Hoge Raad, 16-01-2026, ECLI:NL:HR:2026:55, 22/01209
Hoge Raad, 16-01-2026, ECLI:NL:HR:2026:55, 22/01209
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 16 januari 2026
- Datum publicatie
- 16 januari 2026
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:55
- Formele relaties
- Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:1077
- In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2022:1399
- Zaaknummer
- 22/01209
Inhoudsindicatie
Antidumpingrechten en douanerechten; art. 29 en 33, letter f, CDW; art. 181 bis UCDW; art. 140 UDWU; ijzeren en stalen bevestigingsmiddelen van oorsprong uit China; douanewaarde; bewijsvoering verwerping leveringsvoorwaarde delivered duty paid; in de beroepsfase starten van een procedure die strekt tot verwerping van de methode van de transactiewaarde wegens gegronde twijfels; beginselen van een goede procesorde.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 22/01209
Datum 16 januari 2026
ARREST
in de zaak van
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
tegen
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 22 februari 2022, nrs. 20/00238 en 20/002391, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. HAA 15/2908 en HAA 19/3713) betreffende aan belanghebbende uitgereikte uitnodigingen tot betaling van antidumpingrechten en van douanerechten en een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking als bedoeld in artikel 140, lid 2, van de Uitvoeringsverordening Douanewetboek van de Unie in samenhang gelezen met artikel 8:2, lid 2, van de Algemene douanewet.
1 Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Belanghebbende, vertegenwoordigd door C. van Oosten, heeft een verweerschrift ingediend. Zij heeft ook incidenteel beroep in cassatie ingesteld.Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 24 november 2023 geconcludeerd tot het verzoeken om een prejudiciële beslissing aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.2Zowel de Staatssecretaris als belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
Belanghebbende heeft op 31 januari 2025 verzocht om de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.De Minister van Justitie en Veiligheid heeft schriftelijk gereageerd op het hiervoor bedoelde verzoek en zich gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het namens de Staatssecretaris ingestelde beroep in cassatie
Belanghebbende heeft zich in haar verweerschrift in cassatie op het standpunt gesteld dat het namens de Staatssecretaris ingestelde beroep in cassatie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Zij heeft erop gewezen dat volgens het Besluit van de Minister van Financiën van 25 januari 2022, nr. 2022-8443, in samenhang gelezen met artikel 3 van de Wet van 25 januari 1951 houdende nadere voorzieningen in verband met de invoering van de ambten van ministers zonder portefeuille en van staatssecretaris3, met terugwerkende kracht tot 10 januari 2022 twee staatssecretarissen van Financiën zijn benoemd, te weten de Staatssecretaris van Financiën - Fiscaliteit en Belastingdienst en de Staatssecretaris van Financiën - Toeslagen en Douane. Uit het briefhoofd noch de ondertekening van het beroepschrift in cassatie, gedagtekend 25 april 2022, kan worden opgemaakt wie van deze twee staatssecretarissen het beroep in cassatie heeft ingesteld. Het is daarom niet uitgesloten dat de Staatssecretaris van Financiën - Fiscaliteit en Belastingdienst, die niet is belast met douanezaken, het beroep in cassatie heeft ingesteld.
Bij brief van 4 december 2023 heeft de Staatssecretaris van Financiën - Toeslagen en Douane verklaard dat hij instemt met het door de Directeur-Generaal Belastingdienst, loco, op 4 april 2022 ingestelde beroep in cassatie alsmede met de tot dan toe door de Directeur-Generaal Belastingdienst, loco, in dit geding gevoerde correspondentie. Het beroep in cassatie is ontvankelijk.
3 Uitgangspunten in cassatie
Op 24 april 2012 heeft belanghebbende aangifte gedaan voor het brengen in het vrije verkeer van een zending diverse soorten stalen en ijzeren bevestigingsmiddelen (hierna: de bevestigingsmiddelen), met vermelding van postonderverdeling 7318 15 89 van de Gecombineerde Nomenclatuur (tekst van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012; hierna: de GN)4. Belanghebbende heeft de bevestigingsmiddelen gekocht van een in Indonesië gevestigde onderneming (hierna: de Indonesische onderneming).Belanghebbende heeft verzocht om toepassing van een preferentieel tarief van douanerechten (0 procent) in het kader van het zogenoemde stelsel van algemene preferenties. In de douaneaangifte is vermeld dat de bevestigingsmiddelen van oorsprong uit Indonesië zijn. Ten bewijze dat de bevestigingsmiddelen de voor het preferentiële tarief vereiste oorsprong Indonesië hebben, heeft belanghebbende een certificaat van oorsprong, formulier A, overgelegd. De bevestigingsmiddelen zijn door de Douane vrijgegeven met toepassing van het gevraagde preferentiële tarief van douanerechten.
De Raad van de Europese Unie heeft bij Verordening (EG) nr. 91/2009 van 26 januari 2009, (hierna: Vo. 91/2009)5, met ingang van 1 februari 2009 een definitief antidumpingrecht ingesteld op bepaalde soorten ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen van post 7318 van de GN, van oorsprong uit de Volksrepubliek China waaronder bevestigingsmiddelen van postonderverdeling 7318 15 89 van de GN. Het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) heeft in de jaren 2011 tot en met 2013 onderzoek gedaan naar de oorsprong van diverse soorten bevestigingsmiddelen, van staal en ijzer, die volgens in de Europese Unie gedane invoeraangiften zijn gefabriceerd in Indonesië en vandaar zijn uitgevoerd naar de Europese Unie. In dat kader heeft OLAF van 11 februari 2013 tot 22 februari 2013 in Indonesië onderzoek gedaan.
Van de bevindingen van het onderzoek, waarbij een onderzoek ter plaatse bij de Indonesische onderneming heeft plaatsgevonden, heeft OLAF een rapport opgesteld. Blijkens dat rapport heeft OLAF vastgesteld dat de Indonesische onderneming in de jaren 2010 tot en met 2012 geen bevestigingsmiddelen in Indonesië vervaardigde en heeft die onderneming die ook niet eerder in dat land vervaardigd. Verder heeft OLAF tijdens het onderzoek vastgesteld dat de Indonesische onderneming in die jaren op grote schaal bevestigingsmiddelen vanuit China heeft doen overbrengen naar Indonesië die zij – na overlading – naar de Europese Unie heeft doen vervoeren met daarbij gevoegd door de Indonesische onderneming aangevraagde certificaten van oorsprong, formulier A. Volgens OLAF zijn deze certificaten door de Indonesische autoriteiten afgegeven op basis van valse en misleidende informatie die de Indonesische onderneming hen over de oorsprong van de bevestigingsmiddelen heeft verstrekt.
Op grond van de hiervoor in 3.3 beschreven bevindingen van OLAF heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende ten onrechte aanspraak heeft gemaakt op het hiervoor in 3.1 bedoelde preferentiële tarief van douanerechten en dat zij alsnog douanerechten naar het normale tarief van 3,7 procent, te berekenen over de douanewaarde van de bevestigingsmiddelen, is verschuldigd.Omdat uit het onderzoek van OLAF is gebleken dat de niet-preferentiële oorsprong van de bevestigingsmiddelen China is en voor dergelijke goederen op grond van Vo. 91/2009 een antidumpingmaatregel geldt, heeft de Inspecteur zich verder op het standpunt gesteld dat belanghebbende antidumpingrechten is verschuldigd naar het tarief van 85 procent, eveneens te berekenen over de douanewaarde van de bevestigingsmiddelen. De Inspecteur heeft vervolgens onderzocht wat de douanewaarde van de bevestigingsmiddelen is.
Volgens de bij de hiervoor in 3.1 bedoelde douaneaangifte overgelegde factuur is belanghebbende met de Indonesische onderneming overeengekomen dat de verkoop van de bevestigingsmiddelen geschiedt onder de voorwaarde ‘delivered duty paid’ (hierna: de leveringsvoorwaarde DDP) in [R] . De overeengekomen koopprijs alsmede de leveringsvoorwaarde DDP zijn in de hiervoor in 3.1 bedoelde douaneaangifte vermeld.Ondanks de vermelding van de leveringsvoorwaarde DDP die volgens belanghebbende meebrengt dat de bij invoer in de Gemeenschap te betalen bedragen aan rechten bij invoer worden geacht te zijn begrepen in de koopprijs, heeft de Inspecteur niet de voor de bevestigingsmiddelen te betalen rechten bij invoer als van de met de Indonesische onderneming overeengekomen koopprijs te onderscheiden elementen in mindering willen brengen op die koopprijs en aldus buiten de douanewaarde houden. Het niet toepassen van artikel 33, aanhef en letter f, van het Communautair douanewetboek (hierna: het CDW), in samenhang gelezen met artikel 29 van het CDW, heeft de Inspecteur erop gegrond dat de leveringsvoorwaarde DDP niet van toepassing kan zijn omdat de hiervoor in 3.1 bedoelde douaneaangifte op naam en voor rekening van belanghebbende is gedaan. Bovendien zou de prijs van de bevestigingsmiddelen volgens de Inspecteur onwerkelijk laag worden als het douanerecht en het antidumpingrecht daarop nog in mindering moeten worden gebracht.
De Inspecteur heeft de douanewaarde gesteld op de koopprijs die volgens de factuur van de Indonesische onderneming aan belanghebbende in rekening is gebracht en over dat bedrag – naar de hiervoor in 3.4 vermelde tarieven – de te betalen douanerechten en antidumpingrechten berekend. Daarvan uitgaande zijn van belanghebbende bij op één aanslagbiljet met dagtekening 19 december 2014 verenigde uitnodigingen tot betaling douanerechten en antidumpingrechten nagevorderd.
Nadat de Inspecteur bij uitspraak van 26 mei 2015 de tegen die uitnodigingen tot betaling gemaakte bezwaren had afgewezen, heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft de behandeling van het beroep aangehouden in afwachting van de onherroepelijke uitkomst van een andere gerechtelijke procedure van belanghebbende over in 2013 uitgereikte uitnodigingen tot betaling van antidumpingrechten ter zake van in 2011 gedane invoeraangiften voor ijzeren en stalen bevestigingsmiddelen die belanghebbende onder de leveringsvoorwaarde DDP had aangekocht van de Indonesische onderneming. Het geschil in die procedure betrof ook de vraag of bij de vaststelling van de douanewaarde, vanwege de vermelding van de leveringsvoorwaarde DDP in de douaneaangiften, rekening moet worden gehouden met het na te vorderen bedrag aan antidumpingrechten.
Bij arrest van 29 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:1022 (hierna: het arrest van 29 juni 2018), heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de inspecteur de in artikel 181 bis, lid 1, van de Uitvoeringsverordening Communautair douanewetboek (hierna: de UCDW) voorziene procedure moet volgen wanneer hij het standpunt inneemt dat hij de toepassing van de in artikel 29 van het CDW voorgeschreven methode verwerpt op de grond dat hij niet ervan is overtuigd dat de aangegeven waarde van de bevestigingsmiddelen overeenkomt met de in artikel 29 van het CDW omschreven totale betaalde of te betalen prijs.
De Inspecteur heeft vervolgens bij brief van 17 oktober 2018 de in artikel 140 van de Uitvoeringsverordening Douanewetboek van de Unie (hierna: de UDWU) bedoelde procedure geëntameerd ter zake van de in het onderhavige geding aan de orde zijnde bevestigingsmiddelen. Hij heeft belanghebbende geïnformeerd dat hij twijfels heeft over het antwoord op de vraag of de in de hiervoor in 3.1 bedoelde douaneaangifte opgegeven transactieprijs overeenkomt met de werkelijk te betalen of betaalde prijs omdat de bij de invoeraangifte overgelegde factuur niet de reële prijs van de goederen lijkt weer te geven. Hij heeft belanghebbende de gelegenheid gegeven hierop te reageren, van welke gelegenheid belanghebbende gebruik heeft gemaakt ter weerlegging van de door de Inspecteur geuite twijfels.
Deze procedure heeft geresulteerd in een op 18 maart 2019 ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking als bedoeld in artikel 8:2, lid 2, van de Algemene douanewet. Bij die beschikking heeft de Inspecteur de met gebruikmaking van de in artikel 29 van het CDW bedoelde methode (hierna ook: de transactiewaardemethode) voor de bevestigingsmiddelen opgegeven douanewaarde verworpen omdat zijn twijfels over de juistheid van de opgegeven transactieprijs niet zijn weggenomen. De Inspecteur heeft blijkens deze beschikking de verwerping van de transactiewaardemethode erop gegrond dat de leveringsvoorwaarde DDP niet van toepassing kan zijn. De hiervoor in 3.1 bedoelde douaneaangifte is op naam en voor rekening van belanghebbende gedaan, waardoor de douane navordering van meer verschuldigde rechten niet aan de verkoper of diens vertegenwoordiger kan mededelen. Volgens de Inspecteur heeft de koper bij het overeenkomen van de leveringsvoorwaarde DDP niets van doen met de douane. Uit hetgeen belanghebbende aan gegevens en documenten tijdens de in artikel 140 van de UDWU bedoelde procedure heeft verstrekt, heeft de Inspecteur opgemaakt dat de Indonesische onderneming niet de intentie heeft gehad de betaling van rechten bij invoer op zich te nemen. Aan de verwerping van de transactiewaardemethode heeft de Inspecteur het gevolg verbonden dat de douanewaarde van de bevestigingsmiddelen moet worden vastgesteld met gebruikmaking van de methode van de redelijke middelen als bedoeld in artikel 31 van het CDW. Aan die methode heeft hij invulling gegeven door de oorspronkelijke transactiewaarde te gebruiken maar daarbij uit te gaan van de leveringsvoorwaarde ‘cost, insurance, and freight’ in plaats van de leveringsvoorwaarde DDP.
Belanghebbende heeft tegen deze beschikking bezwaar gemaakt om vervolgens – op de voet van artikel 7:1a Awb – rechtstreeks beroep in te stellen bij de Rechtbank.De Rechtbank heeft de behandeling van het hiervoor in 3.7 bedoelde beroep betreffende de uitnodigingen tot betaling van douanerechten en antidumpingrechten voortgezet en daarbij gelijktijdig het rechtstreeks tegen de hiervoor in 3.10 bedoelde beschikking ingestelde beroep behandeld. Zij heeft de beide beroepen gegrond verklaard en de uitnodigingen tot betaling alsmede de hiervoor in 3.10 bedoelde beschikking vernietigd.
4 De oordelen van het Hof
Voor het Hof was in geschil de hoogte van de douanewaarde van de bevestigingsmiddelen als grondslag voor de berekening van de verschuldigde douanerechten en antidumpingrechten.
Het Hof heeft uit rechtsoverweging 2.5.2 van het arrest van 29 juni 2018 afgeleid dat de Inspecteur de in artikel 181 bis van de UCDW dan wel artikel 140 van de UDWU bedoelde procedure moet volgen wanneer hij wil afwijken van de aangegeven transactiewaarde, bijvoorbeeld omdat hij van opvatting is dat goederen – in afwijking van hetgeen in de douaneaangifte is vermeld – niet daadwerkelijk onder de leveringsvoorwaarde DDP zijn verkocht en geleverd en dat daarom bij het bepalen van de douanewaarde ten onrechte die rechten in mindering zijn gebracht op de overeengekomen prijs.
Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat het de Inspecteur niet vrij staat om, nadat voor de bevestigingsmiddelen uitnodigingen tot betaling waren uitgereikt, alsnog de procedure van artikel 140 van de UDWU te entameren en het resultaat van die procedure ten grondslag te leggen aan reeds uitgereikte uitnodigingen tot betaling. Het Hof heeft daartoe overwogen dat de Hoge Raad in rechtsoverweging 2.5.2 van het arrest van 29 juni 2018 heeft gepreciseerd dat artikel 181 bis van de UCDW, thans artikel 140 van de UDWU, een procedure behelst die ziet op de voorbereiding van de besluitvorming door de douaneautoriteiten. Het Hof heeft in dat verband ook gewezen op rechtsoverweging 3.3, eerste volzin, van het arrest van de Hoge Raad van 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO8438. Naar het oordeel van het Hof kan een dergelijke procedure naar zijn aard niet achteraf worden toegepast.
5. Beoordeling van de in het principale beroep in cassatie voorgestelde middelen
Middel I is gericht tegen de hiervoor in 4.2 en 4.3 weergegeven oordelen van het Hof. Het middel klaagt dat het Hof – zonder verder onderzoek te doen – ervan is uitgegaan dat de voor de bevestigingsmiddelen verschuldigde douanerechten en antidumpingrechten voor rekening van de verkoper (de Indonesische onderneming) zijn. De Inspecteur heeft met hetgeen hij in deze procedure heeft aangevoerd, uitgaande van toepassing van de methode als bedoeld in artikel 29 van het CDW, bestreden dat belanghebbende met de Indonesische onderneming de leveringsvoorwaarde DDP is overeengekomen. Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 22 april 2021, Lifosa UAB, C-75/20, ECLI:EU:C:2021:320, betoogt het middel dat het Hof dit had moeten beoordelen en had moeten onderzoeken of de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de verschuldigde douanerechten en antidumpingrechten in werkelijkheid niet voor rekening van de Indonesische onderneming zijn.Volgens het middel heeft het Hof die stelling van de Inspecteur niet kunnen verwerpen op basis van hetgeen de Hoge Raad in rechtsoverweging 2.5.2 van het arrest van 29 juni 2018 heeft overwogen. De Hoge Raad heeft namelijk in dat arrest, aldus het middel, nadrukkelijk in zijn beschouwing betrokken dat in cassatie niet meer in geschil was het oordeel van het gerechtshof dat de belanghebbende met zijn leverancier de leveringsvoorwaarde DDP was overeengekomen. Het middel wijst daarvoor op de eerste alinea van rechtsoverweging 2.4.2 en de slotzin van rechtsoverweging 2.5.2 van het arrest van 29 juni 2018. Bovendien, zo tekent middel I aan, hoeft de beoordeling van het standpunt dat in werkelijkheid niet de leveringsvoorwaarde DDP tussen belanghebbende en de Indonesische onderneming is overeengekomen, niet uitsluitend plaats te vinden in een procedure als bedoeld in artikel 181 bis van de UCDW dan wel artikel 140 van de UDWU, aangezien het een standpunt betreft dat valt binnen de context van de methode zoals voorzien in artikel 29 (met inbegrip van de artikelen 32 en 33) van het CDW.
Blijkens hetgeen de Inspecteur in verweer bij de Rechtbank en nadien in verweer bij het Hof heeft aangevoerd, heeft de Inspecteur zich van meet af aan op het standpunt gesteld dat belanghebbende met de Indonesische onderneming in werkelijkheid niet de leveringsvoorwaarde DDP is overeengekomen. Dit standpunt van de Inspecteur strekte niet alleen ertoe – zoals middel I terecht aanvoert – om voor het vaststellen van de douanewaarde als bedoeld in artikel 28 van het CDW, de toepassing van de transactiewaardemethode te verwerpen op de voet van artikel 181 bis van de UCDW respectievelijk artikel 140 van de UDWU. Met dit standpunt beoogde de Inspecteur ook de voor de bevestigingsmiddelen te betalen rechten bij invoer niet buiten de douanewaarde te houden op grond van het bepaalde in artikel 33, aanhef en letter f, van het CDW. Dit standpunt valt binnen de context van toepassing van de methode als bedoeld in artikel 29 van het CDW in samenhang gelezen met de artikelen 32 en 33 van het CDW. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat de Inspecteur van dit standpunt uitdrukkelijk en ondubbelzinnig afstand heeft gedaan.
Het Hof heeft, gelet op hetgeen in de eerste alinea van rechtsoverweging 2.4.2, en de slotzin van rechtsoverweging 2.5.2 van het arrest van 29 juni 2018 is opgenomen, niet uit dat arrest mogen afleiden dat de Inspecteur de in artikel 181 bis van de UCDW respectievelijk artikel 140 van de UDWU bedoelde procedure moet volgen wanneer hij stelt en motiveert dat de bevestigingsmiddelen in werkelijkheid niet onder de leveringsvoorwaarde DDP zijn verkocht.Om met succes het standpunt te kunnen verdedigen dat verkoper en koper in werkelijkheid niet de leveringsvoorwaarde DDP zijn overeengekomen en de bij de douaneaangifte opgegeven douanewaarde te herzien, staan de inspecteur namelijk volgens de geldende bepalingen twee instrumenten ter beschikking.
In de eerste plaats staan de inspecteur algemeen toe te passen bevoegdheden ter beschikking om controles uit te voeren en van betrokkenen alle nodige bescheiden en inlichtingen te vragen, een en ander als voorzien in het CDW respectievelijk het DWU. Deze bevoegdheden moeten het hem mogelijk maken om op doeltreffende wijze te controleren of de douanewetgeving correct wordt toegepast. Deze bevoegdheden kunnen worden uitgeoefend om – zoals in het onderhavige geding – vast te stellen of de in een douaneaangifte opgegeven douanewaarde die is gebaseerd op toepassing van de methode als bedoeld in artikel 29 van het CDW in samenhang gelezen met de artikelen 32 en 33 van het CDW, juist is. Wanneer de douaneautoriteiten door uitoefening van deze bevoegdheden aannemelijk maken dat de in de douaneaangifte vermelde douanewaarde niet juist is, kunnen zij de nodige maatregelen nemen om een en ander recht te zetten, rekening houdend met de nieuwe gegevens waarover zij beschikken.
In de tweede plaats voorziet artikel 181 bis van de UCDW respectievelijk artikel 140 van de UDWU, onverminderd de hiervoor bedoelde controle- en onderzoeksbevoegdheden, in een bijzondere procedure. Die procedure betreft specifiek de controle van de juistheid van een in een douaneaangifte opgegeven douanewaarde voor zover deze is bepaald met gebruikmaking van de transactiewaardemethode. Op grond van deze bepalingen hebben de douaneautoriteiten de bevoegdheid om de in de douaneaangifte gehanteerde transactiewaardemethode te verwerpen indien zij wegens gegronde twijfel niet ervan overtuigd zijn dat de aangegeven waarde overeenkomt met de in artikel 29 van het CDW respectievelijk artikel 70 van het DWU omschreven totale betaalde of te betalen prijs. Om de transactiewaarde op deze grond te kunnen verwerpen, moeten de douaneautoriteiten de in artikel 181 bis van de UCDW respectievelijk artikel 140 van de UDWU voorgeschreven procedure hebben doorlopen, hetgeen inhoudt dat zij alvorens een definitieve beslissing te nemen de betrokkene desgevraagd schriftelijk in kennis hebben gesteld van de reden voor die twijfel en zij hem een redelijke gelegenheid hebben geboden daarop te antwoorden.6 Het gaat bij toepassing van artikel 181 bis van de UCDW en artikel 140 van de UDWU dus niet erom dat de douaneautoriteiten hebben bewezen dat en in hoeverre de aangegeven douanewaarde onjuist is, maar dat zij terecht gegronde twijfel hebben bij de juistheid van de transactiewaarde en dat de belanghebbende, ofschoon daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, die twijfel niet heeft kunnen wegnemen. 7
Op deze wijze bieden artikel 181 bis van de UCDW respectievelijk artikel 140 van de UDWU de douaneautoriteiten voor de gevallen dat zij niet over voldoende gegevens beschikken om te bewijzen dat de in een douaneaangifte opgegeven transactiewaarde niet juist is en welke die waarde dan wel moet zijn, een instrument waardoor (i) de douaneautoriteiten voor een beslissing tot herziening van de in de douaneaangifte opgegeven douanewaarde in een gunstigere bewijspositie ten opzichte van de betrokkene komen te verkeren, en (ii) de betrokkene vanwege deze gunstiger bewijspositie gedwongen kan worden om de douaneautoriteiten van (aanvullende) informatie en/of documenten te voorzien teneinde die gegronde twijfel(s) te weerleggen omdat hij indien hij niet meewerkt aan het verstrekken van inlichtingen en/of documenten, het risico loopt dat de douaneautoriteiten de transactiewaardemethode verwerpen.
Het hiervoor in 4.2 weergegeven oordeel van het Hof en het hiervoor in 4.3 weergegeven oordeel voor zover dat op het hiervoor in 4.2 weergegeven oordeel voortbouwt, geven, gelet op hetgeen hiervoor in 5.2 tot en met 5.3.4 is overwogen, blijk van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel heeft het Hof, indien het van de juiste rechtsopvatting is uitgegaan, niet toereikend gemotiveerd waarom het het hiervoor in 5.2 weergegeven standpunt van de Inspecteur niet heeft behandeld. Middel I slaagt.
Middel II is gericht tegen het hiervoor in 4.3 weergegeven oordeel van het Hof dat het de Inspecteur niet vrij staat om, nadat rechten bij invoer zijn geheven door middel van uitreiking van een uitnodiging tot betaling, de procedure van artikel 181 bis van de UCDW weergegeven oordeel van het Hof dat het de Inspecteur niet vrij staat om, nadat rechten bij invoer zijn geheven door middel van uitreiking van een uitnodiging tot betaling, de procedure van artikel 181 bis van dan wel artikel 140 van de UDWU te doorlopen en het resultaat van die procedure ten grondslag te leggen aan reeds uitgereikte uitnodigingen tot betaling. Volgens het middel mogen aan het resultaat van die procedure ook juridische gevolgen worden verbonden voor reeds uitgereikte uitnodigingen tot betaling, mits uiteraard de daarvoor in acht te nemen voorwaarden uit hoofde van rechtsbescherming dan wel het verdedigingsbeginsel zijn gerespecteerd.
Het middel roept de vraag op of de inspecteur in de fase van beroep met betrekking tot een reeds uitgereikte uitnodiging tot betaling alsnog de procedure als bedoeld in artikel 140 van de UDWU kan entameren en doorlopen en de daarmee van belanghebbende verkregen informatie mag gebruiken voor de bewijsvoering voor het beslechten van een geschil over de juiste hoogte van de van die belanghebbende nagevorderde rechten bij invoer.
Bij de beantwoording van de hiervoor in 5.6 bedoelde vraag wordt vooropgesteld dat tegen de hiervoor in 5.3.3 bedoelde beslissing van de douaneautoriteiten om de transactiewaardemethode te verwerpen, de belanghebbende afzonderlijk beroep kan instellen in de zin van artikel 243 van het CDW respectievelijk artikel 44 van het DWU, mits deze beslissing voor hem rechtstreekse juridische gevolgen heeft.8
Artikel 243 van het CDW respectievelijk artikel 44 van het DWU bepalen dat het recht beroep in te stellen in ten minste twee – in elk van die bepalingen omschreven – fases kan worden uitgevoerd. Het is bij gebrek aan een verdere uitwerking van deze Unieregeling een aangelegenheid van de nationale rechtsorde van elke lidstaat om de bevoegde rechterlijke instanties aan te wijzen en procesregels te geven ter uitvoering van de in het CDW respectievelijk het DWU verankerde recht op beroep.9
In het door de Algemene douanewet en de Awb in het leven geroepen stelsel van rechtsbescherming tegen besluiten van de douaneautoriteiten wordt – in overeenstemming met de hiervoor in 5.7.2 vermelde Unierechtelijke bepalingen – onderscheiden tussen een fase voorafgaand aan het instellen van beroep bij de rechter (de heffingsfase en de bezwaarfase) en de daaropvolgende fase die beroep, hoger beroep en cassatieberoep omvat. Zoals hiervoor is overwogen, behoort de verdere uitwerking van deze fases en de tenuitvoerlegging ervan tot de procedurele autonomie van de lidstaten.10
Zoals hiervoor in 3.7 tot en met 3.9 is weergegeven, heeft de Rechtbank het op 26 juni 2015 ingestelde beroep van belanghebbende inzake de op 19 december 2014 van belanghebbende nagevorderde douanerechten en antidumpingrechten aangehouden in afwachting van het arrest van 29 juni 2018 en heeft zij dit beroep gevoegd met het rechtstreeks tegen de beschikking van 18 maart 2019 ingestelde beroep voor een gelijktijdige behandeling.Anders dan geldt voor de bezwaarfase, brengen de algemene beginselen van procesrecht mee dat niet kan worden aanvaard dat het de inspecteur wordt toegestaan om na de aanvang van een gerechtelijke procedure de in artikel 181 bis van de UCDW en artikel 140 van de UDWU neergelegde (onderzoeks)bevoegdheden uit te oefenen en op die manier de wederpartij te dwingen aan de hiervoor in 5.3.3, laatste alinea omschreven bewijsvoering in haar nadeel mee te werken.11 Wanneer eenmaal beroep bij de rechter is ingesteld betreffende een uitnodiging tot betaling, staat het de inspecteur daarom niet meer vrij om het resultaat van een pas tijdens die beroepsfase doorlopen procedure bedoeld in artikel 181 bis van de UCDW en artikel 140 van de UDWU te gebruiken voor de bewijsvoering betreffende de in het geding zijnde uitnodiging tot betaling.
De hiervoor in 4.2.3 weergegeven beslissing van het Hof dat de Inspecteur het resultaat van de door hem op de voet van artikel 140 van de UDWU gevolgde procedure niet mag gebruiken ter onderbouwing van de in geding zijnde uitnodigingen tot betaling, is dus in zoverre juist. Middel II faalt.
6. Beoordeling van het in het incidentele beroep in cassatie voorgestelde middel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).