Gerechtshof Amsterdam, 11-05-2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1298, 21/01830 tot en met 21/01840
Gerechtshof Amsterdam, 11-05-2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1298, 21/01830 tot en met 21/01840
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 11 mei 2023
- Datum publicatie
- 28 juni 2023
- Formele relaties
- Cassatie: ECLI:NL:HR:2026:281
- Zaaknummer
- 21/01830 tot en met 21/01840
- Relevante informatie
- Art. 2a Wet OB 1968, Art. 15 lid 2 onderdeel c Wet OB 1968, Art. 11 Uitv.besch. OB
Inhoudsindicatie
OB. Belanghebbende houdt zich o.a. bezig met ‘market making’ en handel in financiële instrumenten. Moet bij het bepalen van de evenredige aftrek nog aanvullend rekening worden gehouden met de betalingen die belanghebbende van haar dochtervennootschappen ontvangt, al dan niet op grond van de tussen partijen geldende afspraak? Moet het VK met ingang van 1 februari 2020 voor de toepassing van de Wet OB geacht worden een derde land te zijn?
Uitspraak
kenmerken 21/01830 tot en met 21/01840
11 mei 2023
uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] , gevestigd te [Z] , belanghebbende,
gemachtigde: mr. F.J. Manzoni (Deloitte Belastingadviseurs BV)
tegen de uitspraak van 5 november 2021 in de zaken met kenmerken HAA 19/3459 tot en met HAA 19/3462, HAA 20/5184 tot en met HAA 20/5186 en HAA 21/3591 tot en met HAA 20/3594 van de rechtbank Noord-Holland (de rechtbank) in de gedingen tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
1 Ontstaan en loop van het geding
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de voldoening op aangifte van omzetbelasting over de volgende tijdvakken:
|
Tijdvak |
Voldane omzetbelasting |
Kenmerk |
|
Eerste kwartaal 2018 |
€ [bedrag] |
21/01830 |
|
Tweede kwartaal 2018 |
€ [bedrag] |
21/01831 |
|
Derde kwartaal 2018 |
€ [bedrag] |
21/01832 |
|
Vierde kwartaal 2018 |
€ [bedrag] |
21/01833 |
|
Tweede kwartaal 2019 |
€ [bedrag] |
21/01834 |
|
Derde kwartaal 2019 |
€ [bedrag] |
21/01835 |
|
Vierde kwartaal 2019 |
€ [bedrag] |
21/01836 |
|
Eerste kwartaal 2020 |
€ [bedrag] |
21/01837 |
|
Tweede kwartaal 2020 |
€ [bedrag] |
21/01838 |
|
Derde kwartaal 2020 |
€ [bedrag] |
21/01839 |
|
Vierde kwartaal 2020 |
€ [bedrag] |
21/01840 |
De inspecteur heeft die bezwaren afgewezen. De rechtbank heeft de daartegen ingestelde beroepen in haar bestreden uitspraak ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tijdig hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Daarna zijn de volgende stukken ingediend:
- -
-
een aanvulling van de gronden van het hoger beroep van belanghebbende;
- -
-
een verweerschrift van de inspecteur;
- -
-
een nader stuk van belanghebbende;
- -
-
een nader stuk van de inspecteur;
- -
-
een pleitnota van de inspecteur, en
- -
-
een pleitnota van belanghebbende.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2023. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2 Feiten
De volgende door de rechtbank vastgestelde feiten hebben partijen niet bestreden en neemt het Hof over, met toevoeging van hetgeen onder 2.4.3 en 2.4.4 is vermeld.
2.1.1. Belanghebbende houdt zich bezig met ‘market making’ en, mede in dat kader, handel in financiële instrumenten. Zij verschaft liquiditeit voor financiële producten en zorgt ervoor dat op (elektronische) handelsplatformen, zoals Euronext, handel mogelijk is in effecten, in het bijzonder van [financiële producten] . Daartoe geeft belanghebbende continu en onder alle marktomstandigheden bied- en laatkoersen af. De biedkoers geeft de (hoogste) prijs weer die zij bereid is te betalen voor een [financiële producten] . De laatkoers is de (laagste) prijs waarvoor zij een [financiële producten] aanbiedt. Belanghebbende geeft verder op verzoek tegen vergoeding laat- en biedprijzen af aan institutionele partijen, zoals pensioenfondsen, buiten de gereguleerde markten om.
2.1.2. Daarnaast fungeert belanghebbende als authorized participant voor partijen die [financiële producten] uitgeven. Zij garandeert in dat kader aan uitgevende partijen dat zij bied- en laatprijzen zal afgeven op de betreffende beurs. In ruil daarvoor ontvangt zij quoting fees, ook genoemd liquidity provisions.
2.1.3. De activiteiten van belanghebbende worden uitgeoefend op beurzen binnen en buiten de Europese Unie (hierna: EU), waaronder in het Verenigd Koninkrijk (het VK). De afnemers van de door belanghebbende verrichte prestaties zijn ook zowel binnen als buiten de EU gevestigd.
2.2.1. Belanghebbende heeft dochtervennootschappen in Singapore, in de Verenigde Staten en in Hong Kong. Zij heeft met elk van die dochtervennootschappen een Transfer Pricing Implementation Agreement (de Agreements) gesloten. De Agreements verwijzen naar een door [A] opgemaakte 2014 Transfer Pricing Master File (de Master File). In de Agreements en de Master File is vermeld dat belanghebbende per 1 januari 2015 aan de dochtervennootschappen zogenoemde support services verleent en de door haar ontwikkelde [X] Group Software ter beschikking stelt.
2.2.2. In de Agreements en de Master File is bepaald dat de dochtervennootschappen in verband met de support services betalingen doen aan belanghebbende waarvan de hoogte wordt bepaald op basis van de Transactional Net Margin Method met toepassing van een mark up van [**] % of [**] % (de tnmm-betalingen). Voor die betalingen reikt belanghebbende facturen uit aan de dochtervennootschappen.
2.2.3. Daarnaast is voor de terbeschikkingstelling van de software een profit split voorzien in de Agreements en de Master File, waarbij de omvang van de te verrichten betalingen wordt bepaald op grond van de residual profit split method (de rpsm-betalingen). Zij worden aldus berekend op een deel van de winst van de dochtervennootschap na aftrek van de operationele kosten en van een vergoeding en kunnen zowel positief als negatief zijn. In het laatste geval moet belanghebbende een bedrag betalen aan de desbetreffende dochtervennootschap, hetgeen enige keren is voorgekomen. Er worden geen facturen uitgereikt in verband met de rpsm-betalingen.
2.3.1. In 2009 hebben partijen overlegd over de toepassing van de aftrek van voorbelasting met betrekking tot aan belanghebbende in rekening gebrachte kosten die toerekenbaar zijn aan zowel prestaties waarvoor wel als die waarvoor geen recht op aftrek bestaat (gemengde kosten). Dit ter bepaling van een evenredige aftrek conform het bepaalde in artikel 11 van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 (de Uitvoeringsbeschikking), rekening houdende met het bepaalde in artikel 15, tweede lid, onder c, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (de Wet). Het overleg heeft geleid tot een afspraak over een methode ter bepaling van de evenredige aftrek in de periode 2007 tot en met 2011.
2.3.2. Voor de periode 2012 tot en met 2015 hebben partijen opnieuw een afspraak gemaakt. Bij brief van 12 april 2016 heeft belanghebbende verzocht om voortzetting van die afspraak na 2015, maar met inachtneming van de tnmm- en rpsm-betalingen als (belaste) omzet per 1 januari 2015. De inspecteur heeft in een brief van 31 augustus 2016 aan belanghebbende geschreven dat de afspraak ongewijzigd kan worden voortgezet, maar zonder aanvullend rekening te houden met de tnmm- en rpsm-betalingen.
2.3.3. In een brief van de inspecteur aan belanghebbende van 16 januari 2013, waarin de afspraak voor de periode 2012 tot en met 2015 is vastgelegd, is onder meer het volgende vermeld:
“Uitgangspunten
(…)
In uw brief van 3 februari 2012 heeft u verzocht om de afspraak tussen de Belastingdienst en [X] verwoord in de brief van de Belastingdienst dd. 16 december 2009 ten aanzien van de verrekening van voorbelasting voort te mogen zetten voor de jaren 2012, 2013, 2014 en 2015. Deze afspraak kwam neer op verrekening van voorbelasting op basis van werkelijk gebruik van de (goederen en) diensten voor belaste en vrijgestelde prestaties. Destijds was een splitsing op basis van de bruto omzet niet mogelijk. Tijdens ons gesprek op 19 juli 2012 gaf u aan dat u nu wel inzichtelijk kunt maken waar de verschillende omzetten gemaakt worden, en derhalve een splitsing kunt maken naar EU en Non-EU omzet. (…) Voor de berekening van een evenredige verrekening van voorbelasting moet uitgegaan worden van de bruto omzet. (…)
(…)
Standpunt
-
De verrekening van voorbelasting wordt bepaald door de verhouding EU / Non-EU van het nominale handelsvolume toe te passen op het bruto handelsresultaat;
-
Tussen ons is vastgesteld dat deze methode voor [X] op dit moment een aanvaardbare methode vormt om de aftrek van voorbelasting op grond van artikel 15-2-c van de Wet vast te stellen;
-
Hoewel het hier om brutoresultaat gaat en niet om bruto omzet, vinden wij dit aanvaardbaar op grond van het arrest van het Hof van Justitie EU First National Bank of Chicago (nr.C-172/96, dd. 14- 7 -’98);
-
Het pro rata percentage dient te worden vastgesteld op basis van de jaarcijfers van [X] (en niet op basis van de halfjaarcijfers);
-
Deze afspraak geldt tot en met 2015;
-
Voor de jaren daarna zal moeten worden bezien of deze afspraak kan worden gecontinueerd.
(…)’
2.3.4. In de in 2.3.2 genoemde brief van de inspecteur van 31 augustus 2016 is onder meer het volgende vermeld:
“1. Inleiding
In het verleden zijn met [X] afspraken gemaakt over de berekeningswijze van de pro rata btw aftrek. De laatste afspraak is van 16 januari 2013 en gold tot en met 2015 (pro rata afspraak 2012 - 2015). U hebt bij brief van 12 april 2016 namens [X] aangegeven deze afspraak te willen voortzetten, met dit verschil dat de vergoedingen die [X] aan [X] U.S. LLC en [X] Asia Pte. Ltd. op basis van een zogenoemde “Transfer Pricing Implementation Agreement” in rekening brengt, aan de teller en de noemer van de pro rata breuk zouden moeten worden toegevoegd.
(…)
4 Reactie
(…)
Met betrekking tot effectenhandel geldt als omzet in de hiervoor bedoelde zin [Hof: voor de berekening van de evenredige aftrek naar omzetverhoudingen] het bedrag waarover [X] daadwerkelijk voor eigen rekening kan beschikken: het bruto resultaat van al haar transacties in een kwartaal. Het bruto handelsresultaat is derhalve de maatstaf voor de omzet met betrekking tot de effectenhandel.
Voor de berekening van de pro rata op basis van omzetverhouding is het noodzakelijk dat het bruto handelsresultaat wordt vastgesteld dat (via beurzen) buiten de EU is gerealiseerd. [X] heeft aangegeven niet over dit cijfer te kunnen beschikken. Om die reden is in de ‘pro rata afspraak 2012 - 2015' een van de omzetverhouding afwijkende maatstaf afgesproken, namelijk een maatstaf voor het gebruik van gemengde kosten op basis van het van het handelsvolume op non EU beurzen ten opzichte van het totale handelsvolume.
Aangezien er van de omzetverhouding wordt afgeweken, is de afspraak gebaseerd op werkelijk gebruik (…). (…)
De reden dat de werkelijk gebruik methode bij [X] is geaccepteerd, is uitsluitend gelegen in het feit dat de omzetmethode niet mogelijk is aangezien [X] het bruto resultaat niet per beurs kan bepalen en er daardoor ook geen onderscheid bruto handelsresultaat non EU en EU kan worden gemaakt.
(…)
Het werkelijk gebruik van de goederen als geheel genomen is niet vastgesteld. Het is dus ook niet duidelijk wat het gebruik van de gemengde kosten als geheel genomen is met het oog op de profit split en de support services. Het is daarom ook niet mogelijk te bepalen hoe dat gebruik tot uitdrukking zou moeten komen in de maatstaf voor het werkelijk gebruik. Het is dus niet aannemelijk dat het opnemen van de intercompany omzet in de maatstaf op basis van de verdeling van de geografische oorsprong (EU/nonEU) van de handelsvolumes, een resultaat oplevert waarmee het werkelijk gebruik van de goederen en diensten voor gemengd gebruik nauwkeuriger wordt bepaald. Er is derhalve geen aanleiding de intercompany omzet ten gevolge van de profit split en de support services in de pro rata te nemen, zoals [X] voorstaat.
Het voorgaande komt erop neer dat de pro rata afspraak 2012 - 2015 ongewijzigd kan worden voortgezet. Ik behoud mij het recht voor om de pro rata afspraak 2012 - 2015 in de toekomst te herzien (…).
(…)”