Hoge Raad, 19-12-2025, ECLI:NL:HR:2025:1823, 23/04269
Hoge Raad, 19-12-2025, ECLI:NL:HR:2025:1823, 23/04269
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 19 december 2025
- Datum publicatie
- 19 december 2025
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2025:1823
- Formele relaties
- In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2023:1987
- Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1122
- Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1074
- Zaaknummer
- 23/04269
Inhoudsindicatie
Artikel 40, lid 2, Wet WOZ; gevolgen vergoeding griffierecht en proceskostenvergoeding (ECLI:NL:HR:2025:106).
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 23/04269
Datum 19 december 2025
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het DAGELIJKS BESTUUR VAN DE BELASTINGSAMENWERKING GOUWE-RIJNLAND
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 21 september 2023, nr. BK-22/004071, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 21/835) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken, een aanslag in de onroerendezaakbelastingen en een aanslag in de watersysteemheffing voor het jaar 2020.
1 Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door A. Bakker, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland (hierna: het Dagelijks Bestuur), vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Het dagelijks bestuur heeft een conclusie van dupliek ingediend.
De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 17 oktober 2025 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.2
Zowel belanghebbende als het Dagelijks Bestuur heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2 Beoordeling van de klacht
Het Hof heeft – in cassatie onbestreden – geoordeeld dat de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland (hierna: de heffingsambtenaar) in strijd met artikel 40, lid 2, van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) heeft gehandeld door in de bezwaarfase niet te voldoen aan het verzoek van belanghebbende de grondstaffels en de KOUDV-factoren van de woning en de vergelijkingsobjecten toe te sturen.
Het Hof heeft de heffingsambtenaar niet veroordeeld in de proceskosten voor de gedingen voor het Hof en voor de Rechtbank, en evenmin de heffingsambtenaar opgedragen het bij de Rechtbank en het Hof betaalde griffierecht aan belanghebbende te vergoeden. Het Hof heeft overwogen dat belanghebbende in deze zaak uitsluitend formele punten heeft aangevoerd en geen enkel materieel punt heeft ingebracht. Het Hof leidt hieruit af dat belanghebbende toch wel in beroep zou zijn gegaan, hetgeen betekent dat het al dan niet verstrekken van de gegevens door de heffingsambtenaar geen verschil heeft gemaakt voor de beslissing om door te procederen.
De klacht richt zich tegen het hiervoor in 2.2 weergegeven oordeel van het Hof. De klacht slaagt, aangezien een succesvol beroep op schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ, dient te leiden tot toekenning van een proceskostenvergoeding, tenzij zich bijzondere omstandigheden voordoen. De Hoge Raad verwijst hiervoor naar rechtsoverwegingen 4.4.4 en 4.5.3 van zijn arrest van 24 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106. De omstandigheid dat zonder de schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ ook beroep en hoger beroep zouden zijn ingesteld, is niet een dergelijke bijzondere omstandigheid. De stukken van het geding bevatten geen aanwijzingen dat er nog andere omstandigheden zijn die het achterwege blijven van een proceskostenvergoeding kunnen rechtvaardigen. Het Hof had dus vanwege de schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ, de heffingsambtenaar moeten veroordelen in de proceskosten. Het Hof had eveneens de heffingsambtenaar moeten opdragen aan belanghebbende het bij de Rechtbank en het Hof betaalde griffierecht te vergoeden.
Gelet op wat hiervoor in 2.3 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Aan belanghebbende dient alsnog een vergoeding van proceskosten en griffierecht te worden toegekend voor de gedingen voor het Hof en voor de Rechtbank. De te vergoeden proceskosten bestaan uit kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Bij het vaststellen van de vergoeding daarvan zal worden uitgegaan van (i) twee proceshandelingen in beroep (beroepschrift en verschijnen ter zitting) en daarmee dus van twee punten, twee proceshandelingen in hoger beroep (hogerberoepschrift en verschijnen ter zitting) en daarmee dus van twee punten, (ii) factor 1,5 wegens het gewicht van de zaak in beroep en hoger beroep vanwege de omstandigheid dat in deze zaak een conclusie is genomen door een Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad, en (iii) een waarde per punt zoals deze geldt ten tijde van het wijzen van dit arrest, dus van € 907. Dat komt neer op een vergoeding van € 2.721 voor het geding voor de Rechtbank en een vergoeding van € 2.721 voor het geding voor het Hof.
3 Proceskosten
Het Dagelijks Bestuur zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de heffingsambtenaar in de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met de nummers 23/04269, 23/04270 en 23/04271 samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.