Home

Hoge Raad, 15-05-1998, ZC2656 AG7424, 9047 (R97/112)

Hoge Raad, 15-05-1998, ZC2656 AG7424, 9047 (R97/112)

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15 mei 1998
Datum publicatie
20 januari 2026
ECLI
ECLI:NL:HR:1998:ZC2656
Formele relaties
Zaaknummer
9047 (R97/112)

Inhoudsindicatie

Geen hogere voorziening tegen beslissing op verzoek tot verbetering van kennelijke verschrijving in uitspraak. Verzoek tot verbetering is niet aan termijn gebonden.

Uitspraak

15 mei 1998

Eerste Kamer

Rek.nr. 9047 (R97/112 HR)

CS

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr P.A. Wackie Eysten,

tegen

N.V. INTERPOLIS SCHADE,

gevestigd te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr G. Snijders.

1. Het geding in voorgaande instanties

Verzoeker tot cassatie - verder te noemen: [verzoeker] - heeft bij een hem op 30 oktober 1981 overkomen auto-ongeval letsel opgelopen dat tot blijvende invaliditeit in de zin van de door hem met verweerster in cassatie - verder te noemen: Interpolis - gesloten persoonlijke ongevallenverzekering heeft geleid. Omdat partijen het over het percentage van [verzoeker]'s invaliditeit niet eens konden worden, heeft [verzoeker] Interpolis bij exploit van 16 augustus 1990 gedagvaard voor de Rechtbank te Breda. Hij heeft onder meer gevorderd haar te veroordelen om aan hem te betalen f 45.000, -- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 oktober 1982.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 20 oktober 1992 Interpolis veroordeeld om aan [verzoeker] te betalen f 1.600, -- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf (naar de Hoge Raad leest: ) 31 oktober 1982.

Tegen dit vonnis heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Interpolis heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij eindarrest van 31 augustus 1994 heeft het Hof voormeld vonnis vernietigd en Interpolis alsnog veroordeeld om aan [verzoeker] te betalen f 37.500, -- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de inleidende dagvaarding (dus: 16 augustus 1990) .

In de onderhavige procedure heeft mr H.E.J.M. van Stiphout, advocaat en procureur te Helmond, zich namens [verzoeker] met een op 16 april 1997 schriftelijk verzoek gewend tot voormeld Hof en rectificatie verzocht van het arrest van 31 augustus 1994 voor wat betreft de dag met ingang waarvan de wettelijke rente was toegewezen.

Bij beschikking van 21 mei 1997 heeft het hof het verzoek van [verzoeker] afgewezen.

De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het Hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

Interpolis heeft verzocht [verzoeker] niet-ontvankelijk te verklaren, althans dit beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Bakels strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [verzoeker] in zijn verzoek.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep

3.1. Zoals hiervoor onder 1. is gebleken, is het beroep gericht tegen een beslissing op een verzoek om verbetering van een rechterlijke uitspraak, welk verzoek daarop was gegrond dat in die uitspraak een kennelijke, ook voor partijen kenbare en voor eenvoudig herstel vatbare verschrijving voorkomt.

3.2. De vooralsnog ongeschreven regel van procesrecht die een dergelijk verzoek mogelijk maakt, berust op de eisen van proceseconomie en van een goede procesorde (HR 29 april 1994, NJ 1994, 497), welke eisen meebrengen dat een kennelijke verschrijving in een rechterlijke uitspraak niet behoort te nopen tot het aanwenden van rechtsmiddelen of het voeren van verdere gedingen, maar via een eenvoudige en weinig kostbare procedure moet kunnen leiden tot verbetering door de rechter die de uitspraak deed.

3.3. Uit deze aard van de procedure tot verbetering moet worden afgeleid dat tegen een op een verzoek als voormeld gegeven beslissing generlei hogere voorziening is toegelaten. Zulks is slechts anders indien de rechter voormelde regel ten onrechte niet heeft toegepast, of buiten zijn toepassingsgebied is getreden (met name door "verbetering" van zijn vonnis buiten geval van kennelijke verschrijving), dan wel zodanige essentiële vormen niet in acht heeft genomen dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van het verzoek tot verbetering niet kan worden gesproken. Dit laatste zal zich voordoen indien op het verzoek is beslist zonder dat de wederpartij in de gelegenheid is gesteld zich erover uit te laten.

3.4. De bestreden beslissing is op twee gronden gebaseerd, die klaarblijkelijk elk als dragend zijn bedoeld en in ieder geval elk die beslissing kunnen dragen, te weten: (1o) er is hier geen sprake van een kennelijke verschrijving in de zin van voormelde rechtsregel en (2°) in elk geval is het verzoek niet tijdig gedaan, immers eerst na afloop van de termijn van het wettelijk rechtsmiddel tegen de uitspraak waarvan verbetering wordt verzocht.

De onderdelen 1 en 2 van het middel keren zich tegen de grond onder (1o) alsmede tegen een in verband daarmee door het Hof gebruikt bijkomend argument; deze onderdelen betreffen enkel de wijze waarop het Hof voormelde regel heeft uitgelegd en toegepast, en kunnen daarom niet leiden tot doorbreking van voormelde uitsluiting van hogere voorzieningen.

Onderdeel 3 kan dat wél: dit onderdeel keert zich immers tegen de grond onder (2o) en bevat aldus de klacht dat het Hof meerbedoelde regel ten onrechte niet heeft toegepast. Ofschoon deze klacht gegrond is omdat het verzoek tot verbetering niet aan een termijn is gebonden, kan zij niet tot cassatie leiden: bij enkele bestrijding van grond (2°) heeft [verzoeker] immers geen belang. Dat betekent dat hij in zijn cassatieberoep niet kan worden ontvangen.

3.5. Uit het vorenoverwogene volgt dat de tweede grond waarop Interpolis heeft betoogd dat [verzoeker] in zijn cassatieberoep niet kan worden ontvangen, geen behandeling behoeft.

4. Beslissing

De Hoge Raad verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn beroep.

Dit arrest is gewezen door de president Martens als voorzitter en de raadsheren Korthals Altes, Heemskerk, Herrmann en Jansen en door de raadsheer Heemskerk in het openbaar uitgesproken op 15 mei 1998.