Hoge Raad, 20-02-2026, ECLI:NL:HR:2026:281, 23/02418
Hoge Raad, 20-02-2026, ECLI:NL:HR:2026:281, 23/02418
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 20 februari 2026
- Datum publicatie
- 20 februari 2026
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:281
- Formele relaties
- In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2023:1298
- Zaaknummer
- 23/02418
Inhoudsindicatie
Omzetbelasting; art. 11, lid 1, letter i, onder 2o, en art. 15, lid 2, letter c, Wet OB 1968; omvang recht op aftrek gemengde kosten van handelaar in financiële instrumenten op effectenbeurzen; vaststelling vergoeding voor handelingen waarvoor recht op aftrek bestaat; toepassing arrest HvJ 14 juli 1998, First National Bank of Chicago, C-172/96, ECLI:EU:C:1998:354
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 23/02418
Datum 20 februari 2026
ARREST
in de zaak van
de fiscale eenheid [X] C.S. (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 11 mei 2023, nrs. 21/01830 tot en met 21/018401, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. HAA 19/3459 tot en met HAA 19/3462, HAA 20/5184 tot en met HAA 20/5186, HAA 21/3591 tot en met HAA 20/3594) betreffende door belanghebbende op aangifte voldane bedragen aan omzetbelasting over tijdvakken in de periode 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 en 1 april 2019 tot en met 31 december 2020.
1 Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door F.J. Manzoni, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2 Uitgangspunten in cassatie
Belanghebbende is een fiscale eenheid in de zin van artikel 7, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet).
Een tot belanghebbende behorende besloten vennootschap (hierna: de Vennootschap) houdt zich bezig met market making en binnen dat kader met handel in financiële instrumenten op effectenbeurzen. De Vennootschap zorgt ervoor dat op (elektronische) handelsplatformen zoals Euronext voor beleggers continu handel in effecten mogelijk is, in het bijzonder van zogenoemde [financiële producten]. Daartoe geeft de Vennootschap doorlopend en onder alle marktomstandigheden bied- en laatkoersen af, dat wil zeggen prijzen die zij zelf bereid is te betalen voor aankoop of verkoop ervan. De biedkoers geeft de hoogste prijs weer waarvoor de Vennootschap een [financieel product] wil kopen, de laatkoers is de laagste prijs waarvoor zij bereid is een [financieel product] te verkopen. Op basis van deze bied- en laatkoersen stuurt de Vennootschap voor eigen rekening en risico koop- en verkoopopdrachten naar de verschillende beurzen waarbij zij is aangesloten. Zij verdient aan de verschillen tussen de koop- en verkoopprijzen. In het navolgende worden deze activiteiten ook aangeduid als effectentransacties.
Verder geeft de Vennootschap op verzoek en tegen afzonderlijke vergoeding bied- en laatkoersen af aan institutionele partijen zoals pensioenfondsen, buiten de gereguleerde markten om.
Daarnaast garandeert de Vennootschap partijen die [financiële producten] uitgeven, dat zij bied- en laatprijzen zal afgeven op de effectenbeurs waar deze [financiële producten] zullen worden verhandeld. Voor deze activiteiten ontvangt de Vennootschap een vergoeding van de hier bedoelde partijen, aangeduid als liquidity provision.
Alle hiervoor in 2.2.1 tot en met 2.2.3 omschreven activiteiten worden door de Vennootschap uitgeoefend binnen verschillende handelsdesks die opereren op beurzen binnen en buiten de Europese Unie. Onder de kopers en verkopers van de [financiële producten] (hierna: de gebruikers van het hiervoor in 2.2.1 bedoelde handelssysteem) en de hiervoor in 2.2.2 en 2.2.3 bedoelde partijen bevinden zich gebruikers respectievelijk partijen (hierna alle tezamen ook: de afnemers) die buiten de Europese Unie zijn gevestigd.
Het internationale concern waarvan de tot belanghebbende behorende vennootschappen deel uitmaken, heeft dochtermaatschappijen die zijn gevestigd in Singapore, Hong Kong en de Verenigde Staten.Met elk van deze dochtermaatschappijen heeft de Vennootschap een Transfer Pricing Implementation Agreement gesloten (hierna: de Overeenkomsten). De Overeenkomsten zijn gebaseerd op de “2014 Transfer Pricing Master File” (hierna: de Master File). In de Master File en de Overeenkomsten is opgenomen dat de Vennootschap per 1 januari 2015 aan elk van deze dochtermaatschappijen zogenoemde support services verricht en dat zij aan elk van deze dochtermaatschappijen de door de Vennootschap ontwikkelde [X] Group Software ter beschikking stelt.
In de Overeenkomsten en in de Master File is bepaald dat de Vennootschap voor het verlenen van de support services aan de dochtermaatschappijen een vergoeding in rekening brengt waarvan de hoogte wordt bepaald op basis van de transactional net margin method met toepassing van een opslag (hierna: de TNMM-vergoedingen). Ter zake van deze support services reikt de Vennootschap facturen uit aan de dochtermaatschappijen.
In de Overeenkomsten en in de Master File is verder wat betreft het ter beschikking stellen van de [X] Group Software voorzien in een profit split, een verdeling van de winst waarbij de omvang van de door de dochtermaatschappijen aan de Vennootschap te verrichten betalingen wordt bepaald op grond van de residual profit split method (hierna: de RPSM-betalingen). De RPSM-betalingen worden berekend op een deel van de winst van de desbetreffende dochtermaatschappij na aftrek van de operationele kosten en van een vergoeding en kunnen zowel positief als negatief zijn. In het laatste geval moet de Vennootschap een bedrag betalen aan de dochtermaatschappij, hetgeen enige malen is voorgekomen. Ter zake van de RPSM-betalingen worden geen facturen uitgereikt.
De hiervoor in 2.2.1 tot en met 2.2.3 vermelde handelingen van belanghebbende zijn alle diensten als bedoeld in artikel 11, lid 1, letter i, onder 2°, van de Wet. Zij worden op grond van artikel 6, lid 1, van de Wet voor de heffing van omzetbelasting geacht plaats te vinden in het land van de afnemer indien zij jegens ondernemers worden verricht; indien deze diensten worden verricht jegens niet-ondernemers die buiten de Europese Unie zijn gevestigd, worden zij op grond van artikel 6i, letter e, van de Wet eveneens geacht plaats te vinden in het land waar de afnemer is gevestigd, dat wil zeggen buiten de Europese Unie. Op grond van artikel 15, lid 2, letter c, van de Wet geldt dat belanghebbende recht heeft op aftrek van de omzetbelasting die voor goederen en diensten in rekening wordt gebracht (voorbelasting) voor zover deze worden gebruikt voor diensten als bedoeld in artikel 11, lid 1, letter i, van de Wet, mits de ontvanger ervan buiten de Europese Unie is gevestigd. Voor belanghebbende betekent dit een en ander dat zij met betrekking tot de hiervoor in 2.2.1 tot en met 2.2.3 vermelde handelingen van de Vennootschap alleen recht op aftrek van voorbelasting heeft voor zover de afnemers ervan buiten de Europese Unie zijn gevestigd. Zij heeft dus geen recht op aftrek van voorbelasting voor zover de afnemers van deze diensten zijn gevestigd in de Europese Unie.
Voor de door de Vennootschap jegens haar dochtermaatschappijen verrichte diensten als hiervoor in 2.4 bedoeld geldt evenzeer dat deze diensten voor de heffing van omzetbelasting worden geacht plaats te vinden in het land waar de ontvanger, dat wil zeggen de respectieve dochtermaatschappij is gevestigd. Belanghebbende heeft voor deze diensten op grond van artikel 15, lid 2, letter a, van de Wet recht op aftrek van voorbelasting.
Voor de aftrek van voorbelasting ter zake van leveringen van goederen en diensten die niet rechtstreeks toerekenbaar zijn aan hetzij prestaties waarvoor recht op aftrek bestaat – zoals de hiervoor in 2.5.1 bedoelde diensten voor zover deze jegens afnemers buiten de Europese Unie worden verricht en de hiervoor in 2.5.2 bedoelde diensten – hetzij prestaties waarvoor dat recht niet bestaat (bijvoorbeeld de hiervoor in 2.5.1 bedoelde diensten waarvan de afnemers binnen de Europese Unie zijn gevestigd), geldt dat een evenredig recht op aftrek bestaat, in beginsel naar rato van de door de Vennootschap voor haar dienstverlening ontvangen vergoedingen. Gelet op artikel 15, lid 2, letter c, van de Wet is voor de bepaling van de omvang van dit recht op aftrek van voorbelasting ter zake van de hier bedoelde goederen en diensten (ook wel aangeduid als gemengde kosten) van belang de vestigingsplaats van de ontvangers van die diensten – binnen of buiten de Europese Unie – vast te stellen.
De Vennootschap heeft met de Inspecteur voor de periode 2007 tot en met 2011 en vervolgens voor de periode 2012 tot en met 2015 afspraken gemaakt over de berekening van de omvang van de in artikel 15, lid 2, van de Wet bedoelde aftrek van voorbelasting ter zake van de hiervoor in 2.5.3 bedoelde gemengde kosten. Mede omdat het bepalen van de vestigingsplaats van iedere afzonderlijke gebruiker van het hiervoor in 2.2.1 bedoelde handelssysteem voor belanghebbende onmogelijk was, zijn in het bijzonder afspraken gemaakt over de wijze waarop het gedeelte van de vergoedingen dat ziet op afnemers buiten de Europese Unie moet worden vastgesteld. De Vennootschap is in dit verband met de Inspecteur overeengekomen dat zij de vestigingsplaats van haar afnemers mag vaststellen op basis van haar (nominale) handelsvolumes, dat wil zeggen het totaal van haar aankoop- en verkooptransacties in een bepaalde periode op elk van de beurzen buiten de Europese Unie waarop de Vennootschap handelt, ten opzichte van haar totale handelsvolume op alle beurzen waar zij handelt.
Deze afspraken met de Inspecteur over de berekening van de evenredige aftrek zijn vastgelegd in een brief van 16 januari 2013. Die brief bevat de volgende passage:
“1. De verrekening van voorbelasting wordt bepaald door de verhouding EU / Non-EU van het nominale handelsvolume toe te passen op het bruto handelsresultaat;
2. Tussen ons is vastgesteld dat deze methode voor [de Vennootschap] op dit moment een aanvaardbare methode vormt om de aftrek van voorbelasting op grond van artikel 15-2-c van de Wet-c van vast te stellen;
3. Hoewel het hier om brutoresultaat gaat en niet om bruto omzet, vinden wij dit aanvaardbaar op grond van het arrest van het Hof van Justitie EU First National Bank of Chicago (nr.C-172/96,dd. 14-7-’98);
4. Het pro rata percentage dient te worden vastgesteld op basis van de jaarcijfers van [de Vennootschap] (en niet op basis van de halfjaarcijfers);(...).”
Bij brief van 12 april 2016 heeft de Vennootschap de Inspecteur verzocht om voortzetting van de hiervoor in 2.6.1 en 2.6.2 bedoelde afspraken, met dien verstande dat zij de omvang van de in aftrek te brengen omzetbelasting voortaan wilde bepalen door:
“de verhouding EU / Non-EU van het nominale handelsvolume toe te passen op het bruto handelsresultaat waarbij de [TNMM-vergoedingen en de RPSM-betalingen] worden toegevoegd aan de pro-rata verdeling van het bruto handelsresultaat.”
De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 31 augustus 2016 geïnformeerd dat hij bereid is de voor de jaren 2012 tot en met 2015 gemaakte afspraken ongewijzigd voort te zetten, maar dat hij geen aanleiding ziet om de TNMM-vergoedingen en de RPSM-betalingen bij deze berekening van de omvang van de aftrek in aanmerking te nemen.
Belanghebbende is bij het doen van de aangiften voor de omzetbelasting over de in geding zijnde tijdvakken, dat wil zeggen tijdvakken in de periode 1 januari 2018 tot en met 31 december 2020, wat betreft de aftrek van omzetbelasting ter zake van de hiervoor in 2.5.3 bedoelde gemengde kosten uitgegaan van voortzetting van de – inmiddels verlopen – afspraken met de Inspecteur zoals hiervoor in 2.6.1 en 2.6.2 weergegeven. Bij de vaststelling van de omvang van die aftrek heeft zij niet de TNMM-vergoedingen en de RPSM-betalingen in aanmerking genomen. Zij heeft tegen de op aangifte voldane bedragen bezwaar gemaakt, zich op het standpunt stellende dat de TNMM-vergoedingen en de RPSM-betalingen in aanmerking moeten worden genomen bij de berekening van de omvang van het recht op aftrek, namelijk als omzet waarvoor recht op aftrek bestaat, en dat zij daarom meer voorbelasting in aftrek kan brengen dan zij had aangegeven. De Inspecteur heeft de bezwaren bij uitspraak op bezwaar van 18 juni 2021 afgewezen.
3 De oordelen van het Hof
Voor het Hof was in geschil of belanghebbende méér omzetbelasting ter zake van de hiervoor in 2.5.3 bedoelde gemengde kosten in aftrek kan brengen dan zij bij de hiervoor in 2.8 bedoelde aangiften heeft gedaan. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat bij het bepalen van de omvang van de aftrek ook de TNMM-vergoedingen en de RPSM-betalingen in de verdeelsleutel moeten worden opgenomen als vergoedingen voor handelingen waarvoor recht op aftrek bestaat.
Het Hof heeft vooropgesteld dat belanghebbende bij het bepalen van de verdeelsleutel voor de evenredige aftrek in de betrokken tijdvakken niet in volle omvang onverkorte wetstoepassing voorstaat. Belanghebbende heeft ter zitting bij het Hof verduidelijkt dat zij voor de effectentransacties een beroep doet op de hiervoor in 2.6.1 en 2.6.2 weergegeven afspraken met de Inspecteur en, in aanvulling daarop, voor de dienstverlening aan de dochtermaatschappijen onverkorte wetstoepassing voorstaat, om de TNMM-vergoedingen en de RPSM-betalingen alsnog bij het bepalen van die verdeelsleutel te kunnen betrekken.
Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat de hiervoor in 2.6.1 en 2.6.2 weergegeven afspraken met de Inspecteur over de verdeelsleutel voor de evenredige aftrek, de totaliteit van belanghebbendes activiteiten betreft, waarbij alleen met handelsvolumes rekening mag worden gehouden.
Om omzetten uit handelingen jegens de dochtermaatschappijen in de bepaling van een verdeelsleutel voor de evenredige aftrek te kunnen betrekken, moet daarom volgens het Hof geheel worden teruggevallen op onverkorte wetstoepassing. Daarop heeft belanghebbende volgens het Hof geen beroep gedaan en daarvoor heeft zij naar het oordeel van het Hof ook onvoldoende cijfermatige informatie bijgebracht. Zo is het volgens het Hof onduidelijk welke verdeelsleutels voor evenredige aftrek zijn gebruikt in de aangiften, ontbreken relevante bedragen betreffende de handel in effecten en bestaat slechts globaal inzicht in de omvang van de TNMM-vergoedingen en die van de RPSM-betalingen. Bovendien bestaat onvoldoende inzicht in de mate waarin de locatie van de beurs van verhandeling van effecten de vestigingsplaats van de ontvanger van de dienst van belanghebbende weerspiegelt (binnen of buiten de Unie), terwijl andere aanknopingspunten ontbreken om die vestigingsplaatsen vast te stellen, aldus nog steeds het Hof.
Tot slot heeft het Hof geoordeeld dat bij onverkorte wetstoepassing ook de rechtskundige vragen rijzen of de vergoeding voor de diensten van een market maker in effecten inderdaad de gerealiseerde brutomarge over een bepaalde periode is, zoals bij deviezenhandel en, zo ja, of die globaal bepaalde vergoeding voor de toepassing van artikel 15, lid 2, letter c, van de Wet kan worden geïndividualiseerd naar onderscheiden ontvangers van diensten. Alleen als die vragen geheel bevestigend worden beantwoord, kan belanghebbende de evenredige aftrek in haar aangiften hebben bepaald overeenkomstig de omzetmethode en zou het mogelijk kunnen zijn aan de bestaande berekeningen aanvullend omzetbedragen toe te voegen.
Bij die stand van het geding heeft het Hof in het midden gelaten of de RPSM-betalingen vergoedingen vormen voor door belanghebbende jegens de dochtermaatschappijen verrichte diensten, zoals belanghebbende voorstaat en de Inspecteur bestrijdt.