formele relaties
- Conclusie: ECLI:NL:PHR:1995:47
- Zaaknummer
- 15829
Inhoudsindicatie
Huwelijksgoederenrecht. Uitsluiting gemeenschap met verrekenbeding. Geen aanspraak van de vrouw op pensioenrechten van de man. Verrekening zuivere inkomsten. Vervalbeding m.b.t. vordering tot verdeling; derogerende werking redelijkheid en billijkheid; stelplicht en bewijslast. Geding na verwijzing; aanpassen stellingen. Verrekening van vermogensvermeerdering door belegging van besparingen. Opbouw vermogen ene echtgenoot mede door arbeidsinspanning andere echtgenoot. Oudedagsvoorziening.
Uitspraak
19 januari 1996
Eerste Kamer
Nr. 15.829 (C 94/249)
AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie, incidenteel verweerster,
advocaat: voorheen mr R.A.A. Duk, thans mr B. Kloppert,
tegen
[de man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie, incidenteel eiser,
advocaat: mr P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.
1. Het geding in feitelijke instanties
Thans verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - heeft bij exploit van 23 maart 1990 thans eiseres tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - gedagvaard voor de Rechtbank te Arnhem en gevorderd de echtscheiding, subsidiair de scheiding van tafel en bed tussen partijen uit te spreken.
Ter zake van de gevorderde echtscheiding heeft de vrouw voor antwoord geconcludeerd tot referte.
In reconventie heeft de vrouw na vermeerdering van haar eis gevorderd zoals hier na onder 3.2.3 weergegeven.
Bij vonnis van 19 december 1991 heeft de Rechtbank in conventie de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de man veroordeeld bij te dragen in het levensonderhoud van de vrouw. In reconventie heeft de Rechtbank voor recht verklaard dat de tussen partijen overeengekomen vervaltermijn als omschreven in art. 4 van hun huwelijkse voorwaarden nietig is en de man veroordeeld over te gaan tot beschrijving van de door hem in de periode van de huwelijkse samenwoning jaarlijks overgespaarde zuivere inkomsten als bedoeld in art. 2 van de huwelijkse voorwaarden.
Tegen dit vonnis heeft de man hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem.
Bij tussenarrest van 22 juni 1993 heeft het Hof een inlichtingen- en schikkingscomparitie gelast.
Bij tussenarrest van 9 augustus 1994 heeft het Hof de zaak naar de rol verwezen voor akte-verzoek door beide partijen.
De beide tussenarresten zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen beide tussenarresten heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. De man heeft incidenteel beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende het incidenteel beroep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
In het principaal beroep heeft de man ten aanzien van de onderdelen I, II, III en V geconcludeerd tot verwerping van het beroep en ten aanzien van onderdeel IV tot referte. In het incidenteel beroep heeft de vrouw geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
Voor de vrouw is de zaak schriftelijk toegelicht door mr B. Kloppert en voor de man door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Mok strekt in het principale en incidentele beroep tot vernietiging van de bestreden arresten en tot verwijzing.
3. Uitgangspunten in cassatie
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Partijen zijn op [...] 1980 met elkaar gehuwd na negen jaar te hebben samengewoond als man en vrouw.
(ii) Zij zijn bij notariële akte van 26 augustus 1980 huwelijkse voorwaarden overeengekomen; daarbij hebben zij iedere gemeenschap van goederen uitgesloten. De huwelijkse voorwaarden hielden voorts onder meer in:
"Artikel 2.
1. De kosten van de huishouding in de ruimste zin des woords, komen ten laste van de man en de vrouw naar evenredigheid van hun zuivere inkomsten, waarbij onder zuivere inkomsten wordt verstaan:
a. winst uit onderneming;
b. zuivere inkomsten uit arbeid, uit vermogen of in de vorm van bepaalde periodieke uitkeringen en verstrekkingen;
c. winst uit aanmerkelijk belang;
d. hetgeen wordt verkregen door toeval of geluk; na aftrek van de op die inkomsten betrekking hebbende lasten, belastingen en premieheffingen.
2. a. Tot de in lid 1 bedoelde kosten van de huishouding horen onder andere:
( . . . )
b. Tot de in lid 1 bedoelde kosten der huishouding behoren niet de kosten ten behoeve van de oudedagsvoorziening van de echtgenoten.
( . . . )
Artikel 4
1. Iedere echtgenoot heeft het recht na afloop van een kalenderjaar van de andere echtgenoot te vorderen, dat ter verdeling bij helfte wordt bijeengevoegd, wat van hun zuivere inkomsten, na aftrek van de in artikel 2 bedoelde kosten van de huishouding, resteert.
2. (...)
3. Indien binnen drie maanden na het einde van het kalenderjaar geen vaststelling en betaling van de verrekeningsvordering heeft plaatsgevonden, vervalt de vordering. "
(iii) De man is onder meer directeur en enig aandeelhouder van [A] B.V. Bij deze vennootschap was ook de vrouw tot 1989 in dienst.
(iv) De man is geboren in 1945, de vrouw in 1949.
3.2.1 De Rechtbank heeft in conventie echtscheiding uitgesproken en de man veroordeeld tot betaling van levensonderhoud aan de vrouw. Het echtscheidingsvonnis is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
3.2.2 In reconventie heeft de Rechtbank voor recht verklaard dat de bij de huwelijkse voorwaarden overeengekomen vervaltermijn nietig is; zij heeft de man voorts veroordeeld over te gaan tot beschrijving van de door hem in de periode van de huwelijkse samenwoning jaarlijks overgespaarde zuivere inkomsten als bedoeld in art. 2 van de huwelijkse voorwaarden.
3.2.3 Het Hof heeft in het eerste tussenarrest, in cassatie niet bestreden, een opsomming gegeven van de vorderingen van de vrouw. Die vorderingen komen volgens die opsomming neer op het volgende:
(a) alimentatie van f 7.000, -- per maand;
(b) scheiding en deling van de goederengemeenschap;
(c) medewerking door de man aan de beschrijving van zijn vermogen althans verstrekking van een opgave van zijn goederen en schulden per jaar te rekenen vanaf 1 januari 1981;
(d) verklaring voor recht dat de vervaltermijn van art. 4 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden rechtens niet geldt, althans dat de man zich daarop niet kan beroepen ;
(e) verklaring voor recht dat de vrouw aanspraak heeft op verrekening van het door de man onverteerde inkomen per jaar over de periode van het huwelijk;
(f) verklaring voor recht dat de vrouw aanspraak heeft op pensioenverrekening, subsidiair dat de man geacht moet worden de helft van zijn onverteerde inkomen steeds jaarlijks ten behoeve van de vrouw te hebben belegd;
(g) dat het niet verteerde inkomen van de man mede omvat de waardestijging van zijn vermogen althans dat de helft daarvan moet worden aangemerkt als belegging ten behoeve van de vrouw.
(h) veroordeling van de man tot betaling van f 500.000, -- op grond van redelijkheid en billijkheid.
3.2.4 De vrouw heeft na het eerste tussenarrest haar eis vermeerderd met een vordering tot veroordeling van de man om alles te doen wat nodig mocht zijn om de te haren behoeve bij [A] B.V. gevormde pensioenreserve van f 162.040, -- per 31 december 1992 met rente te doen storten onder een door de vrouw aan te geven levensverzekeringsmaatschappij ter voorziening in haar pensioenaanspraken. Het beroep is gericht tegen de beide tussenarresten, die hierna worden aangeduid met het eerste, onderscheidenlijk het tweede, arrest.
4. Beoordeling van het middel in het principaal beroep
4.1 Onderdeel I richt zich met zes subonderdelen tegen 's Hofs oordeel, samengevat weergegeven, dat nu tussen partijen elke gemeenschap van goederen is uitgesloten, de pensioenrechten die zijn opgebouwd in de vennootschap waarvan de man aandeelhouder is, toevallen aan de man als begunstigde (rov. 4.1 eerste arrest en de rov. 3.1. en 3. 2 tweede arrest) . Kennelijk heeft het Hof geoordeeld dat een echtgenoot, in geval van uitsluiting van elke gemeenschap van goederen, na echtscheiding in beginsel geen aanspraak kan maken op een deel van het ouderdomspensioen waarop de andere echtgenoot rechthebbende is. Dat oordeel is juist zoals ook volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 5 oktober 1990, NJ 1991, 576, waarnaar het Hof verwijst. Er is geen aanleiding thans terug te komen van de door de Hoge Raad in dat arrest als juist aanvaarde regel.
Het Hof heeft voorts geoordeeld dat de vrouw geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die een ander oordeel zouden kunnen rechtvaardigen alsmede (rov. 3.2 tweede arrest) dat de in art. 4 van de huwelijkse voorwaarden overeengekomen verrekening van resterende zuivere inkomsten, niet noopt tot een ander oordeel omdat de pensioenaanspraken niet kunnen worden beschouwd als resterende zuivere inkomsten, en naar het Hof klaarblijkelijk heeft aangenomen, ook niet op de grond dat de pensioenpremies als besparingen uit zodanige inkomsten zijn te beschouwen. 's Hofs oordelen geven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, ook niet in geval de huwelijkse voorwaarden de term zuivere inkomsten bezigen in dezelfde betekenis als waarin art. 4 lid 1 Wet op de inkomstenbelasting 1964 deze term bezigt. Zij berusten voor het overige op een uitlegging van de huwelijkse voorwaarden en kunnen daarom, als van feitelijke aard, niet op hun juistheid worden getoetst. Daarop stuiten alle klachten van onderdeel I af.
4.2 Onderdeel II klaagt in subonderdeel 7 in de eerste plaats dat het Hof ten onrechte de in art. 4 lid 3 bedoelde vervaltermijn, onder meer in rov. 3.2 tweede arrest, van toepassing heeft geacht op de verrekening van pensioenaanspraken.
Het Hof heeft in deze rechtsoverweging geoordeeld dat het in art. 4 lid 1. van de huwelijkse voorwaarden opgenomen verrekenbeding niet noopt tot verrekening van pensioenaanspraken. Dat oordeel draagt zelfstandig 's Hofs oordeel dat de vrouw geen aanspraak heeft op zodanige verrekening. Nu, zoals volgt uit hetgeen hiervoor onder 4.1 is overwogen, laatstbedoeld oordeel in cassatie stand houdt, heeft de vrouw geen belang bij de hier bedoelde klacht.
4.3.1 De subonderdelen 8 en 9 van onderdeel II richten zich met motiveringsklachten tegen 's Hofs oordeel in rov: 4.4 tweede arrest, dat geen feiten en omstandigheden zijn gesteld die reden zouden kunnen geven de vervaltermijn buiten toepassing te laten.
4.3.2 Bij de beoordeling van deze klachten moet worden vooropgesteld dat het Hof terecht ervan is uitgegaan dat het in de huwelijkse voorwaarden opgenomen vervalbeding niet nietig is wegens strijd met dwingend recht (HR 18 februari 1994, NJ 1994, 463). Dat neemt niet weg dat, zoals ook het Hof tot . uitgangspunt heeft genomen, ook een krachtens een overeenkomst van huwelijkse voorwaarden tussen partijen geldende regel niet toepasselijk is voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (HR 25 november 1988, NJ 1989, 529, en 5 oktober 1990, NJ 1991, 576) .
4.3.3 Bij beantwoording van de vraag of het onderhavige beding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, is in het bijzonder van betekenis dat een beding als het onderhavige naar zijn aard in belangrijke mate de werking ontneemt aan de tussen partijen overeengekomen verrekening van hetgeen jaarlijks van hun zuivere inkomsten resteert, alsmede dat om voor de hand liggende redenen partijen in het algemeen niet tot verrekening zullen overgaan zolang de huwelijkse samenleving voortduurt. Van belang is voorts dat, zoals in de literatuur is opgemerkt, partijen zich veelal niet bewust zullen zijn van de consequenties van een beding als het onderhavige en ook als gevolg daarvan jaarlijkse verrekening achterwege zullen laten. Een en ander brengt mee dat een beroep op het vervalbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht in een geval waarin een van de gewezen echtgenoten na hun echtscheiding verrekening vordert van in het verleden overgespaarde inkomsten, tenzij blijkt van, door de echtgenoot die zich op het vervalbeding beroept te stellen en zo nodig te bewijzen, omstandigheden die een beroep op het beding rechtvaardigen.
4.3.4 De vrouw heeft, samengevat weergegeven, aangevoerd dat van een echtgenoot niet kan worden verlangd dat hij tijdens het huwelijk verrekening vordert alsmede dat partijen niet hebben bedoeld dat het recht op verrekening zou vervallen, doch hebben bedoeld dat de vrouw voor de helft zou delen in hetgeen zou worden bespaard. In het licht daarvan en van hetgeen hiervoor onder 4.3.3 is overwogen, heeft het Hof door te oordelen dat de vervaltermijn moet worden toegepast, nu de vrouw geen feiten en omstandigheden heeft gesteld en te bewijzen aangeboden, die reden zouden kunnen geven deze termijn buiten toepassing te laten, hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij zijn oordeel niet naar behoren gemotiveerd. De subonderdelen 8 en 9 zijn derhalve gegrond, zodat cassatie moet volgen. Na verwijzing moet aan partijen de gelegenheid worden geboden haar stellingen aan te passen aan de hiervoor onder 4.3.3 aanvaarde regel betreffende de stelplicht van de echtgenoot die zich beroept op een vervalbeding als het onderhavige.
4.4.1 Subonderdeel 10 van onderdeel III klaagt in de eerste plaats dat onjuist is 's Hofs oordeel in rov. 6.1 en 6.2 eerste arrest dat, samengevat weergegeven, tot de onverteerde inkomsten niet de stijging van de waarde van het vermogen van de man kan worden gerekend.
Een verrekenbeding als is neergelegd in art. 4 lid 1 van de huwelijkse voorwaarden, strekt naar zijn aard ertoe dat hetgeen van de inkomsten van partijen wordt bespaard periodiek wordt verrekend. Indien de echtgenoten die bepaling zouden naleven, zou ieder van hen vervolgens in staat zijn, zijn aandeel in de besparingen door belegging te besteden aan vorming en vermeerdering van het eigen vermogen. Laten partijen tijdens het bestaan van het huwelijk verrekening van het overgespaarde achterwege, hetgeen naar volgt uit hetgeen onder 4.3.3 is overwogen de praktijk zal zijn, en blijft het recht tot verrekening bestaan, dan brengt een uitleg naar redelijkheid en billijkheid in verband met de aard van het beding mee dat bij het einde van het huwelijk ook de vermogensvermeerdering, ontstaan door belegging van hetgeen uit de inkomsten van een echtgenoot is bespaard maar ongedeeld gebleven, in de verrekening wordt betrokken (HR 7 april 1995, RvdW 1995, 88). Het subonderdeel is derhalve in zoverre gegrond.
4.4.2 De tweede en de derde klacht van subonderdeel 10 zijn, evenals de eerste klacht van subonderdeel 12 - subonderdeel 11 bevat geen klacht - gericht tegen rov. 7.3 tweede arrest. Daarin overweegt het Hof, samengevat weergegeven, dat de vrouw geen recht heeft op verdeling van overgespaard inkomen omdat het tijdens het huwelijk van partijen door de man opgebouwde vermogen niet is verkregen uit overgespaarde inkomsten doch uit beleggingswinsten en wederbeleggingen. Voorts overweegt het Hof dat het vermogen van de man niet uitsluitend tijdens het huwelijk van partijen is opgebouwd.
Deze klachten, in onderling verband gelezen, zijn gegrond. Uit de voormelde overweging valt niet af te leiden of het Hof daarin voortbouwt op de hiervoor in 4.4.1 onjuist bevonden rechtsopvatting, vervat in rov. 6.1 en 6.2 eerste arrest, dan wel tot uitgangspunt neemt dat de door het Hof bedoelde beleggingswinsten en wederbeleggingen niet zijn terug te voeren op tijdens het huwelijk van partijen overgespaarde inkomsten, doch uitsluitend op door de man reeds voordien opgebouwd vermogen. In het eerste geval is 's Hofs voormelde overweging onjuist, in het tweede geval is zij onbegrijpelijk, nu zonder nadere redengeving - die ontbreekt - in het duister blijft op welke gronden het Hof tot de slotsom is gekomen dat de beleggingswinsten en wederbeleggingen zelfs niet ten dele op tijdens het huwelijk overgespaarde inkomsten teruggaan, terwijl het Hof uitdrukkelijk overweegt dat het vermogen van de man in elk geval mede tijdens het huwelijk opgebouwd is.
Ook dit een en ander zal derhalve na verwijzing opnieuw moeten worden bezien. Dit brengt mee dat de overige klachten van subonderdeel 12 geen behandeling behoeven.
4.5 Onderdeel IV is gericht tegen rov. 6.3 van het tweede arrest. Daarin overweegt het Hof:
"In de verhouding tussen partijen zoals deze mede geregeld wordt door de tussen hen opgemaakte huwelijkse voorwaarden en de redelijkheid en billijkheid die het vermogensrecht tussen echtgenoten beheerst, dient de man eraan mee te werken dat de vrouw over een oudedagsvoorziening kan beschikken die in overeenstemming is met de duur van het huwelijk van partijen en de welstand waarin zij hebben geleefd. Het is redelijk dat de man een gedeelte van het vermogen waarover hij direct of indirect kan beschikken, aan de vrouw uitkeert om die voorziening te treffen. Daartoe bestaat des te meer reden nu in een van de door de man beheerste vennootschappen een pensioenreserve aanwezig is ad f 162.040, -- per 31 december 1992. Die gelden zijn kennelijk daarvoor bestemd en dienen voor zover zij niet rechtstreeks nodig zijn voor het veilig stellen van de overeengekomen pensioenaanspraak van de vrouw, in het kader van de huwelijkse voorwaarden als reeds verdeeld inkomen te worden beschouwd. "
Subonderdeel 13 bevat geen klacht. De onderdelen 14 en 15 klagen dat verdeling nu juist niet heeft plaats gehad. De bestreden rechtsoverweging moet aldus worden verstaan dat de inkomsten, voor zover het de pensioenaanspraak voor de vrouw betreft, wel zijn verdeeld doch dat zij nog aan de vrouw dienen te worden uitgekeerd. Aldus geeft het Hof in de bestreden rechtsoverweging een oordeel ten gunste van de vrouw. Nu de vrouw niet heeft aangevoerd dat en waarom zij desondanks belang heeft bij deze klacht, kan de klacht bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden.
4.6 Onderdeel V richt zich met de subonderdelen 16 en 17 tegen rov. 7.2 tweede arrest. Daarin overweegt het Hof dat de - betwiste - omstandigheid dat de vrouw als (mede-) ondernemer werkzaam is geweest, geen grond oplevert tot betaling van de door haar beoogde vergoeding. Bij beoordeling van dit onderdeel moet worden vooropgesteld dat de enkele omstandigheid dat door de arbeidsinspanning van de vrouw het vermogen van de man is toegenomen, niet voldoende is om een tussen partijen overeengekomen uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen niet toe te passen (HR 25 november 1988, NJ 1989, 529) . Het Hof heeft kennelijk geen andere omstandigheden aanwezig geacht die mee zouden brengen dat die uitsluiting in het onderhavige geval geen toepassing zou behoren te vinden. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is in het licht van de inhoud van de gedingstukken niet onbegrijpelijk.
4.7 Onderdeel VI richt zich met subonderdeel 18 tegen rov. 8 tweede arrest waarin het Hof oordeelt dat aan de bewijsaanbiedingen van partijen moet worden voorbijgegaan omdat zij feiten en omstandigheden betreffen die het Hof - indien bewezen - niet tot een ander oordeel zouden kunnen voeren.
Voor zover het onderdeel klaagt dat het Hof ten onrechte het bewijsaanbod van de vrouw heeft gepasseerd ten aanzien van feiten en omstandigheden die tot het oordeel kunnen leiden dat het vervalbeding in de onderhavige zaak toepassing mist, heeft de vrouw daarbij geen belang, nu uit hetgeen hiervoor onder 4.3.3 is overwogen volgt dat het aan de man, als degene die zich op het vervalbeding beroept, is om omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen, die een beroep op het beding rechtvaardigen.
Voor zover het onderdeel een bewijsaanbod betreft ter zake van de door de vrouw verlangde vergoeding voor haar werkzaamheden als bedoeld in rov. 7.2 tweede arrest, bouwt het voort op onderdeel V en moet het het lot daarvan delen.
5. Beoordeling van het middel in het incidenteel beroep
5.1 Onderdeel 2 - onderdeel 1 bevat geen klacht - verwijt het Hof dat het meer heeft toegewezen dan geëist nu het in rov. 6.3 - hiervoor onder 4.5 weergegeven - aan de vrouw een aanspraak heeft toegekend tot het hele bedrag van f 162.040, -- dat in een der door de man beheerste vennootschappen als pensioenreserve ten behoeve van de vrouw is opgebouwd. Daartoe voert het middel aan dat ter verzekering van de pensioenaanspraken van de vrouw betaling van een bedrag van f 50.710, -- voldoende is.
Het onderdeel faalt. De vrouw heeft bij memorie na comparitie in hoger beroep haar eis aldus vermeerderd dat zij tevens veroordeling van de man vordert het nodige te doen ten einde de te haren behoeve bij [A] B.V. per 31 december 1992 gevormde pensioenreserve ten bedrage van f 162.040, -- te doen storten onder een door de vrouw aan te geven levensverzekeringsmaatschappij. Daarvan uitgaande kan niet worden gezegd dat het Hof, oordelende als hiervoor is weergegeven, meer heeft toegewezen dan door de vrouw was gevorderd.
5.2 De onderdelen 3 tot en met 6, die alle zijn gericht tegen de hiervoor onder 4.5 weergegeven rechtsoverweging 6.3 tweede arrest, lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Bij beoordeling ervan moet worden vooropgesteld dat een echtgenoot in het algemeen niet aan de omstandigheid dat het huwelijk door echtscheiding wordt ontbonden, een aanspraak kan ontlenen tot het verschaffen van een oudedagsvoorziening (vgl. HR 5 oktober 1990, NJ 1991, 576). Dat neemt niet weg dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de omstandigheden van het geval wel een verplichting kan voortvloeien dat een echtgenoot eraan moet meewerken dat zijn echtgenote over een oudedagsvoorziening kan beschikken. Zodanige bijzondere omstandigheden heeft het Hof hier kennelijk aanwezig geacht, te weten dat in een van de door de man beheerste vennootschappen, waarmee het Hof klaarblijkelijk bedoelt [A] B.V., bij welke vennootschap de vrouw in dienst is geweest, voor de vrouw als werkneemster van die vennootschap een pensioenreserve aanwezig is. Voorts is van belang dat van de vrouw in redelijkheid niet kan worden gevergd dat zij zou hebben te aanvaarden dat ook na de echtscheiding de ten behoeve van haar opgebouwde pensioenreserve in genoemde vennootschap wordt gelaten, nu deze vennootschap door de man wordt beheerst. Door onder deze omstandigheden te oordelen dat de man ervoor dient zorg te dragen dat de gehele ten behoeve van de vrouw opgebouwde pensioenreserve aan de vrouw wordt uitgekeerd, heeft het Hof niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het Hof is daarbij ook niet in zijn motiveringsplicht tekortgeschoten. Het behoefde niet in te gaan op de - fiscale - beweegredenen die de man of genoemde vennootschap ertoe hebben geleid de pensioenreserve ten behoeve van de vrouw op te bouwen zoals is geschied.
Op een en ander stuiten alle in de onderdelen 3 tot en met 6 vervatte klachten af.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
in het principaal beroep:
vernietigt de arresten van het Gerechtshof te Arnhem van 22 juni 1993 en van 9 augustus 1994 en verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;
in het incidenteel beroep:
verwerpt het beroep;
in het principaal en het incidenteel beroep:
compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Snijders als voorzitter en de raadsheren Mijnssen, Neleman, Heemskerk en Nieuwenhuis, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 19 januari 1996.