Home

Parket bij de Hoge Raad, 06-03-1998, ECLI:NL:PHR:1998:53, 9047

Parket bij de Hoge Raad, 06-03-1998, ECLI:NL:PHR:1998:53, 9047

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
6 maart 1998
Datum publicatie
20 januari 2026
ECLI
ECLI:NL:PHR:1998:53
Formele relaties
Zaaknummer
9047

Inhoudsindicatie

Geen hogere voorziening tegen beslissing op verzoek tot verbetering van kennelijke verschrijving in uitspraak. Verzoek tot verbetering is niet aan termijn gebonden.

Conclusie

Rekestnummer 9047

Parket, 6 maart 1998

Mr. Bakels

Conclusie inzake

[verzoeker]

tegen

N.V. INTERPOLIS SCHADE

Edelhoogachtbaar college,

1. Feiten en procesverloop

1.1 Het gaat in deze zaak kort gezegd om de vraag of het hof terecht een verzoek tot verbetering heeft afgewezen.

1.2 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.

( a) [verzoeker] heeft bij Interpolis een persoonlijke ongevallenverzekering gesloten. De daarbij behorende algemene voorwaarden1 bevatten o.m. de volgende bepalingen:

"Artikel 1. BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN

( ... )

Ongeval

Een plotseling van buiten af op het lichaam inwerkend geweld, waardoor lichamelijk letsel, waarvan de aard en plaats geneeskundig zijn vast te stellen, rechtstreeks wordt veroorzaakt.

( ... )

Artikel 2. OMVANG VAN DE VERZEKERING

( ... )

B. Uitkering bij blijvende invaliditeit

1. In geval van blijvende invaliditeit van een verzekerde als gevolg van een ongeval, wordt een - in overeenstemming met de mate van invaliditeit - vast te stellen percentage over het voor blijvende invaliditeit verzekerde bedrag uitgekeerd. ( ... )

8. Indien binnen één jaar na de ongevalsdatum nog geen blijvende invaliditeit is vastgesteld, vergoedt de maatschappij de wettelijke rente over de uitkering verminderd met eventuele voorschot-uitkeringen.

Deze rente wordt berekend vanaf de 366e dag na de ongevalsdatum.

(b) Op 30 oktober 1981 is [verzoeker] een auto-ongeluk overkomen. Partijen zijn het erover eens dat hij dientengevolge letsel heeft opgelopen dat tot blijvende invaliditeit in de zin van vorenbedoelde polis heeft geleid. Zij verdedigden echter verschillende standpunten over het percentage van [verzoeker] invaliditeit, voorzover gelegen in restklachten. Daartoe beriepen zij zich beiden op een in eigen opdracht uitgebracht deskundigenrapport.

(c) Toen bleek dat partijen het in der minne niet eens konden worden, heeft [verzoeker] het geschil voorgelegd aan de rechtbank te Breda. Hij vorderde onder meer betaling van een bedrag van f 45.000,- met wettelijke rente vanaf 31 oktober 1982.

(d) Na gemotiveerd verweer van Interpolis heeft de rechtbank twee tussenvonnissen en een eindvonnis gewezen. In haar eindvonnis van 20 oktober 1992 heeft de rechtbank na een onafhankelijk deskundigenonderzoek2 de vordering toegewezen tot een bedrag van f 1.600,-, "vermeerderd met wettelijke rente vanaf 31 oktober 19813 tot aan de dag der algehele voldoening". Zij heeft de vordering voor het meerdere afgewezen en de proceskosten gecompenseerd.

Aan deze beslissing heeft de rechtbank samengevat weergegeven ten grondslag gelegd dat het invaliditeitspercentage van [verzoeker] hem recht geeft op uitkering van een bedrag van f 20.100, -. Na aftrek van een reeds ontvangen bedrag van f 18.500,- resteert de som van f 1.600, -.

(e) [verzoeker] is tegen deze drie vonnissen in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te 's Hertogenbosch, waartoe hij zes grieven voordroeg. Zakelijk weergegeven vorderde hij - na vermindering van eis - onder meer dat het hof met vernietiging van vorenbedoelde vonnissen Interpolis zou veroordelen aan hem f 43.200,- te betalen "vermeerderd met wettelijke rente vanaf 31 oktober 1982 tot aan de dag der algehele voldoening".

Interpolis van haar kant stelde incidenteel appèl in tegen de beslissing tot kostencompensatie. In zoverre vorderde zij dat [verzoeker] alsnog zou worden veroordeeld in de kosten van de eerste aanleg, het deskundigenrapport daaronder begrepen.

(f) Bij arrest van 31 augustus 1994 (hierna: het arrest) heeft het hof in het principaal appèl "het vonnis waarvan beroep"4 vernietigd. Opnieuw rechtdoende heeft het hof Interpolis veroordeeld aan [verzoeker] (buiten de reeds betaalde som) een bedrag van f 37.500,- te voldoen "vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag der inleidende dagvaarding tot die der voldoening". Het meer of anders gevorderde werd afgewezen5, met veroordeling van Interpolis in de kosten. Het incidenteel beroep werd verworpen, ook hier met kostenveroordeling van Interpolis.

In de kern heeft het hof deze beslissingen erop gebaseerd dat de rechtbank de blijvende invaliditeit van [verzoeker] op een te laag percentage heeft vastgesteld, zodat in het principaal appèl aan [verzoeker] een aanzienlijk hoger bedrag diende te worden toegewezen dan in eerste instantie is geschied, hetgeen tevens tot verwerping leidde van het incidenteel beroep.

1.3 Tegen deze achtergrond heeft [verzoeker] zich door tussenkomst van zijn advocaat bij brief d.d. 16 april 1997 tot het hof gewend met het verzoek tot verbetering van het arrest, voorzover daarin de wettelijk rente over het onder 1.2(f) vermelde bedrag is toegewezen vanaf de dag der inleidende dagvaarding in plaats van met ingang van 31 oktober 1982. [verzoeker] legde aan dit verzoek ten grondslag dat tegen zijn vordering in zoverre door Interpolis geen verweer is gevoerd, zodat 's hofs arrest een evidente vergissing bevat die zich voor eenvoudig herstel leent.

Als productie bij deze brief is een vonnis gevoegd van de rechtbank te 's-Hertogenbosch d.d. 21 februari 1997, handelend over een geschil tussen [verzoeker] en diens voormalige raadsman met betrekking tot de behandeling door laatstgenoemde van onder meer het onderhavige geschil tussen [verzoeker] en Interpolis. Als schadepost werd door [verzoeker] onder meer opgevoerd het bedrag dat hij aan rente over de door het hof toegewezen hoofdsom heeft gederfd doordat de ingangsdatum daarvan is gesteld op de dag van de inleidende dagvaarding in plaats van op 31 oktober 1982. De rechtbank overwoog dienaangaande, samengevat weergegeven, dat hier niet van een fout van de raadsman kon worden gesproken maar van het hof, welke fout (wellicht nu nog) eenvoudig gecorrigeerd kon worden door het hof om herstel daarvan te verzoeken (rov. 7.5).

1.4 Nadat [verzoeker] aan deze suggestie gevolg had gegeven, heeft de griffier van het hof bij brief van 9 mei 1997 de raadsman van Interpolis in de gelegenheid gesteld zich over het verzoek van [verzoeker] uit te spreken.

Bij brief van 6 mei 1997 - kennelijk reeds verzonden naar aanleiding van de ontvangst van een afschrift van de onder 1.3 aangehaalde brief - heeft de advocaat van Interpolis op het rectificatieverzoek gereageerd. Zakelijk weergegeven verzette Interpolis zich tegen de gevraagde verbetering onder aanvoering van een aantal argumenten.

Als productie bij deze brief is een uitspraak van de Raad van Toezicht op het Schadeverzekeringsbedrijf d.d. 13 november 1995 gevoegd waarin is beslist op een door [verzoeker] tegen Interpolis ingediende klacht, gebaseerd op haar weigering de vorenbedoelde rente te vergoeden met ingang van de door [verzoeker] verlangde datum van 31 oktober 1982. De klacht is door de Raad ongegrond verklaard omdat door het onherroepelijk geworden arrest bindend vast staat dat verzekeraar de wettelijke rente verschuldigd is vanaf de dag van de inleidende dagvaarding. Verzekeraar handelt niet in strijd met de goede naam van het schadeverzekeringsbedrijf door zich op het standpunt te stellen dat hij niet meer dan de door het hof toegewezen bedragen hoeft te betalen.

1.5 Bij beschikking van 21 mei 1997 heeft het hof het verzoek afgewezen.

Het legde aan deze beslissing de drie volgende argumenten ten grondslag, die kennelijk telkens als zelfstandig dragend zijn bedoeld.

(i) Van een kennelijke misslag is geen sprake, nu zulks uit de tekst van het arrest zelf niet kan worden afgeleid.

(ii) Bovendien heeft de raadsman van Interpolis het verzoek bestreden met de stelling dat Interpolis in eerste aanleg wel degelijk heeft betwist dat de wettelijke rente was aangezegd tegen 31 oktober 1982, zodat deze rente pas kon worden toegewezen vanaf de dag van de inleidende dagvaarding.

(iii) Daarnaast en in elk geval dient een verzoek als het onderhavige te worden gedaan met bekwame spoed nadat de desbetreffende beslissing is gegeven. Gelet op de strekking van de onderhavige mogelijkheid tot herstel moet worden aangenomen dat een verzoek daartoe in beginsel niet met vrucht kan worden ingediend na verloop van de termijn van het wettelijk rechtsmiddel en zeker niet meer dan twee-en-een-half jaar na uitspraak van het desbetreffende arrest.

1.6 [verzoeker] heeft vervolgens bij verzoekschrift beroep in cassatie ingesteld tegen deze beschikking. Hij heeft daartoe een uit drie onderdelen bestaand middel aangevoerd. Interpolis heeft bij verweerschrift primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring en subsidiair tot verwerping van het beroep.

2. Analyse van het arrest van 31 augustus 1994

2.1 Voordat ik het middel bespreek, analyseer ik het arrest.

Zoals aangegeven onder 1.2(d), heeft de rechtbank in haar eindvonnis de vordering - zij het voor een klein deel - toegewezen, "vermeerderd met wettelijke rente vanaf 31 oktober (lees:) 1982". Tegen deze ingangsdatum is Interpolis niet opgekomen in het door haar ingestelde incidenteel appèl. Dit betekent dat het hof aan die - in zoverre onbestreden - beslissing gebonden was. Reeds op deze processuele grond had het hof dus niet de vrijheid een andere ingangsdatum voor de wettelijke rente te kiezen, laat staan de door de rechtbank genomen beslissing te wijzigen in het nadeel van appellant.6

2.2 Ten onrechte verdedigt Interpolis de beschikking met het argument7 dat het hof gehouden was het onderhavige geschilpunt opnieuw te onderzoeken, nu het de door [verzoeker] aangevoerde grieven deels gegrond achtte. De appèlrechter is slechts (bevoegd en) gehouden de in eerste instantie over en weer aangevoerde stellingen en weren opnieuw, onderscheidenlijk alsnog, te beoordelen binnen het door de grieven ontsloten gebied, voorzover deze grieven doel treffen.8

Nu de onderhavige kwestie door geen van beide partijen in appèl aan de orde is gesteld - uiteraard ook niet door [verzoeker], aan wie immers in dit opzicht was toegewezen wat hij had gevorderd - kan de door Interpolis ingeroepen regel 's hofs beslissing niet dragen.

2.3 De arrest bevat in zoverre dus inderdaad een misslag, hetgeen temeer klemt omdat de bestreden beslissing ook om nog een tweede reden onjuist is, zoals bij de bespreking van onderdeel 2 naar voren zal komen. Zoals hierna zal blijken, is deze misslag er m.i. echter één van een type dat niet langs de onderhavige weg kan worden hersteld.

3. De door Interpolis gevoerde ontvankelijkheidsverweren

3.1 Voor alle weren voert Interpolis aan dat [verzoeker] niet ontvankelijk is in zijn cassatieberoep op de volgende twee gronden:

(a) In verband met de aard van de beslissing waarom het bij de mogelijkheid van verbetering van rechterlijke uitspraken gaat, valt aan te nemen dat elke hogere voorziening tegen die beslissing is uitgesloten, althans in geval van weigering om tot verbetering over te gaan;

(b) Het cassatieberoep had moeten worden ingesteld bij dagvaarding in plaats van bij verzoekschrift.

Ad (a)

3.2 Volgens de Hoge Raad9 is herstel van een rechterlijke uitspraak mogelijk als het gaat om een "kennelijke, ook voor partijen kenbare en voor eenvoudig herstel vatbare verschrijving". De Raad motiveert zijn oordeel met een beroep op de eisen van proceseconomie en van een goede procesorde.10

De Hoge Raad heeft zich niet uitgesproken over de vraag of een rechtsmiddel openstaat tegen een weigering tot verbetering over te gaan (die vraag was in cassatie dan ook niet ter discussie), maar de A-G Asser is er zijn conclusie11 voorafgaand aan de beschikking wel op ingegaan. Hij meent dat als de rechter de gevraagde verbetering weigert, alleen het aanwenden van een rechtsmiddel tegen de desbetreffende uitspraak kan baten (waarmee kennelijk wordt gedoeld op de uitspraak die de verschrijving bevat) of het doen van een nieuw verzoek dan wel het instellen van een nieuwe vordering. Blijkbaar is hij dus van oordeel dat een rechtsmiddel tegen een eventuele weigering niet openstaat.

3.3 Het thans bij de Kamer aanhangige wetsontwerp herziening Rv opent de weg voor herstel in art. 1.3.1212 voor "een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere fout die zich voor eenvoudig herstel leent."

Aldus is verbetering een middel dat ertoe strekt evidente vergissingen op een eenvoudige en weinig kostbare wijze snel te doen herstellen door de rechter die de verschrijving beging. Daarmee strookt dat tegen de verbetering of de weigering daarvan geen voorziening openstaat, zoals in art. 1.3.12 lid 4 Ontwerp Rv wordt bepaald. De MvT merkt daarover op:

"Voorkomen moet worden dat de vraag of de verbetering mogelijk en wenselijk is, inzet wordt van een afzonderlijke procedure."13

3.5 De vraag is of deze bepaling anticiperend dient te worden toegepast, dan wel het thans geldend recht codificeert. Het volgende is daartoe van belang.

Naar Duits procesrecht is ingevolge § 319-III ZPO een beslissing tot weigering van een verzochte verbetering ('Berichtigung') in beginsel evenmin voor beroep vatbaar. In uitzonderingsgevallen staat daartegen echter het rechtsmiddel van 'Beschwerde' open (§ 567 e.v. ZPO).14

Het Franse procesrecht regelt dit anders: tegen afwijzing van een verzoek tot 'rectification' staat appèl open.15 Daarbij moet echter in het oog worden gehouden dat de 'rectification', naar het zich laat aanzien, ook buiten het geval van kennelijke vergissingen wordt toegelaten, waarmee een ruimere toepassing van rechtsmiddelen eerder strookt dan bij onze meer beperkte opzet.

In de Nederlandse procesrechtelijke literatuur heeft H.J. Snijders16 het (overigens zonder motivering) "verdedigbaar" geacht dat een beroepsrecht bestaat in geval van weigering van de gevraagde verbetering, zulks op dezelfde voorwaarden als golden voor beroep tegen de te verbeteren uitspraak zelf. Schepel17 daarentegen acht een beroepsmogelijkheid tegen een afwijzing van het verzoek niet nodig; hij is daarvan wél voorstander in geval van toewijzing van zodanig verzoek.

3.6 Zijdelings komt mede betekenis toe aan het feit dat (ook) in art. 1060 Rv (verbetering van een arbitraal vonnis) een beroepsmogelijkheid ontbreekt tegen afwijzing van een verzoek tot verbetering over te gaan. Aanvankelijk was in het wetsvoorstel wél in de mogelijkheid van beroep voorzien18. Deze is in de loop van de parlementaire behandeling geschrapt, o.a. omdat een beroepsrecht een invitatie tot chicanes van de kant van de verliezende partij kan betekenen.19

3.7 Dit alles afwegend meen ik dat het, mede om rechtssystematische redenen, gewenst is te anticiperen op komend recht. Van rechtsvergelijkende bezwaren is niet gebleken en in de literatuur zijn daartegen m.i. geen beslissende bedenkingen ingebracht. Aangenomen moet dus worden dat tegen een beslissing houdende een weigering tot verbetering over te gaan, naar haar aard geen rechtsmiddel openstaat. Dit betekent dat het eerste ontvankelijkheidsverweer van Interpolis in mijn ogen doel treft. Voor het geval de Hoge Raad daarover anders zou denken, bespreek ik echter ook het tweede ontvankelijkheidsverweer.

Ad (b)

3.8 Interpolis betoogt voorts dat het verzoek tot verbetering een incident achteraf in de hoofdprocedure oplevert en dat de beslissing op het verzoek "als het ware" een incidentele uitspraak is die in beginsel in dezelfde vorm dient te worden gegeven als andere uitspraken in de hoofdprocedure, in dit geval in de vorm van een arrest. Daarom had [verzoeker] cassatieberoep moeten instellen bij dagvaarding, aldus Interpolis.20

3.9 De vergelijking met een incident gaat niet op. Er is geen sprake van een verwikkeling die de behandeling van de hoofdzaak onderbreekt en vertraagt21 en er volgt (dan ook) geen incidentele uitspraak in de vorm van een tussenvonnis, tussenbeschikking of tussenarrest.22

3.10 De MvT op art. 1.3.12 Ontwerp Rv wijst evenmin in de door Interpolis bepleite richting:

"Het verzoek kan worden gedaan bij brief aan de rechter die het vonnis of arrest heeft gewezen dan wel de beschikking heeft gegeven, maar ook op andere wijze, bijvoorbeeld per telefoon.23

Deze regeling past bij de eenvoud en snelheid die de onderhavige procedure behoren te karakteriseren. Evenzo het Franse recht:

"Le juge est saisi par simple requête ( ... )" (art. 462 lid 2 NCdPC).

Ook Hammerstein24 ziet dit zo:

"Een eenvoudige schriftelijke procedure voldoet het best."

3.11 Dit tweede ontvankelijkheidsverweer kan dus geen doel treffen.

4. Ambtshalve besproken ontvankelijkheidsgrond; belang bij het cassatieberoep

4.1 Ambtshalve merk ik op dat, zelfs al zouden beide door Interpolis gevoerde ontvankelijkheidsverweren falen, [verzoeker] m.i. toch niet-ontvankelijk is in het namens hem ingestelde cassatieberoep omdat hij daarbij geen belang heeft. Dit beroep kan namelijk om de volgende reden niet tot een voor hem gunstiger beslissing leiden.

4.2 Volgens de Toelichting op art. 1.3.12 Ontwerp Rv lenen die uitspraken zich voor verbetering die een voor ieder kenbare, eenvoudig te herstellen vergissing inhouden, waarvan het voor de hand ligt dat de rechter die de vergissing heeft begaan, haar kan herstellen, zodat partijen niet gedwongen zijn het (duurdere en meer tijdrovende) rechtsmiddel van hoger beroep of cassatie aan te wenden.

Blijkens de MvT wordt de mogelijkheid van verbetering in Frankrijk en Duitsland vooral gebruikt in gevallen waarin het dictum niet aansluit op de overwegingen in het vonnis (hetgeen strookt met het door het hof in het onderhavige geval toegepaste criterium). Als voorbeeld wordt genoemd het geval dat alle verweren van gedaagde tegen een vordering onjuist zijn bevonden en niettemin in het dictum de vordering wordt afgewezen in plaats van toegewezen.

4.3 Verbetering door de rechter die de uitspraak deed is uitsluitend toegestaan voorzover sprake is van een kennelijke vergissing, zoals bij reken- of schrijffouten, en dus niet als het gaat om enige onjuiste beoordeling. Maatstaf is volgens de MvT of voor partijen en derden direct duidelijk is, dat van een vergissing sprake is.25

4.4 Behoort de onderhavige fout nu tot dit type? Ik meen dat dit niet het geval is. Het gaat hier immers niet om een 'slip of the pen' in een overigens juiste en consistente redenering, maar om een juridische fout, zoals uit de onder 2 gegeven analyse van het arrest blijkt. Dergelijke fouten mogen niet worden verbeterd door de rechter die de vergissing maakte, maar dienen te worden voorgelegd aan de hogere rechter door aanwending van een daartoe geëigend rechtsmiddel (in dit geval cassatie wegens een onbegrijpelijke uitleg van de incidentele grief en/of wegens treden buiten de rechtsstrijd van partijen). Verbetering is immers het rechtstrijken van een kreukel in - en niet het wijzigen van - de al uitgesproken beslissing: slechts de strijkbout is in dit verband een toelaatbaar instrument en niet de schaar. Staat men toe dat de rechter die een juridische fout maakte als de onderhavige, deze herstelt, dan betreedt men het hellende vlak: vandaag - zoals in onze zaak - een op zichzelf redelijke correctie, morgen de invoeging van een gewijzigd inzicht. Dat staat haaks op de eisen van rechtszekerheid en het gesloten stelsel van rechtsmiddelen.

4.5 Zouden de ontvankelijkheidsverweren van Interpolis dus beide falen, dan baat dit [verzoeker] niet omdat hij geen belang bij zijn cassatieberoep heeft gelet op de aard van de gemaakte fout, die geen kennelijke reken- of schrijffout is of een andere misslag welke zich voor eenvoudig herstel leent. De Hoge Raad kan deze beslissing zelf nemen; verwijzing is daartoe niet nodig. Het is dan ook in dubbel opzicht ten overvloede dat ik nu toch het middel bespreek.

5. Ten overvloede: bespreking van het middel

Onderdeel 1

5.1 Het eerste onderdeel betoogt dat het hof bij het beantwoorden van de vraag of van een kennelijke misslag sprake is, een onjuiste maatstaf heeft aangelegd door de tekst van het arrest beslissend te achten, althans dat het zijn beschikking in zoverre onvoldoende heeft gemotiveerd.

5.2 De rechtsklacht treft doel. De maatstaf dat sprake dient te zijn van een kennelijke, ook voor partijen kenbare en voor eenvoudig herstel vatbare verschrijving, bevat drie elementen, waarvan de eerste twee zijn toegespitst op de uitleg van de te verbeteren beslissing. Zij zijn beide gericht op objectivering van de vraag of inderdaad van een misslag sprake is, de eerste toegespitst op het perspectief van de rechter en de tweede op dat van procespartijen. Dit strookt met de maatstaf die in het algemeen dient te worden aangelegd bij de uitleg van rechterlijke uitspraken, namelijk dat het erom gaat hoe de desbetreffende beslissing door partijen redelijkerwijs diende te worden begrepen en, blijkens de formulering daarvan, ook door de rechter zelf is verstaan.26

5.3 De bewoordingen waarin de te rectificeren uitspraak is gesteld zijn dus wel van betekenis om te bepalen of van een kennelijke misslag sprake is, maar niet als (de exclusieve) maatstaf doch als gezichtspunt bij de uitleg van die beslissing, welke uitleg overigens dient plaats te vinden tegen de achtergrond van de door partijen gewisselde processtukken, mede gelet op de systematiek van de desbetreffende uitspraak en op de eerder gedane uitspraken waarop wordt voortgebouwd.

Precies hetzelfde geldt voor de vraag of sprake is van een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere fout die zich voor eenvoudig herstel leent.

Onderdeel 2

5.4 Het tweede onderdeel betoogt in de eerste plaats dat als de overweging, dat Interpolis de gestelde misslag heeft bestreden, voor het hof al beslissend is geweest, hieraan een onjuiste rechtsopvatting ten grondslag ligt.

Als de bestreden uitspraak inderdaad (mede) in die zin moet worden opgevat, is het onderdeel in zoverre gegrond. Het gaat er immers niet om of Interpolis heeft bestreden dat van een misslag sprake was, maar of dit daadwerkelijk het geval is geweest. Daartoe dient de beslissing waarvan verbetering wordt gevraagd, te worden uitgelegd op de zojuist aangegeven wijze.

5.5 Deze door [verzoeker] - overigens als minder waarschijnlijk - geopperde interpretatie van de bestreden beschikking is echter weinig plausibel. Meer aannemelijk is het de desbetreffende overweging zo op te vatten dat Interpolis in eerste aanleg heeft bestreden dat [verzoeker] de wettelijke rente aan haar heeft aangezegd tegen 31 oktober 1982, op grond waarvan het hof in zijn arrest de ingangsdatum van de wettelijke rente welbewust heeft bepaald op de dag van de inleidende dagvaarding.

Van deze uitleg uitgaand, klaagt het onderdeel er in de tweede plaats over dat deze redenering (zonder nadere motivering) onbegrijpelijk is.

5.6 Ter beoordeling van deze klacht is het van belang de processuele gang van zaken nauwkeurig te analyseren.

(i) [verzoeker] vorderde in eerste aanleg betaling van een bedrag van f 45.000,-, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 31 oktober 1982 en voorts premierestitutie, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van de inleidende dagvaarding.

(ii) In haar c.v.a. nr. 3, laatste alinea, gaat Interpolis uit van een uitkeringsverplichting van f 15.200, -- met wettelijke rente vanaf 31 oktober 1982.

(iii) In haar c.v.a. nr. 6 betoogt Interpolis op het punt van de gevorderde premierestitutie subsidiair, voorzover een verplichting tot restitutie van premie zou bestaan, dat zij dáárover geen wettelijke rente verschuldigd is vanaf 31 oktober 1981, omdat haar nimmer rente zou zijn aangezegd.

(iv) In haar c.v.d. nr. 8 stelt Interpolis dat zij reeds f 18.500, -- , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 november 1982 t/m 26 april 1989 aan [verzoeker] heeft voldaan.

(v) De rechtbank wijst in haar eindvonnis de gevorderde premierestitutie af en wijst overigens een bedrag van f 1600, -- toe, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf (bij vergissing) 31 oktober 1981.

(vi) In haar "memorie van antwoord in het principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel" stelt Interpolis (blz. 2, eerste alinea) dat de rechtbank haar vonnissen, met uitzondering van de door de incidentele grief bestreden kostencompensatie, juist en op goede grond heeft gewezen en dat die vonnissen, desnodig met verbetering van de gronden waarop zij berusten, behoren te worden bekrachtigd.

(vii) Interpolis concludeert in het principaal appèl tot bekrachtiging van de vonnissen van de Bredase rechtbank en in het incidenteel appèl tot vernietiging van het vonnis van 20 oktober 1992 "voorzover het betreft de daarin opgenomen kostenveroordeling".

5.7 Het vorenstaande komt erop neer dat Interpolis in eerste aanleg niet heeft bestreden dat [verzoeker] haar de wettelijke rente over de desbetreffende post heeft aangezegd tegen 31 oktober 1982. De rechtbank heeft de wettelijke rente (zij het over een klein bedrag) dan ook met ingang van die datum toegewezen. In hoger beroep heeft Interpolis met zoveel woorden aangegeven zich geheel in de vonnissen van de rechtbank te kunnen vinden, met uitzondering van de compensatie van de proceskosten.

Ook in de tweede uitleg is het onderdeel dus gegrond omdat het hof de stellingen van partijen die in het arrest ter beoordeling stonden (en beoordeeld zijn), in zijn beschikking onbegrijpelijk heeft weergegeven.

5.8 Het is daarom niet nodig nog in te gaan op de stelling van Interpolis27 dat de onder 1.2(a) van deze conclusie geciteerde polisvoorwaarde 2.B(8) aan [verzoeker] in het concrete geval geen aansprak gaf op de wettelijke rente met ingang van de door hem gestelde datum. Maar het is toch wellicht dienstig nog op te merken dat ook dit verweer niet opgaat. Dat is niet alleen het geval omdat het in cassatie niet voor het eerst kan worden aangevoerd, maar ook omdat het onjuist is daar de desbetreffende polisbepaling er kennelijk toe strekt een vordering, waarover partijen het niet binnen een jaar eens kunnen worden, in elk geval na afloop van dat jaar rentedragend te maken, ook al komt de precieze omvang van die vordering pas later vast te staan. Deze contractuele regeling maakte een ingebrekestelling overbodig.

Onderdeel 3

5.9 Het derde onderdeel bestrijdt de overweging dat een rectificatieverzoek in beginsel niet meer met vrucht kan worden gedaan na verloop van de termijn van 'het wettelijk rechtsmiddel' en zeker niet nadat meer dan twee-en-een-half jaar is verstreken na uitspraak van het desbetreffende arrest.

5.10 Bij de beoordeling staat voorop dat noch het arrest van 1994 waarin de rectificatiemogelijkheid werd geïntroduceerd, noch het voorgestelde art. 1.3.12 Rv, het rectificatieverzoek aan een termijn bindt.

In de Memorie van Toelichting op het voorgestelde nieuwe wetsartikel28 wordt met zoveel woorden gesteld dat verbetering ook nog mogelijk is indien het vonnis, het arrest of de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan. Om die reden, aldus de MvT, is bepaald, dat de verbetering te allen tijde kan plaats hebben.

5.11 In de literatuur is verschillend geoordeeld over dit aspect van het voorgestelde wetsartikel.

Voorstanders van het opnemen van een termijn waarbinnen het verzoek tot verbetering moet worden gedaan, zijn Van Mierlo29 en Hammerstein30.

Eerstgenoemde bepleit om, evenals in art. 1060 Rv (verbetering van een arbitrale uitspraak31), ook hier een (verval)termijn in de wet op te nemen, dit uit overwegingen van rechtszekerheid. Deze termijn zou dienen te sporen met andere termijnen (bijvoorbeeld: voor het aanwenden van rechtsmiddelen) uit Rv.

Hammerstein denkt in dit verband aan een termijn van een maand; dat laat - als de beslissing op het verzoek tot verbetering met spoed wordt genomen - in de meeste gevallen de mogelijkheid open zo nodig nog een rechtsmiddel in te stellen.

5.12 Schepel32 heeft zich uitgesproken tegen het binden van een rectificatieverzoek aan een wettelijke termijn. Zijn argument is dat de ervaring leert dat ook over kennelijke misslagen vaak wordt heengekeken, zodat verbetering bijvoorbeeld n.a.v. latere concrete executiemaatregelen mogelijk moet zijn. Schepel meent dat dit is te verkiezen boven het alternatief van een executiegeschil.

5.13 Vermeldenswaard is ten slotte dat het Franse art. 462 lid 1 NCdPC bepaalt dat 'erreurs et omissions matérielles' steeds ('toujours') kunnen worden hersteld, terwijl ook § 319-I ZPO deze mogelijkheid 'jederzeit' openstelt.

5.14 Tegen deze achtergrond ligt het dunkt me aan de vooravond van de invoering van de nieuwe bepaling, die geen termijnstelling bevat, voor de hand ons daarop in de eerste plaats te oriënteren. Dit temeer daar zulks strookt met Frans en Duits recht en met de door Schepel ingeroepen ervaringsregel, die ik onderschrijf. Daarbij moet worden bedacht dat de vrees voor rechtsonzekerheid met een korrel zout moet worden genomen als de praktijk de rectificatiemogelijkheid niet oprekt, maar haar beperkt tot evidenties (alleen de strijkbout, niet de schaar).

De overweging in de bestreden beschikking, dat een rectificatieverzoek in beginsel niet meer met vrucht kan worden gedaan na verloop van de termijn van "het wettelijk rechtsmiddel", berust daarom naar het mij voorkomt op een onjuiste rechtsopvatting.

5.15 Dit neemt niet weg dat zich omstandigheden kunnen voordoen waarin moet worden geoordeeld dat iemand die op zichzelf met succes aanspraak op verbetering zou kunnen maken, van dit recht afstand heeft gedaan, het heeft verwerkt of anderszins in strijd zou handelen met redelijkheid en billijkheid door alsnog verbetering te verlangen.

5.16 Men kan zich afvragen of het hof met zijn overweging dat een verbeteringsverzoek zeker niet meer met vrucht kan worden gedaan na twee-en-een-half jaar, de bedoeling heeft gehad mede voor een van deze laatste twee ankers te gaan liggen.

Deze uitleg moet reeds als onaannemelijk worden afgewezen omdat Interpolis zich hierop in haar verweerschrift tegen de verlangde verbetering niet heeft beroepen. Zij voerde in dit verband slechts aan dat het verzoek had moeten worden gedaan binnen de cassatietermijn "en niet nadat zoals in dit geval inmiddels een termijn van bijna 3 jaar is verstreken".33 Eens temeer zou deze overweging verrassen als zij de thans veronderstelde betekenis had, omdat naar vaste rechtspraak enkel tijdsverloop onvoldoende is om een beroep op rechtsverwerking te kunnen schragen34, tenzij een specifieke wettelijke bepaling een andere regeling bevat, hetgeen hier nu juist niet het geval is. De steller van het onderdeel, die in zoverre geen klachten aanvoert, heeft er deze betekenis dan ook niet aan toegekend.

Er kan in zoverre dan ook niet worden gesproken van een tweede, zelfstandig dragende grond voor het tijdsverloopargument.

5.17 Dit betekent dat ook dat derde onderdeel doel treft. Dat en waarom dit [verzoeker] geen baat kan brengen, heb ik echter al onder 3 en 4 gezegd.

6. Conclusie

De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [verzoeker] in zijn verzoek.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,